De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

18 minuten leestijd

Van verborgen omgang.

XXVI.

Zoo is dus de beproeving, die de Schrift hem oplegt, die tot het Heilig Avondmaal zal toetreden, op zichzelve geen reden om aan den disich des Heeren voorbij te gaan. Zij kan nooit eene verontschuldiging ons geven om na te laten hetgeen de Heere zelve ons bevolen heeft te doen. Het blijkt maar al te duidelijk, hoe ons kerkelijk en ons geestelijk leven ingezonken is, dat zoo talloos velen, die nog wel opgaan onder den dienst des Woords, ook waar er geen uiterlijke oorzaken zijn, die het wegblijven kannen wettigen, toch stelselmatig aan den bondsdisch voorbijgaan. Het schijnt alsof er zelfs onder hen, die om het Woord zich scharen, een breede kring van verachters der sacramenten is gekomen. De roep tot bekeering mag dus niet slechts uitgaan tot de kerk, maar het is meer dan tqd, dat zij eindelijk wakker worde om de heiligheden des Heeren te waardeeren en te achten niet alleen met het woord en met de klacht, maar met de daad. In de diepe inzinking van het kerkelijk leven in zake de sacramenten komt de diepte van den val der kerk zoo treffend aan den dag. Van haar kan gezegd worden, dat het gansche lichaam krank en mat is. Zelfs de wachters op Ziens muren zwijgen, en als zij nog hunnen mond open doen, dan is het om de zonde te vergoelijken of om door eene redeneering aan de klem van Gods Woord te ontkomen en heil te zoeken in wegen tot reformatie, waarvan zij zelven niet gelooven, dat zij er toe leiden zullen en die daarom nooit tot eenig resultaat kunnen voeren, omdat zij hun uitgangspunt nemen in de erkenning, van het onrecht. Meestal hebben zij slechts den schijn van tot eene reformatie te voeren, terwijl zij inderdaad slechts doelen op een zeker iets, dat het beste gekarakteriseerd worden kan als het sparen van de kool en de geit. Vooral de elementen, die zich om de belijdenis zeggen te scharen, staan hier schuldig, daar zij blijkbaar den moed missen om vrij en frank te aanvaarden wat in de belijdenis geschreven staat. Zij missen den moed om een kerkelijk leven te eischen, zooals de belijdenis het onsteekent. Met de confessie wordt veel geschermd, men noemt er zich zelfs naar en laat zorgvuldig na haar in toepassing te brengen, keert zich zelfs met vijandschap tegen hen, die het willen. Zij bouwen de graven der profeten en onttrekken zich zorgvuldig aan hun woord.

Voor het geestelijk leven van talloos velen heeft dit alles een hoogst schadelijken invloed. De inzetting van het sacrament bedoelt juist een geloofssterking te bieden. De Heere weet wat van zijn maaksel te wachten zij. En hetgeen Hij in zijne wijsheid heeft verordend mag door ons niet worden nagelaten. Als zijne inzettingen worden licht geacht, zal het altijd blijken, dat zulks niet straffeloos geschieden kan. Daarom laat er een wederkeer zijn, opdat Gods gemeente gebouwd worde door te wandelen in den weg des Heeren. Reeds te lang zijn de geboden des Heeren licht geacht en heeft de gemeente zich tevreden gesteld met toestanden, die zij niet dulden mag en heeft zij zich laten knechten in een slavenboei der zonde, waarbij het duidelijk is geworden, dat niet slechts haar getal wegslinkt en het ongeloof knaagt aan haar leven en aan hare be teekenis voor het volksbestaan, maar ook aan het geestelijk leven van Gods kinderen onberekenbaar nadeel toegebracht wordt. Want dat ook elk van Gods kinderen daaronder lijdt, kan niet ontkend. De zin en de strekking van het Heilig Avondmaal wijzen uit, dat het öachtens zgn wezen voor het geestelijk leven eene groote beteekenis moet hebben. Het stelt ons bijzonderlijk voor de kracht van