Stichtelijke overdenking.
Ik zeide wel: Hoe zal ik u onder de kinderen zetten? en u geven het gewenschte land, de sierlijke erfenis van de heirscharen der heidenen? Maar Ik zeide: Gij zult tot Mij roepen: Mijn Vader! en gij zult van achter Mij niet afkeeren. Jerem. 3 : 19.
Een moeielijke vraag beantwoord.
Gij leest in den tekst, hierboven geplaatst, een vraag des hemels, waarop de aarde geen antwoord weet.
Hoe zal Ik u onder de kinderen zetten? U, dat is Israels zaad; het afgekeerde Juda; liet altijd maar weer van zijn God afdwalende volk. Zou er verwachting, zou er hope voor kunnen zijn?
Maar houdt de Heilige Israels dan gemeenschap met wat onrein en bezoedeld is en gansch bevlekt? Is Hij niet een verterend vuur voor alles, dat met Zijn reinheid niet overeenkomt? Moeten de overtreders niet Voor immer van voor Zijn aangezicht worden Weggedaan ?
Hoe' zal Hij dan zulken zetten onder de Hnderen? Hun een plaats geven onder de genen op welke Zijn oog met welgevallen mst? Die Hijzelf als een Vader wil verzorgen, wil dragen op Zijn armen, wil drukken m Zijn hart?
Kan er sprake van zijn, dat Hij aan zulken deel zou geven in het land der belofte, in de sierlijke erve der Heiligen in het eeuwige licht, waarvan het schoone Kanaan maar een flauw beeld, een schaduw heeten mocht?
Daar is van de aarde geen antwoord te wachten op het: Hoe? Het eenige dat gezegd zou kunnen worden, zou zijn, dat het ten eenen male ondenkbaar is. Noemt het dan maar een afgesneden zaak. Nooit, nooit zal één menschenkind waardig zijn, om onder de kinderen te worden gezet. Maar hoewel het onmogelijk is bij de menschen, toch is het niet onmogelijk bij God.
Dat die vraag van den hemel gehoord wordt, ziet, dat aireede is een lichtpunt in den donkeren nacht der ellende, 't Is een vraag, waaraan niemand behalve de Heere zelf ooit zou hebben gedacht. Maar omdat Hij die vraag stellen komt, mag een arm, verloren menschenkind de oogen opheffen; met betraande oogen tot Hem opzien, om van Zijn. lippen het antwoord af te lezen. ' Want de genade des Heeren geeft zelven een antwoord op die vraag.
Ofschoon er duizend redenen zijn, waarom zij niet onder de kinderen konden gezet worden, nochtans begeert de Hooge en Verhevene uit den mond van een afgedwaald volk te hooren, wat enkel op de lippen der kinderen past.
Gij zult tot Mij roepen: „Mijn Vader!'' O, is dat niet een wonderbaar iets? Dat zij roepen: „O wee nu onzer, dat wij zoo gezondigd hebben!" Dat zij schreeuwen: „O wee nu onzer, want wij vergaan! Wij vergaan door Uw toorn en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt!" Ziet, dat kunt gij u indenken. Maar juist dat leest ge niet in Jeremia's woord. O, we weten het wel: door den mond van dien profeet heeft de Heere ook den eisch gesteld: „Alleen ken uw ongerechtigheid, dat gij tegen den HEERE uwen God hebt overtreden, " als de Heere Zijn volk bezoekt, dan brengt Hij alles mee wat het behoeft, om waarlijk getroost te zijn. En vandaar dat het een vaststaand iets is, dat zulk een volk zal roepen: „Mijn Vader!" Het wordt onder de kinderen gezet. Even zeker als Israël, ondanks zijn voortdurend morren en opstaan tegen den Heere, ten laatste de erve der heidenen tot zijn bezitting verkreeg, omdat Jehovah Zijn verbond houdt en van Zijn goede woorden er niet één doet ter aarde vallen, zal 't afgekeerde Juda Hem met den Vadernaam mogen aanroepen; want al heeft het er geen recht op. God zelf geeft het dat recht.
