De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

4 minuten leestijd

Het behoud van den eed.

In het voorloopig verslag op het wetsontwerp, dat op 12 November uitkwam, worden nog eens duidelijk de bezwaren aangegeven, welke bij de rechterzijde bestaan tegen het door de regeering ingediende wetsvoorstel.

Vooreerst bevat het ontwerp, ook al wordt het in de toelichting aangeduid als eene tijdelijke noodregeling, eene algemeene definitieve oplossing van het eedsvraagstuk. Een beroep op de omstandigheid, dat de voorgestelde regeling slechts zal gelden tot 1 Januari 1919, gaat niet op, want is het voorstel eenmaal aangenomen, dan kan die termijn tot in het oneindige verlengd worden. Bovendien is het niet aannemelijk, dat vóór 1 Januari 1919 eene nadere regeling zou tot stand komen. De tijd zou te kort zijn om ten aanzien van de werking der thans voorgestelde regeling ervaring op te doen. Voorts, en dat is een tweede bezwaar, schaft het wetsontwerp in werkeliikheid den eedsdwang af en stelt 't het afleggen van eeden facultatief. Het moge juist zijn dat in artikel 1 van de wetsvoordracht de eedsdwang wordt opgelegd, maar blykens artikel 3 is de enkele verklaring van dea te beëedigen persoon, dat hij tegen het afleggen van eeden gewichtige gemoedsbezwaren heeft, voldoende om den eedsdwang op te heffen. Bij deze bezwaren komt nu nog een derde bedenking, dat artikel 8 van het wetsvoorstel niet maar bestrijkt bepaald omschreven uitzonderingen doch met uitzondering van de ambtseeden, het geheele gebied der bepalingen, waarin afleggen van een eed gevorderd wordt.

Wat nu de beteekenis in de gelijkstelling van eed en belofte aangaat, dient er op gewezen te worden, dat het niet voldoende is, dat dezelfde straf is gesteld op het afleggen van onware onbeëedigde als van onware beeedigde verklaringen. Immers de in den eed gelegen waarborg bestaat in het geloof aan God, den aischuw God te beleedigen door de zonde van meineed en de vrees voor de Goddelijke straf. Waartegenover staat dat de vrees voor den aardscHen rechter niet in voldoende mate van het spreken van onwaarheid terughoudt, omdat men wel weet, dat meineed zeer moeilijk te bewijzen is en dan ook zelden gestraft wordt.

Dat wij op al deze dingen nogmaals wezen, ligt in de groote beteekenis, welke de eed voor ons bezit. De eed is een der grondslagen van ons Christelijk volksleven. Niet zoozeer de eed zelve, welke toch slechts een instrument is in de handen van de Overheid om, wanneer zij dit noodig acht, trouw en waarheid te doen bevestigen, maar omdat de eed God een plaats geeft ïn het openbare leven van het volk. Door dien. eed af te schaffen, bant men God van het openbaar terrein en wrikt men weer een pijler los, waarop het leven van ons volk rust.

Dit moge voor de vrijzinnigen een begeerlijke zaak zijn, maar de anti-revolutionair doet daaraan niet mede.

Goederen in de Doode hand.

Bij de verschillende financieele ontwerpen, welke door minister Treub ingediend werden, behoort ook de heffing eener belasting op de goederen in de Doode hand. Onder instellingen van de doode hand wordt verstaan alle zedelijkijke lichamen, instellingen en vereenigingen, welke rechtspersoonlijkheid bezitten, stichtingen daaronder begrepen. Tot die instellingen behooren o.m. de kerken, de diaconieën, de scholen enz. Uit de fondsen van deze instellingen zullen nu voortaan de belastingen moeten betaald worden die de wet bepaalt. Voorgesteld wordt, dat de diaconieën f 3 en de overige instellingen f6 van elke geheele som van f 1000 zullen betalen. Alleen de gebouwen, en andere zaken, welke voor de openbare eeredienst worden gebezigd, met name de kerken, benevens de aanhoorige erven en tuinen zullen van de voorgestelde belasting vrijgesteld worden.

In deze belastinghefiing ligt iets onbillijks, ten minste voor zoover zij de goederen wil aanslaan, waarvan de baten noodig zijn om het kerkelijk leven van het volk te bekostigen en om in den nood van de armen te voorzien. Het is voor degenen die zich noch om de Kerk, noch om de armenverzorging bekommeren, wel gemakkelijk om de hand op die goederen te leggen. Tot op het oogenblik zijn de inkomsten der meeste kerken en diaconieën niet zoo ruim, dat ook daarvan uog een gedeelte voor de inkomsten van den Staat kan aangewezen worden. Het spreekt van zelf dat deze lichamen, gezien de zware hefiing die wordt voorgesteld, bij deze jaarlijksche bijdrage aan den Staat grootelijks zullen benadeeld worden. Het is toch geen gering bedrag om voor elke duizend gulden kapitaal f3 of f 6 te moeten betalen. Maar daar komt nog dit bij, dat de goederen meest uit schenkingen zijn ontstaan; welke voor de kerkdienst of voor de verzorging der armen gegeven worden. Die goederen nu als belastingobjecten te beschouwen is niet recht. Daartegen behoort bezwaar gemaakt te worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 november 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 november 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's