Christus' lijden. De Heere Jezus zelve wijst het bij de instelling met zooveel nadruk aan, als hij zegt; „neemt, eet, dat is mijn lichaam, hetwelk voor u gegeven wordt, " gelijk Hij van den drinkbeker zegt: „Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in mijn bloed, hetwelk voor u vergoten wordt." Het borgtochtelijke zijner werkzaamheid, het groote zoenoffer, dat Hij brengt, wordt daardoor ons op bijzondere wijze naar voren gebracht. In het Heilig Avondmaal klinkt op gansch bijzondere wijze de roeping om te zien op het Lam Gods, dat de zonde wegneemt. De verbrijzeling van Christus onder den moker van Gods toorn, zijne verzwelging door de wateren des doods wordt er tastbaar in voorgesteld niet alleen, maar ook de toerekening van de daardoor verworven gerechtigheid aan den in zichzelven onrechtvaardigen wordt er door uitgedrukt op zulk eene wijze, dat toch niemand zal behoeven te twijfelen, of de genade Gods hem ook geldt, die met de ootmoedige belijdenis van schuld daar nederzit aan den disch des verbonds. En er is zeker niets, dat ons voor de gezondheid van ons geestelijk leven meer noodig is, dan een altijd weder teiugkeeren tot dat groote heilswerk, dat op Golgotha eenmaal werd tot stand gebracht. Zooals wij eiken dag de zonde al meerder maken en eiken avond hebben te belijden, dat wij schuldig staan en hebben te smeeken om de vergevende liefde onzes Gods te mogen ervaren, zoo hebben wij ook altijd weder te zien op Jezus, die het kruis heeft gedragen, die vernederd werd, gehoorzaam tot den dood, en ons bewust te worden van het werk der verzoening, die Hij heeft aangebracht. In de Roomsche kerk gaf die behoefte aanleiding tot de poging om telken male dat offer te doen herhalen op een mystieke wijze. Mogelijk is dit niet, evenmin als het mogelijk is Christus telken male het vleesch te doen aannemen, hetgeen toch ook tot zijn verzoeningswerk behoort en zonder hetwelk er van geen kruis zou sprake zijn. Daarom zegt dan ook de apostel, dat gelijk het den mensch eenmaal gezet is te sterven en daarna het oordeel, alzoo ook Christus eenmaal geofferd zijnde om veler zonden weg te nemen, zal ten anderen maal zonder zonde gezien worden van degenen, die Hem verwachten tot zaligheid. Van herhaling van dat offer op welke wijze dan ook kan geen sprake zijn.

De Schrift teekent ons Christns als slachtoffer van het begin der wereld en als gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid. Uit dat oogpunt gez; en, is het steeds herhaalde misoffer, dat de Roomsche kerk noodig acht, ten eenenmale in strijd met den waren zin van Christus' verzoeningswerk en bovendien geheel ijdel, wijl herhaling daarvan onder welke gedaante dan ook, slechts inbeelding zijn kan. „Want Christus is niet ingegaan", zegt de apostel, „opdat Hij zichzelven dikmaals zou opofferen, maar door zijn eigen bloed is Hij eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende", gelijk ook elders door hem verklaard wordt, dat Christus „met ééne offerande in eeuwigheid volmaakt heeft degenen, die geheiligd worden." Herhaling van dat offer is dus volkomen uitgesloten door Gods Woord en als zoodanig is de poging om het te herhalen dan ook geheel vruchteloos en ijdel. Maar dat men er naar streeft, vindt verklaring in de voortdurende behoefte, die er voor den zondaar is om op den Gekruisigde te zien. Altijd opnieuw is het noodig, dat de Gekruisigde wordt aangezien met het oog des geloofs. Uiterlijke dingen als kruisbeelden zijn daarvoor niet noodig. Zij dreigen oorzaak te worden, dat het middel tot herinnering den Middelaar doet vergeten. Het is ook in deze dingen noodig zich te houden aan wat de Heere zelve heeft verordend