Daarin is de liefde Gods jegens zondaren geopenbaard, dat Hij zelf hen tot Zijn kinderen en erfgenamen aanneemt, om wonderlijk voor hen te zorgen; om hen te onderrichten en te leiden; te voeden en te onderhouden, ja immers ook, wanneer Hij hen bestraffen en kastijden komt, het te doen tot hun nut, vervuld met innerlijke bewegingen der barmhartigheid en niet, omdat Hij lust in plagen heeft of een welgevallen in hun leed.
Is Hij niet rijk over allen, die Hem aanroepen ?
O, diepten der ontferming, dat Hij dan zóó wil worden aangeroepen. De teerste snaren moeten trillen in de ziel, als de Vadernaam mag worden genoemd, maar de teerste snaren van Gods liefdehart trillen ook, als een zondaar in waarheid tot Hem roept: „Mijn Vader!"
't Kan stamelend, 't kan o zoo schuchter gedaan worden, als wanneer het kind in 't gevoel van zijn schuld den Vader om vergeving begeert te vragen; 't kan ook zijn in onbeschrijfelijke vreugde, als wanneer een kind in angst en gevaar den vader ziet aankomen, wien 't zich in de armen werpt; maar hoe 't ook zij, altijd zal het als muziek zijn om de ooren des Hoogheiligen. Want Hij wordt verheerlijkt in dat vertrouwen, dat in 't „Mijn Vader!" zijn zalige uitdrukking vindt. Is het niet Zijn eigen werk, wanneer een menschenkind in waarheid tot Hem roept?
Hoe kan het anders zijn, dan door de werking van den Geest des Zoons, die God zelf uitzendt in de harten?
't Gaat niet om buiten den Eeniggeborene des Vaders, van wien Jeremia getuigde, dat dit de naam zou zijn, waarmede men Hem noemen zou: „De HEERE, onze Gerechtigheid." Zoovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn naam gelooven. Maar dezulken zoekt de Vader van alle barmhartigheid dan ook. Dezulken bezoekt Hij met Zijn heil. O, zalig, die dat mag ervaren! .
Zeker in zulke oogenblikken zal de ziel het belijden: „Ik ben niet waardig Uw kind genaamd te worden. Immers zoo zwaar en zoo menigmaal, zoo onophoudelijk misdreef ik tegen u, o Heere!" Maar er behoeft toch geen vreeze te bestaan dat de Almachtige Zijn woord zou terugnemen: „Gij zult tot Mij roepen: Mijn Vader!"
Zou ook die belofte niet tegelijk als een heilig gebod mogen worden beschouwd ? Ook het gebiedende „Gij zult" uit het midden des vuurs van den Sinaï af gehoord, houdt nauw verband met het: „Ik ben de HEERE, uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid heb." Al schijnt het dan te groot en te wonderbaar voor de ziel, zij mag er zich niet aan onttrekken. Eerst in dat volkomen zich overgeven aan den Heere, waarin 't „Mijn Vader" tot zijn recht komt, ligt 't smaken van de zaligheid Gods.
Wat hooge gunst! Wat rijke genade! O, waarom zwerft een menschenhart dan toch immer heen naar de valsche goden, naar 't gewrocht van zijn eigen verbeelding, dat maar is als de gebroken bakken, die geen water houden tot lessching van den dorst?
Tot afzwerven van den Heere was Israel in de dagen van ouds en zijn wij nog immer geneigd. Op allen hoogen heuvel en onder allen groenen boom hebben de twaalf geslachten Israels hun offeranden gebracht. Nochtans gaat van den Heilige Israels gedurig de roepstem ter bekeering uit. En dit is wel het wonderlijkste: Hij zelf spreekt tot een volk, dat dien naam niet eens meer verdiende: „Gij zult tot Mij roepen: Mijn Vader! en gij zult u van achter Mij niet afkeeren."
O, als het afgedwaalde Israel den Heere maar achternaklaagt! Als het Hem maar weer zoekt aan te kleven, zooals het schreiende kind menigmaal aan het kleed der moeder hangt! Ziet, dan keert Hij zich zeker niet af van dat volk, maar dan maakt Hij het ook zóó, dat zij niet afkeeren van achter Hem.
