De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

18 minuten leestijd

Van verborgen omgang.

XXVII.

In de sacramenten werden dus aan Gods kinderen middelen beschikt tot sterking van hun geloof, tot verlevendiging der hope, tot aanwakkering der liefde, opdat zij in den levensstrijd niet zullen ondergaan. Zij ontvangen daardoor teerkost op de reize door dit leven, die wel eens vriendelijke vergezichten biedt, maar ook dikwijls door woestynen leidt. Het sacrament kan hen herinneren aan de palmboomen, waaronder zij af en toe mogen nederzitten om verkwikt te worden door de schaduwen, gesterkt te wordendoor de vrucht, gelaafd te worden door een frissche teuge uit de levensbron. Door de sacramenten is er eene bijzondere ontmoeting met den Borg, die zich om hunnentwil voor Gods gericht gesteld en al den vloek van hen weggenomen heeft, opdat zij zouden smaken de vryheid en de vreugde van het kindschap Gods. In de gemeenschap met den Heere Jezus wordt de vrijheid het deel der zijnen, eene vrijheid, die de kinderen dezer wereld, noch de schijnvrome eigengerechtige smaken. Zoo blijft ons nu nog ten laatste bij het karakter van het leven der kinderen des Koninkrijks stil te staan, zooals dat gekend wordt als vrucht van den verborgen omgang met den Middelaar des Nieuwen Verbonds,

Er is een groot onderscheid tusschen de kinderen der wereld en de kinderen Gods, dat vooral daarin uitkomt, dat Gods kinderen eene vrijheid genieten, die de eersten missen. Uitwend, ig beschouwd is niets minder waar en schijnt het alsof de kindex-en dezer wereld zich juist daardoor onderscheiden, dat zij veel vrijer zijn dan Gods kinderen. Zij meenen te mogen doen wat de anderen zich geroepen achten na te laten, omdat hunne conscientie het hun verbiedt. Zoo zien wij hen dan ook zonder den minsten schroom op wegen der zonde afdwalen of opgaan in de genoegens dezer wereld, terwijl er bij Gods kinderen maar al te zeer eene vreeze zich doet gelden om toch niet te mogen vallen in de strikken, die daarin gespannen zijn. Het is zeker niet ten onrechte, dat de apostel het leven van Gods kinderen aldus omschrijft: „indien wg alleenlijk in dit leven op Christus waren hopende, wij zouden de ellendigsten van alle menschen zijn." Inderdaad, uitwendig gezien schijnt het leven van Gods kinderen in meer dan één opzicht achter te staan bij dat der wereld. Vooral de vrijheid schijnt hun te ontbreken. En toch is er niets minder waar dan dit. Meer dan schijn is deze bevoorrechting van de kinderen dezer wereld niet. Zij genieten van eene vrijheid, beroemen er zich op en liggen inderdaad in de slavenboeien der zonde. Roemend op hunne vrijheid, zijn zij toch gekerkerd in de zonde, terwijl Gods kinderen, ook al liggen zij in banden van verdrukking, toch eene vrijheid smaken, die niet kan worden geknecht. De Heere Jezus maakt het waarheid: „indien de Zoon u zal hebben vrijgemaakt, zoo zult gij waarlijk vrij zijn", terwijl de natuurlijke mensch, meestal zonder dat hij er zich van bewust is, de slaaf is van zijne vleeschelijke begeerten, een gehoorzame dienaar van hetgeen hem doet vreezen en hopen. Want over elk menschenleven doet zich gelden de kracht van Gods wet, die haar invloed blgft oefenen ook als wij haar meenen afgeschud te hebben. Die invloed openbaart zich niet slechts daarin, dat de wet ons roept tot hetgeen wij van nature niet willen, maar ook dat zij over ons komt met haar oordeelen, die zich uiten in het vonnis, dat eigen conscientie over ons uitspreekt. Zoo is dan ook de wet in de Schrift ons ge teekend als een juk te zwaar om te dragen en als een handschrift, dat tegen ons is. Van den boei dier wet komen de kinderen dezer eeuw niet los. Hoe ver zij ook afdwalen, hoe ongevoelig zij ook schijnen te zijn, hoe de conscientie soms als met'een brandijzer toegeschroeid schijnt, van de klemmen der wet komen zij niet af. Menigmaal schijnt het als ligt er in de wet eene wrake verborgen, die eerst te voorschijn komt, nadat de zondaar zeer lang in ongevoeligheid voortgegaan is de zonde te dienen. Zoo is het op menig sterfbed, als pakte de vloek der wet zich saam om voor de poorte der eeuwigheid nog voot het laatst zijn gewicht te doen drukken op den mensch, die jarenlang zonder eenige ontroering te toonen voortzondigde. Maar ook al wordt het niet steeds opgemerkt, toch leert de ervaring, dat achter menig vreugdevol gelaat, waarop de glimlach zijn schgnsel rijkelijk werpt, dat achter menig betoon van blijdschap een dikwijls angstwekkende vreeze en bitterheid zetelen. In de verborgenheid klinkt toch de sprake der conscientie en meer dan men zichzelven wil bekennen, wordt de smart der zielsontrusting gesmaakt. Er zijn er velen, die zich baden in de wereldvreugde en waarop toch van toepassing is het treffend woord, dat zij gekomen zijn tot den tastelijken berg en het brandend vuur en donkerheid en duisternis en onweder en tot het geklank der bazuin en de stem der woorden, welke, die ze hoorden, baden dat het woord tot hen niet meer zou gedaan worden. Er zijn er velen, die om alle vreugde der wereld wel zouden wenschen, dat het woord daar binnen in hen zweeg en die er toch niet van af kunnen komen, omdat het hen rusteloos vervolgt. In de wet is vreeze en verschrikking. Een oogenblik moge de stem der wet schijnen te zwijgen onder het rumoer van de vreugde, straks spreekt zij des te luider, zoodat de doove hoeren moet. Door de wateren der vrijheid, die de wereld biedt, gaat immer de giftige  bitterheid der zonde. Dat is de slavernij, wier juk zoo zwaar drukt.

