De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

8 minuten leestijd

Psalm 13.

II.

Van Oecolampadius bleef in herinnering, dat hij in diepen nood op zgn harte wees en sprak: licht daarbinnen! Is dat zoo, dan kan het donker zijn in de bedeelingen, zeer moeielijk kunnen de omstandigheden wezen, en toch is het goed en onze ziele is stille in ons. 't Is het heldenstuk van een Christen genoemd, 'k meen door Lodenstein, om te mogen zeggen: „als ik in de duisternis gezeten zal zijn, zal de Heere mij tot een licht wezen." Licht daarbinnen beslist en verklaart veel bij een volk, dat anderen enzichzelven gedurig een wonder is.

In dit tweede deel komt „het licht op uit de duisternis" (Ps. 112), en de mist wordt opgetrokken. Dit is toch de joverwinning der wereld, vol bezwaren en moeite, nl. ons geloof. Wordt dat vermogen opgewekt, gesterkt, de heerlijkste uitkomsten - komen - ons toe; De vraag naar de zwaarte van't gewicht der dingen wordt beantwoord door den gemoedstoestand; — is er „Zonlicht" binnen, dan kan het buiten niet donker zijn.

De klachten in de eerste verzen gaan over in verzoekbede.— En David zegt: Aanschouw, vefhoor mij, Heere, mijn God! Achter dat „mijn God" mocht wel, naar sommige vertalingen, een uitroepsteeken geplaatst worden.

Met een kinderlijk, geloovig „mijn" verdwijnen nog altijd heel wat vraagteekens.

Opmerkelijk is het, dat het eerst deze vraag komt. Want wat is noodiger dan dit? 't Slaat niet alleen kennelijk terug op „vergeten en verbergen van 't aangezicht", maar leert ons van het echte Geesteswerk. „En God zag Abel en zijn ofler aan". Eerst den persoon, daarna' zijn werk en zijn weg. Hij vangt niet aan met de begeerte om de wegneming van natuurlijke vreeze of verdrijving der vijanden of verbreking hunner macht, doch wenscht voor zich getuigenis van Gods gunst voor zijn persoon; — wend ü tot mijne ziel genadig; toon dat er tusschen U en mijne ziel niets in den weg is; laat Uw oog in gunste op mij zoo zijn, dat ik klaarlijk merken mag, dat Gij, Heere, op mij acht en weer merkt op mijne stem. Hij weet, hoe de Heere het aangezicht Zijns gezalfden heeft opgenomen en om Christus' wille Zijn volk koninklijk kan ontmoeten en met rijke gratie zegenen kan, èn wil, ên zal.

Hoe zou het anders mogelijk zijn!  In Christus zijn Gods deugden verheerlijkt., en door Hem is Zijne gerechtigheid voldaan. — Nu dan, Heere, laat Uwe gunst tot mij uitgaan, opdat mijne droefenis wegvliede en mijn betrouwen niet kwijne door al mijne zorge, maar ik gerust mag zijn in U en weer krachtigen troost mag genieten uit vorige bevindingen. Vernieuw de verzekering Uwer genade aan mijn hart en de getuigenis, dat Gij mij hoort, „zelfs al schijnt Gij doof te zijn" (Aug.)

Smeekt hij voorts: verlicht mijne oogen, dan schijnt dit wel te doelen op vermeerde­ring' van levenskracht, in overeenstemming ' met een enkele andere plaats en ook, omdat er bijgevoegd is „opdat ik in den dood niet  ontslape". "

't Is zoo bang, als doodsvreeze overvalt en een kind Gods geen gezicht heeft in den „vrijen en openen" weg in Christus. —

„Ik begeer, " zoo sprak een mijner vrienden, „een helder en ruim sterfbed, niet omdat dat over mijn staat beslist, maar vooral als getuigenis voor mijne kinderenen mijn ongeioovigen dokter." Hiskia — en 't stond toen met veel in verband! — vreesde zeer, omdat hij zeide bij zichzelven: ik zal tot de poorten des" grafs heengaan, ik zal den Heere niet meer prijzen in het land der levenden. Den dood voor de oogen te zien en Gods barmhartigheden toegesloten, is zoo benauwend, voor een volk nl., dat Gods gunst liever kreeg dan het leven. — Nu dan Heere, gedenk Uw naam over mij ten goede en laat mij zoo niet sterven! Bovendien, wat zullen de vijanden zeggen? Zij zullen smadelijk van U spreken en zich verheugen als ik zou wankelen.

Als ze zullen zeggen, die vijanden — want ze zijn velen! — ik heb hem overmocht, hij heeft geen heil bij God

Die lasteringen snijden hem door de ziele, meer nog dan de gedachten aan zijn nederlaag.

Mijn lezer, is het niet vaak, alsof de vijand tot de tanden toe gewapend is en een arme Christen zonder bedekking staat?

, Waakt evenwel de Heere op, ondersteunt .Hij ondersteunt de vrijmoedigen geest, - gaat Hij betoonen, dat Hij toch staat aan de zijde van een onmachtig volk, breekt Hij het reusachtig raderwerk der moeielijke omstandigheden, doet Hij alle ding saamloopen en stiert Hij zelfs de kleine dingen tot machtige uitkomsten, de „leeuwen en beeren" vlieden weg en 't bleek dikwijls, dat ze aan een vasten keten gebonden zaten.