Niet van achter Hem! 't Volk moet Hem achterna wandelen. Juist zooals in de woestijn tusschen Egypte en Kanaaa Israels geslachten achter de wolk-en vuurkolom aan moesten gaan, omdat des Heeren Engel in die wolken vuurkolom den weg voor hen uitspeurde. Hoe veilig gaat gij dan! 't Is waar: dan kunt en dan moogt gij niet vragen naar eigen zin en lust. Die te volgen brengt slechts verderf en ondergang. Maar den Heere achteraante gaan, dat geeft het leven en den vrede. „Die Mij volgt" — zoo heeft de Eeniggeborene des Vaders immers gezegd — „zal in de duisternis niet wezen, maar zal het licht des levens hebben." De weg, in welken Hij is voorgegaan, mogen niet naar den zin van vieesch en bloed zijn, het is toch een weg, waarin de dwazen niet zullen dwalen.
Welk een voorrecht dan, achter den Heere aan te gaan, u aan Hem te houden. Maar let er dan op: dat ligt alleen aan de genade des Heeren. Het „Gij zult u van achter Mij niet afkeeren" is een volkomen betrouwbaar woord, omdat de Heilige Israels Zijn volk met koorden of touwen der liefde tot Zich trekt; met koorden of touwen, die niet kunnen breken. Ijzersterke koorden slijten met den tijd of zij rafelen uiteen. De koorden der liefde Gods echter nooit. „Zie, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde. Daarom heb ik u getrokken met goedertierenheid."
Lag het aan henzelf, gewis, Gods kinderen keerden nog wel van achter Hem af. Ze laten zich nog menigmaal bekoren door den schijn. Treffend is het door Bunyan in zijn overbekende „Christenreize" geteekend. De bijpaden en de zijpaden schijnen soms veel geriefelijker dan de weg die uitloopt op de hemelstad. Maar Gode zij dank, ofschoon Zijn volk soms die bijpaden inslaat, van Hem af raken zij niet. In dien zin althans, dat zij in werkelijkheid van Hem af zouden zijn; dat de band zou zijn gebroken, die hen bond aan Hem. Daarvoor zorgt de Heilige Israels zelf. Want Hij geneest hun afkeeringen. Hij brengt hen terecht. Door de kastijdingen Zijner liefde, door de roede Zijns monds. En vandaar dat beleden mag worden: „Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw Woord, "
Kunt gij dat ook al getuigen, die dit leest? ZaUg, die gebonden zijn aan den Ontfermer. Zij worden niet losgerukt van Hem. Hoogte van verzoeking noch diepte van schuld kan scheiden van Hem en van Zijn , wonderbare liefde. Onder de kinderen gezet, mogen zij alles van Hem verwachten.
Alles, wat tot hun nooddruft vereischt is; alles voor den tijd en voor de eeuwigheid.
Uit de open vensteren en door de geopende poort van het Vaderhuis daarboven straalt het licht hun reeds toe. Wolken mogen er zich vóór schuiven; dat licht zelf wordt niet gedoofd. Zouden zij dan niet gemoedigd en met lijdzaamheid loopen de loopbaan, die hun voorgesteld is? Niet in tegenheid en kruis het hoofd omhoog heffen, wetende, dat alles, dat uit de hand des Vaders tot hen komt, hun ter zaligheid zal gedijen ?
't Geen Jan Luyken zong, mag hun ter vertroosting zijn:
O pelgrim, troost U onderwegen. Al schijnt gij nog zoo wijd van huis. Het is zoo ver niet eens gelegen, Aan 't eindje volgt de rust voor 't kruis.
Dan valt gij in een vollen zegen (Uit al dit wereldsche gedruis) Door 't bloed van Jezus ons verkregen Uw Vader in Zijn armen thuis. —
Immers, Die het beloofd heeft, is getrouw, zoodat Hij het ook doen zal.
En die nog niet onder de kinderen gezet zijn? O, dat zij ernaar zoeken! Nu nog is het de welaangename tijd.
Nog ging de dag der Zaligheid voor hen niet voorbij. Wat onmogelgk is voor de menschen is nog mogelijk voor God. Alleenlijk, dat zij hun hart niet verharden maar zich laten leiden door des Heeren Woord, om Hem achteraan te klagen van wege hun eigen ongerechtigheid. Immers denzulken wordt het koninkrijk der hemelen opengedaan, waarbinnen men niet afkeert van den levenden God.
.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's