tot ons welzijn, zich te onderwerpen aan Gods Woord en te wandelen in dien weg. Laat ons niet wijzer willen zijn dan de Schrift, die van geen kruisbeelden weet, tot versterking van ons geloofsleven, maar alleen van de verkondiging des Evangelies en de inzetting der sacramenten. Gods volk heeft aan geene andere middelen behoefte om bepaald te worden bij het groote middelaarswerk. Maar die middelen zijn dan ook onmisbaar. Hoe eenvoudig sij ook zijn, hoe nietig in onze oogen, zij zijn alleen genoegzaam. Meer kan slechts tot nadeel strekken en-minder is niet genoeg. Al wat meer is dan deze twee, zooals beeldenen voorstellingen van welken aard ook, is vrucht niet van de werking des Heiligen Geestes, maar van het vrome vleesch, en het heeft dan ook altijd geleid tot het tegengestelde van hetgeen, waartoe het moest dienen. Het heeft afgeleid van het kruis en er niet toe opgeleid. Het heeft meer gebracht tot een opbouwen van den zondaar in zijn eigen werken dan in het geloof en niet gestrekt tot de verwerkelijking van het schoone woord des Doopers: Hij moet wassen en ik moet minder worden. Het heeft niet gestrekt tot een opwassen in de kennis en in de genade van onzen Heere Jezus Christus, maar gevoerd tot een dood formalisme, waarin het uitwendige de plaats van het geestelijke leven bleek in te nemen. Daarmede is niet gezegd, dat de Schrift ons leeren zou de kunst niet te eeren als een gave Gods, maar wel, dat zij er ons in voorgaat om tusschen God en onze ziel niets te dulden, ook geen kunst. Wij zullen genoeg hebben aan hetgeen de Heere zelve heeft verordend. En daarom is er nevens het Woord, dat gepredikt wordt, ook het sacrament, dat ons Gods eeuwige genadedaden verstoffelijkt en waardoor ons Christus als de gekruisigde Borg wordt voorgesteld. Eu nu ligt het dus voor de hand, dat bij de prediking des Woords ook een geregeld gebruik van het sacrament moet komen. Hoevele malen dit gebruikt zal worden hangt af van de omstandigheden. Dat zulks Zondag na Zondag zou moeten geschieden, is nergens voorgeschreven en zeker ook niet gewenscht, daar alsdan de kracht der gewoonte zeker niet ten goede zou komen aan de waardeering van het sacrament. , Het liep alsdan licht gevaar een bloote formaliteit te worden, waaraan de innerlijke diepte dreigt te gaan ontbreken. Maar bovendien is ook zulk een veelvuldig gebruik geene behoefte voor het geestelijk leven der gemeente, indien er maar eene geregelde aanrichting van de tafel des verbonds plaats heeft, na niet al te langen tijd, opdat de beteekenis van het sacrament in de gemeente levendig blijve.

Bij het genieten van het Heilig Avondmaal moeten twee dingen in het oog worden gehouden. Het eerste is, dat de vrucht des Avondmaals niet door allen, noch door dezelfden Avondmaalsganger steeds op dezelfde wijze en in dezelfde mate wordt genoten. En het tweede, van niet minder belang is, dat deze vrucht niet altijd op hetzelfde oogenblik wordt gesmaakt als het verbondsteeken wordt ontvangen. Wat nu het eerste betreft, kan uit den aard der zaak de vrucht van den avondmaalsgang grooter of kleiner zijn. Maar daarbij moet toch nooit eer verkeerde maatstaf worden aangelegd, om als wij meenen minder te hebben ontvangen tot het besluit te komen, dat het ons nu geheel zonder vrucht is voorbijgegaan. Het geldt ook in dezen. dat de dag der kleine dingen niet mag worden veracht. Wat wij groot noemen, wat althans dikwijls groot en begeerlijk geacht wordt, dat is een krachtige aandoening des gevoels. En toch dit is het niet alleen, noch zelfs in de eerste plaats, dat als levensmacht mag worden beschouwd. De ervaring leert, dat de eene mensch veel gevoeliger is dan de andere.