Davids geloof is wel, als de Heere Zijne gunste aan hem betoont, dan zullen de vijanden 's Heeren macht spoedig ervaren en zullen ze teruggedreven worden. Hij weet van het verband tusschen inwendige gesteldheid en uitwendige bedeelingen, 't Weerglas 'met thermometer binnen in uwe woning, wijst aan hoe het buiten is, zelfs wat in aantocht is. Eerst van binnen opgeklaard en dan van buiten in orde. De wereld spot met verband tusschen geestelijken toestand en natuurlijke leidingen; zij weet niet dat de toestand van Gods Kerk veel beslist voor het welvaren der natieën; zij haalt de schouders op, (natuurlijk) over 't verband gelegd tusschen de bewegingen van hemel en aarde en de leidingen Gods met de inwonereu der aarde. Er is een God, Wiens hand alomme is uitgestrekt. Die het vruchtbaar veld stelt tot zoute gronden vanwege de zonden der volkeren.

De dichter van onzen psalm weet van deze correspondentie en vraagt dïiarom: „aanschouw mij" en daarna: laat de vijanden zich niet verheugen.

Zij zullen spotten. Zij zullen zeggen, dat gij niet de levende God zijt en vragen: Waar is uw God? Uwe eere staat toch met den val, verachtering en ondergang, in vele wegen Uws volks, in nauw verband.

Wie zou er ooit doorkomen, indien de Heere niet rekende met Zijn Naam, met Zijn eer? Zij zouden afglijden van het fondament en in den afgrond terecht komen.

Maar de Heere is er en is geen werkeloos toeschouwer van de nooden der Zijnen. In werkzame liefde en algenoegzame kracht laat Hij merken, dat Hij er is. Hij werkt — en 't is duidelijk — omdat Hij leeft. Deze Koning weet met „Zijne oogen den twist te verstrooien." Als Gideon in's Heeren gunst deelt en Baals altaar omverwerpt, werpt de Heere straks de Midianieten uit de landpalen.

Men zegge wat men wil, doch de Heere vergeet het geroep der ellendigen niet — en nooit — noch beschaamt hunne hope.

Waarheen de vijanden hunne oogen ook wenden, wat ze ook over getalsterkte en bewapening denken, zij zien te laag.

Maar, zegt David, mijn betrouwen staat op Uwe goedertierenheid, mijn hart zal zich verblijden in Uw heil, ik zal den Heere zingen.

Welk eene belijdenis! Welk eene heerlijke orde in dit woord! Al biddende is de plante des geloofs gegroeid. Dat gaat zoo. In des Heeren goedertierenheid ligt zijne triumph en daarin ziet hij de nederlaag der vijanden.

En Gods heil, dat is ook zijn welvaren, zal zijne blijdschap wezen.

Hij heeft wel gezien, wat Asaf later bezingt in den 73en psalm, dat de Heere voorspoed geeft aan de goddeloozen, doch dat zij op „gladde plaatsen" komen en haastig tot verschrikking worden. — Daar is voorspoed, welke tot een strik wordt, gélgk er heilzame tegenspoed is. Hij evenwel begeert Gods heil, dat is zegen en welvaren in Goddelijke gunst en daarin zijne blijdschap, en, alsof hij 't reeds heeft — 't geloofswerk, schijnt soms voorbarig! — spreekt hij: Ik zal zingen omdat Gij aan mij — en dat aan mij — hebt welgedaan. Of moet dat zijn, omdat Gij aan mij zult weldoen? Neen! wij laten het staan zoals het er staat.

De muren stonden nog steevast rondom Jericho; toch trekt Israël, als in feestelijken optocht rondom de stad.

Dat is voorbarig! ? En wij antwoorden: dat is geloof!

Het is het grijpen, het vooruitgrijpen met de ledige hand in de volheid des heils; het is het zingen van een kind, dat zich verheugt in moeders toezegging, alsof de vervulling reeds daar is.

't Is me, alsof ik ziende op 't begin van dit lied, 't besluit lees: ik zal klagen, en nu hoor ik in 't einde: ik zal zingen, enz.

De rechte klachten gaan eindigen in lofliederen, terwijl er heel wat liederen in klachten eindigen.

Een verdrukt en biddend en klagend volk mocht wel tot bemoediging dit lied nalezen. Daar is naarstig onderzoek noodig waarom de Heere deez' of gene tegenheid zendt. Ook als dagen, weken, maanden van veel geklag en geween ons deel zijn. Is het evenwel uit den rechten grond, dan mogen we elkaar wel toeroepen: Geeft den moed niet op! Verbeidt Hem, want Hij zal gewisselijk komen. Roept Hem aan in den dag der benauwdheid. Hij zal u uithelpen en gij zult Hem eeren.

Laat ons doen, raadt een vriendelijk man aan, als dat kind, dat als moeder het afweert en doet alsof ze niets van hem weten wil, inet bel de handjes die afwerende hand aangrijpt, des noods met tranen in de oogen. Zijt gij er reeds van geschrokken van de gedachte: Davids God is mijn vijand, omdat ik Hem den rug toegekeerd heb en Hem vergat?

Hebt gij Hem al nageklaagd en gesmeekt: Och Heere, wend U tot mijne ziele genadig, enz? Daar is ruime kans voor een arme niets-hebber om deel te ontvangen aan „de erfenis." Heel de Schrift — en 'tis Gods Schrift — is daar om te betuigen: Nooddruftigen van elk verstoeten, zal Hij ten Redder zijn!

En de Heiland roept: Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u ruste geven!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 oktober 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 oktober 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's