Daartegenover nu geniet Gods kind in den verborgen omgang met den Heere Jezus Christus eene heerlijke vrijheid. De wet met hare verontrusting, met alle conscientieklacht, die zij verwekt, is door den Borg en Middelaar vervuld geworden. De wet is voor de zijnen niet meer een instrument tot zaligmaking. Zij kan dat niet zijn, omdat zij in den weg der ontdekking geleerd hebben, dat de wet geestelijk is, terwijl zij vleeschelijk zijn en verkocht onder de zonde. Zij hebben in den strijd om tot redding te komen, ervaren, dat diezelfde wet, waardoor zij poogden te leven, hun de dood werd. Zij werd toen tuchtmeester tot Christus, omdat zij juist het was, die alle valsche hoop telkens afsneed, omdat zij het was, die eiken uitweg toemuurde, omdat zij het was, die als de cherub met bliksemend zwaard den toegang tot den levensboom verhinderde. Het is in de worsteling om het leven immers steeds de wet, die als een ideaal terugwijkt, zoodra de zondaar meent haar gegrepen te hebben. Daardoor juist kwam de zondaar van de wet tot het Evangelie, van het eigen werk tot Christus' werk. van de eigen gerechtigheid tot die van Christus, van vleeschelijke vroomheid tot het geloof. Hij leerde, na gegaan te zijn door den dood, wat het zegt: gerechtvaardigd te worden uit het geloof, en door de wet der wet gestorven te leven door het geloof des Zoons Gods, waarvan hij dan getuigen kan: die mij heeft liefgehad en zichzelven voor mij overgegeijen heeft. Uit die in den weg van rechtvaardigmaking gesmaakte liefde van Christus, komt voor Gods kind de vrijheid op van al de lasten der wet, van al haar vloek, van al hare beschuldigingen en dus van alle conscientieklachten. Wat de natuurlijke mensch te vergeefs zoekt in de verstrooiing, wat de eigengerechtige zondaar vruchteloos tracht te bereiken door zijn eigen werk en door zijn eigen kracht, dat ontvangt het kind des Heeren in den verborgen omgang met Hem, die tegenover al wat uit de wet komt, het schild der gerechtigheid opheft. In Christus verkrijgen zij den vrede, die in geen wereldvreugde schuilt, een rust, die in geen wereldstrijd kan worden verworven, een waarachtige zielsbevrediging, die uit geen eigen deugd, noch vleeschelijke vroomheid kan worden geboren. Want dit onderscheidt hetgeen de Christus geeft van al wat door de wereld of door onszelven ons wordt voorgespiegeld, dat Christus' werk der waarheid genoeg doet. Christus miskent nooit de levenswerkelij kheid, maar Hij rekent met haar ten volle af. De wereld laat veel bekoorlijks voor ons schitteren, opdat zg ons zal lokken, maar zij verbergt ons zorgvuldig de schaduwen des doods, die er achter liggen. Zij zegt nooit de waarheid, vertoont nooit de werkelijkheid. En de wereld van vleeschelijke vroomheid moge ideaal ons toeschijnen en veel bezitten, dat ons voortwenkt naar altijd hooger en beter en voortreffelijker, ook zij verbergt ons de waarheid en troost ons met eene zelfmisleiding, die ten laatste teleurstelt, omdat de eisch des Heeren niet is volmaakt te worden, maar volmaakt te zijn, gelijk uw Vader in de hemelen volmaakt is. Zij misleidt, omdat zij zorgvuldig zwijgt van den dood in misdaad en zonde, waardoor het uitgesloten is en uitgesloten blijft, dat een zondaar zich tot het leven ophefifen kan. En daarom ook die schoone idealen baren niet een levensvrucht, die blijft. Voor den glans van Gods recht verbleekt onze natuurlijke vervyachting, op zijne weegschaal gewogen zal het van den zondaar steeds luiden: te licht bevonden. Maar alzoo is het met den Christus niet. Hij verbergt niets en houdt ook niets terug. Hij geeft der waarheid getuigenis en predikt: wat zal het den mensch baten, zoo hij de gansche