En zonder nu op de waarde van zulk eene gevoeligheid te willen afdingen, gaat het toch allerminst op daarin een kenmerk van godsvrucht te zien. De kalme en manlijke koelheid des verstands is geen hindernis voor waarachtig geloofsleven. Bovendien leert ook de ervaring van elk mensch, dat de gevoeligheid bij niemand steeds gelijk is. Er zijn tal van oorzaken, die het gevoel kunnen prikkelen, gelijk er ook zijn, die het kunnen doen afnemen. En zoo zijn er dan ook tijden van fijngevoeligheid naast andere, waarin de ontroering ons minder gemakkelijk aangrijpt. En zoo gaat het dus allerminst op met den maatstaf der gevoeligheid ons geestelijk leven te meten en te schatten, noch ook onze vrucht van den avondmaalsgang daarnaar te waardeeren. Zoo is dus de vrucht niet steeds even groot, maar het is toch immer eene vrucht, die voor het geestelijk Ie ven heilzaam is, gedrongen te worden om te zien op het kruis des Heeren, op de diepten zijns lijdens, bepaald te worden bij de grootheid en heerlijkheid ziijner genade, bij zijne gerechtigheid als grond om op te leven en te sterven. De grootte van de vrucht, die ons in het sacrament bereid wordt, hangt af van de diepte der kennis en van het inzicht in de grootheid onzer zonde, wijl de Heere door het Avondmaal het aan ons waar maakt, dat wien veel vergeven is, die heeft veel liefgehad. Hoe kleinmoediger, hoe nederiger, hoe ootmoediger voor Gods aangezicht het kind des Heeren daar neder zit, des te heerlijker zal het ervaren, dat het een wondere genade is te beluisteren van de lippen des Heeren: „Uwe zonden zijn u vergeven". Waar dat beluisterd wordt in de gaven van het sacrament, daar zal er een schoone vrucht zijn, ook al is zij dan ook slechts klein. Voor den verloreneis een kleine gave reeds wonderbaar groot.

Maar daarnaast staat ook nu nog, dat de troost des Heiligen Avondmaals niet juist gebonden is aan het oogenblik, waarop wij nederzitten aan den verbondsdisch. Ook in dit opzicht heerscht er zeer veel misverstand. Menigeen klaagt er over, dat zijn Avondmaalsgang, tengevolge van bijzondere omstandigheden, hem minder troostrijk was. Te verbazen behoeft zulks niet. Ook daarin doet het zenuwleven zich soms gelden op min aangename wijze. De mensch, die alvorens toe te treden eerst met zichzelven in hangen tweestrijd verkeert, waarbij alle spankracht zijner ziel is betrokken, en eindelijk de vrijmoedigheid verkregen heeft, ondervindt daarna den invloed eener intredende ontspanning. Het is alsof daarbinnen tot hem gezegd-wordt: daar zit gij nu, terwijl er tegelijkertijd als eene verdooving gaat over zijne ziel, waarin even te voren zoo veel machtige begeerten naar geestelijke gaven zich aandienden. Ja, de vorst der duisternis komt met de heimelijke en pijnlijke beschuldiging, dat zulk een er toch niet had moeten gaan zitten. Maar van terugtreden is geen sprake meer. En de menschenvrees komt nogmaals op met de vraag, wat deze of die van Gods kinderen of van de kinderen der wereld, die iets kennen van ons leven met zijn vlekken en zonden, er toch wel van zeggen kunnen. En zoo zijn er tal van oorzaken, die het naar heil dorstend hart van daareven, zoo overheerschen, dat het van de gaven van het sacrament als wordt afgeleid. En dan treedt de gave, die men meende te vinden, naar het schijnt terug en hoe zou er dan van zegen als vrucht des Avondmaals sprake kunnen zijn? Zoo schijnt het dus menigmaal als ontving men niets, als was het zitten aan den disch des verbonds geheel onvruchtbaar en voor een volgenden maal werkt zulk een avondmaalsgang dan dikwijls eer afschrikkend dan aanmoedigend. Menigeen keert dan tot zichzelven als ontmoedigd terug. Het is hem, alsof hij wel begeerig was, maar als wilde de Heere zich zijner niet ontfermen. Hij wordt er door neergeslagen in plaats van getroost, door verzwakt in plaats van versterkt. Hij zinkt er door terug in twljfelmoedigheid en vreeze, die nog erger zijn dan hetgeen hij tevoren reeds kende. En toch is in alle zulke overleggingen eene miskenning van het sacrament op te merken. Het is met het Avondmaalsgebruik niet anders als met menig ander instrument, dat de Heere aanlegt tot onze levendmaking. Neem de prediking des Woords, die tot ons komt in de gemeente, neem de lezing der Schrift in onze huizen, of ons gebed in den strijd des levens. De vruchten daarvan kunnen genoten worden op het oogenblik, dat wij ze deelachtig zyn. Maar het kan ook anders geschieden. Het gaat ons menigmaal als de discipelen, die de woorden des Heeren beluisterden en toch ook niet terstond de volle vrucht daarvan genoten, want de Heere heeft hun niet te vergeefs den Heiligen Geest beloofd, die hun indachtig zou maken alles, wat Hij tot hen gesproken had. En die indachtigmaking is niet slechts een loutere herinnering, , maar een werkelijk inzien in de diepte van het Woord, een beleven van den troost der belofte. En zoo doet de Heere nog. Gods kinderen weten te spreken van een zegen, soms jaren later ontvangen, uit hetgeen aan hunne zielen gearbeid werd. Er zijn er, die eerst vele jaren later nog den zegen leeren smaken van de gebeden van hun vader of moeder. En zoo nu kan het ook dikwijls zijn met den troost des Avondmaals. Wie van den verbondsdisch terugkeert, kan wel misschien klagen over hetgeen hij niet ontvangen heeft, maar hij kan niet zeggen, wat hij nog ontvangen zal. De Heere God is ook in dezen de vrijmachtige, die met zijn avondmaalszegen komt op zijn tijd en dus als wij het behoeven. In den strijd des levens kan terug worden gezien op den verbondsdisch, zoodat het door God zelf ingezette waarteeken een pleitgrond wordt in het gebed, gelijk er ook de zekerheid uit geput kan worden, dat hetgeen ons uit des dienaars hand van 's Heeren wege toekwam, tevens zijnerzijds is de waarborg, dat Hij ons ook de beteekende gave heeft geschonken. Dat kan hij doen door zijne indachtigmakende werking des Geestes, die ons de levende werkelijkheid, in de sacramenten verborgen, klaarlijk doet inzien niet alleen, maar ook verzegelt.