wereld gewint en zijner ziele schade lijdt? Hij stelt het leven met zijne vreugde en droefenis in het licht der eeuwigheid, opdat wij het alles op den rechten prijs zullen schatten, en niet zullen worden beschaamd door valsche verwachtingen en ijdele hoop. En zoo ook, waar het geldt de ideale geestelijke goederen. Want als Hem gevraagd wordt: »Goede Meester, wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe", dan antwoordt Hij op de vraag: „wat ontbreekt mij dan nog ? " zoo gij wilt volmaakt zijn, ga heen, verkoop wat gij hebt en geef het den armen en gij zult eenen schat hebben in den hemel en kom herwaarts en volg mij. Als de vraag komt: wie kan dan zalig worden ? luidt zijn antwoord: bij de menschen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk. Zonder Mij kunt gij niets doen, blijft steeds het wachtwoord, dat ons tegenklinkt. Maar met Hem vermag dan ook Gods kind alles, omdat Christus zelve alles is. Tegenover de werkelijkheid des doods heeft Hij het onvergankelijk leven, tegenover onze vroomheid, die uit de wet is en daarom door de wet geoordeeld ligt, biedt Hij volmaakte gerechtigheid, wijl Hij de wet vervulde. En daarom is er in verborgen omgang met Hem vrijheid, vrijheid van de wereldmacht, die niet bevredigt, vrijheid van de wet met haar vloek en dwang, zoodat de conscientie, die schrijnt en de onrust, die pijnigt, in waren zielevrede verkeert. Gods kind verkrijgt in den verborgen omgang met Jezus een geestelijke dienstbaarheid, een kinderlijke vrijheid, een vreugdevolle gehoorzaamheid. Leven en liefde zijn daarbij één. De Geest des levens in Christus Jezus maakt vrij van de wet der zonde en des doods. Zij smaken een wandel naar den Geest. Met Christus gekruisigd, genieten zij een leven, waarvan zij belijden: niet meer ik, maar Christus leeft in mij. Zij leven door het geloof des Zoons Gods. Zij zijn geen slaven meer van wet en plicht, maar zij genieten een vrijheid in de wet en in den plicht. Niet in dien zin alsof Gods kind eene roeping zou kunnen nalaten of volbrengen al naar hij het verkiest. Zulk eene vrijheid zou zijn die van den slaaf, die zijn heer ontloopt: maar de vrijheid van Gods kinderen is die der liefde, die als een levensmacht over hen komt. De vrijheid, waarmede de Zoon vrijmaakt, is de hoogste gebondenheid tevens. Zij gaan den dag niet in met tot zichzelven te zeggen: laat mij nu hierop passen en laat mij dat vermijden en laat mij dit gebod in het oog houden en dat andere ontzien, laat mij dit kwade nalaten en dat goede doen, want zij weten, dat het met eigen kracht ras verloren is en dat zij zoo zwak zijn, dat zij niet één oogenblik kunnen bestaan. Neen, zij gaan uit met de bede: o God, ontferm u mijner, laat mij niet los, maar bewaar mij als den appel der oogen. Zij gaan uit met de bede: laat Uw oog op mij zijn en leid mij door Uw raad, opdat ik Uw Naam, o Heere, niet bezoedel en Uw werk niet te schande maak. Zij hopen op God en gelooven in Hem. Gelijk zij Christus hebben aangenomen, begeeren zij ook den wandel in Hem. Gelijk zij Christus door het geloof deelachtig zijn, gelooven zij ook in Christus' werken, waarin zij deelen door het geloof. En daarom mogen zij dan ook met blijmoedigheid staan voor en in de wereld. Voor de wereld, waarvan zij bekennen, dat alle gave Gods goed is met dankzegging gebruikt; in de wereld, omdat de Heere Jezus voor zijne kinderen gebeden heeft, niet dat zij daaruit zullen worden weggenomen, maar dat zij bewaard zullen worden van den booze. Zoo staan zij met blijmoedigheid, omdat zij wortelen in ootmoedigheid, met vrijmoedigheid tevens, omdat zij een hope kennen gegrond in Hem, die de verwachting Israels is..

Zij wortelen in ootmoedigheid, omdat zij voor eigen zonde en dood ontdekt werden en daarom moeten opzien tot Hem, die alle nooddruft tot heerlijkheid vervult. Zij smaken blijmoedigheid, omdat zij weten, dat met Hem ook alles; wordt geschonken. Én zij hebben eene vrijmoedigheid om toe te treden tot den genadetroon Gods, dewijl de weg hun in Christus werd geopend, dien de Vader altijd kent. En daarom staan zij met nooit beschamende hope, dewijl ervaren wordt, dat geen schepsel macht heeft hen te scheiden van de liefde Gods in Christus Jezus. Zelfs de dood zal niet in staat zijn den levensband te breken, die hen aan den Vorst des levens snoert. Integendeel, hij wordt een dienaar, die de eenheid met Christus verwerkelijkt. Daarom ze kennen een levensvrijheid, die alle vreeze wegbant, een levensblijdschap, die gesmaakt wordt in een kinderlijke vreeze, in kinderlijk toeverzicht op den getrouwen God en Vader.

De verborgen omgang met den Middelaar is. dus een rijke bron van kracht en troost. Wanneer de afgrond der zonde zich ontsluit in hunne ziel en alles er toe zou leiden om neder te zitten in donkerheid, dan mag gezien op Hem, als op het Lam Gods, dat de zonde wegneemt. En Hij staat op om met de besprenging des bloeds hen te reinigen en te heiligen. Tegenover de klacht dor consbientie toont Hij het kleed der gerechtigheid en predikt der worstelende ziel, hoe zij rusten kan en mag in zijn volbrachte werk. Hij laat de stormen daarbinnen verkeeren in heerlyke stilte, geboren'uit de zalige wetenschap, dat het geweten gereinigd is door Hem. Het reine geweten is de heerlijke vrucht uit zijne gemeenschap ontvangen. En daarmede wordt nu ook hetgeen de wereld biedt zoo gansch anders gezien en gewaardeerd. Hetgeen de wereld geeft, is niet langer een middel tot verstrooiing, niet langer een zinledig genot, dat ons vleesch streelt en ons stelt tot aanbidders in den tempel des vleesches, waar god de buik is en de heerlijkheid ligt in de schande, maar het is een gave Gods, die strekken zal tot zijne verheerlijking. Ook de dingen dezer wereld mogen door Gods kinderen niet veracht worden, alsof zij voor dat alles te rein en te heilig en te goed waren. Slechts valsche leeringen en ziekelijke vroomheid en eigengerechtigheid leiden tot zulke levensopvattingen, die bovendiensteeds daarop blijken uit te loopen, dat zij wel leeren het buitenste des bekers te reinigen, maar het binnenste vol ongerechtigheid te laten. Met Christus is Gods kind erfgenaam van alles. Alle schepsel Gods is hem goed. Heit' leert wat Petrus geleerd heeft, die eerst zeide, toen hij genoodigd werd te eten van het onreine: „geenszins, Heere! want ik heb nooit iets gegeten, dat gemeen of onrein was" en daarna moest vernemen, dat hetgeen God gereinigd heeft, door hem niet gemeen mocht worden gemaakt. Gods kind leert, dat het Koninkrijk Gods niet is spijs en drank, maar rechtvaardigheid en blijdschap en vrede door den Heiligen Geest.