Dat ook na het avondmaalsgebruik een zegen mogelijk is, werd dan ook door de vaderen in de regeling van de sacramentsbediening zelfs in acht genomen. Zij voegden immers met het oog daarop juist aan de bediening van het sacrament eene nabetrachting toe en riepen daardoor de gemeente op tot een inkeer in zichzelve om te kunnen bepeinzen, wat de Heere in het Heilig Avondmaal geschonken heeft. In die nabetrachtingspredicatie behoort dan ook aan de gemeente te worden voorgehouden hetgeen de Heere schonk, opdat zij van zichzelve afziende om op te zien naar den Vader der lichten, de goede gaven en de volmaakte giften zal ontvangen, die van Hem zijn afdalende. Doch ook hier blijkt maar al te zeer de inzinking van het kerkelijk en het geestelijk leven onzerzijds. Van die nabetrachtings-predicatie wordt zeer dikwijls maar zeer weinig gesmaakt en genoten. Van een in het licht stellen der gaven Gods in het Avondmaal komt meestal zoo wat niets terecht. Er worden heel wat nabetrachtings-predicaties gehouden, die duidelijk uitwijzen, dat de dienaar des woords er mede verlegen was en amper weet, wat de gemeente daaraan heeft. Verwonderen kan dat niet, waar het blijkt, dat de sacramenten in tal van gemeenten zoo worden verwaarloosd, ontheiligd en veracht. Maar anderzijds komt daaruit dan tevens de ernstige roeping op voor de dienaren des Woords om weder te onderzoeken en te prediken de ware avondmaalsleer, opdat de gemeente zich bewust worde van hetgeen de Heere zelve haar geschonken heeft. Zij moet weten, dat de Heere „in ons werkt al wat Hij door deze heilige teekenen ons voor oogen stelt, hoewel de wijze ons verstand te boven gaat, en ons onbeschrijfelijk is, " zooals onze belijdenis zegt. Dat moet zij weten, opdat zij in het sacrament den Heere Jezus in de kracht van zijnen dood en zijne opstanding moge ontmoetenen alzoo daardoor met Hem die zalige gemeenschap en dien verborgen omgang oefenen moge, die tot versterkings des geloofs, tot vertroosting des levens, tot bemoediging in den strijd onmisbaar zijn. De Heere bestelde in het sacrament teerkost voor zijne kinderen op hunne reize naar de eeuwigheid. Hij bereidt hun daardoor een voorsmaak van het groote goed, dat bij Hem weggelegd is, opdat zij het beginsel der eeuwige vreugde smakend, te midden van de verdrukking, van den nood en smart, waaraan elk menschenleven, maar inzonderheid dat van Gods kinderen rijk is, zullen zien op het groote goed, dat Hij bereid heeft, zullen gelooven, dat het alles een uitnemend gewicht der eeuwige heerlijkheid werkt. Door te zien op den Borg en Middelaar wordt de hope gewekt, die niet beschaamt, maar ook de gemoedsrust en de vrede geboren, die Gods kinderen doet smaken den zegen van het kindschap Gods. Inderdaad, het sacrament des Avondmaals is een kostelijke gave, een goed zoo rijk en heerlijk voor Gods arme kinderen in de wereld, dat zij zonder deze niet kunnen. Zij hebben noodig het verbondsteeken te smaken, opdat zij ten eeuwigen leven worden gespijsd en gelaafd. De gezondheid der gemeente is dan ook ten nauwste met de sacramenten verbonden. Verwording van het kerkelijk leven met betrekking tot de sacramenten moet altijd zeer schadelijk werken. Het gebruik der sacramenten naar de instelling van Christus geldt dan ook naast zuivere bediening des Woords en de oefening der tucht als een kenmerk der ware kerk, Maar daarom behoeft het dan ook geen betoog, hoezeer er voor de kerk behoefte is aan bekeering tot God, aan gehoorzaamheid aan zijn getuigenis, aan onderwerping aan zijn wil. Zooals zij niet straffeloos Gods geboden kon krachteloos maken, zoo kan ook de weigering om zich te bekeeren niet straffeloos voortduren. De verantwoordelijkheid dergenen, die tot de regeering der kerk geroepen zijn, is wel zeer groot. Er is reden te over zich de vraag te stellen, of er geen oorzaak is te denken aan de vreeselijke woorden over hen gesproken, die de ergernissen doen komen. Want dat de verwording en de zonde der kerk voor talloos velen een ergernis werd, wie kan het ontkennen? Maar des te klemmender is dan ook de roeping Gods tot haar om zich te bekeeren van de dwaling haar wegs, weder te keeren tot een leven in de eenigheid des waren geloofs, tot één geloof, ééne hope, één Heere, opdat zij ook smake de heerlijkheid der liefde, die zich openbaart in de gemeenschap met elkander, omdat zij als gemeente de gemeenschap kent met den Vader en met zijnen Zoon Jezus Christus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 november 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 november 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's