Maar daarnaast is er ook voor Gods kind menige dag van donkerheid en nood. De strijd van het leven kan hun zwaar worden. En de ervaring leert, dat onder degenem, die een moeilijke weg door het leven hebben, Gods kinderen niet de minderheid vormen. Zeker, er zijn er onder hen, wier pad gaat door het licht en die, ook wat het natuurlijke leven betreft, in de ruimte wandelen. Maar bij de meesten is het niet zoo. Merk slechts op, dat verreweg het grootste deel dergenen. die het onvervalschte Woord Gods begeeren te hooren, niet onder de rijken en edelen moet worden gezocht. Het woord van den apostel geldt hier: niet vele edelen, niet vele machtigen, niet vele rijken. Het meerendeel der minnaars van Gods Woord behoort tot die klasse van menschen, die een zwaren levensstrijd hebben en worstelen om hun dagelijksch brood. Voor hen is de godzaligheid zulk een groot gewin, omdat zij de belofte heeft des tegenwoordigen en des toekomenden levens. Ook des tegenwoordigen, want zij hebben in den verborgen omgang met den Heere Jezus vele vrijmoedigheid des gebeds. De Heere zelf noodigt hen uit hunne nooden Hem bekend te maken. Hij roept hen op te komen tot Hem en alle last neder te leggen voor Zijnen voet. Hijzelf verkondigt aan de zijnen; zoo wat gij begeeren zult in mijnen Naam, Ik zal het zal doen.*En wederom belooft Hij, dat al wat zij den Vader bidden in zijnen Naam, Hij het hun geven zal. Zij mogen met alle nooden, ook alle natuurlijke nooden komen tot Hem. Dat is een schoone, heerlijke vertroosting, die het licht doet opgaan over hun vaak moeizaam, donker pad. Als zij er niet doorzien, als zij geen uitweg bespeuren, mogen zij zichzelven met hunne nooden vrijmoedig stellen voor den Borgen Middelaar hunner zielen om Hem bekend te maken al wat het harte deert. Zij mogen het nederleggen voor zijn aangezicht, wetende, dat Hij een hoogepriester is, die medelijden hebben kan met onze zwakheden en die zelve hen toeroept met vrijmoedigheid toe te gaan tot den troon der genade, opdat zij barmhartigheid mogen verkrijgen en genade vinden, om geholpen te worden te bekwamer tijd. Hij zelve noodigt de zijnen dus uit tot het gebed, tot vrijmoedig vragen, belovende dat het nooit te vergeefs zal zijn. In alle leed en smart mogen zij de oogen opheffen tot Hem en Hij zal hunner gedenken en niet ledig heenzenden, wie op Hem hoopt. Waarlijk groot is het goed van Gods kinderen, heerlijk het voorrecht hun beschoren. En dit wordt nog te schooner, omdat het niet slechts geldt voor de levensnooden, maar ook zich uitstrekt tot den stervensstrijd. De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood. Hij is de koning der verschrikking. De mensch mag trachten hem te vergeten, zich als het ware over hem heen werken, zooals maar al te vaak geschiedt, de werkelijkheid des doods blijft er niet minder vreeselijk om. Uit vreeze des doods der dienstbaarheid onderworpen, is het karakter des levens van elk natuurlijk mensch. Die vreeze kan soms zoo machtig zijn, dat zij als een geesel den mensch tot den afgrond des verderfs voortzwiept. Ook Gods kind staat voor die aangrijpende werkelijkheid, maar als het den Heere Jezus ontmoet in verborgen omgang met Hem, dan wordt de hope geboren, die haar schijnsel werpt over de donkerheid der groeve. De Heere Jezus is de levensvorst, die ook den dood verwon. Hij is de opstanding en het leven en doet het aan de zijnen ervaren, dat de Geest desgenen, die Jezus uit de dooden heeft opgewekt, ook hun sterfelijke lichamen zal levend maken door zijnen Geest. De gemeenschap met Jezus maakt die levensdaad zijner toekomst reeds zoo klaar aan de zijnen, dat zij als profetisch wordt doorleefd in de hope op Hem. Die hope verlicht hun levenspad, haar glansen bestralen den horizon zijner toekomst. En zij het dan ook, zoolang de dood nog niet daar is, schuchter en beschroomd, toch leeft daar in de diepte der ziel de zekerheid, dat Hij die niet eenzaam liet in het leven, niet eenzaam zal laten in het sterven. Zelfs als naar Gods vrijmachtig bestel de uitgang moest zijn in nevel en donkerheid, ligt er toch de zekerheid, dat de wolke des stervens gekleurd zal wezen door de lichtzonné des heils. De zekerheid blijft hun, dat achter die wolk de zonne des levens haar lichtbanen uitstraalt en dat de Heere Jezus ook dan als de goede Herder zijner kinderen, de lammeren desnoods zal dragen op zijn armen. Die zekerheid blijft, omdat Hijzelf in de diepte der ziel tot zijn kind zeggen kan en wil zeggen en ook werkelijk zegt: als gij zult gaan in een dal der gchaduwe des doods, vreest dan geen kwaad, want Ik ben met u, mijn stok en staf, die vertroosten u. Dat kan Hij zeggen en dat zal Hij zeggen, omdat in Hem het eeuwig leven Gods genadegift is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 november 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 november 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's