De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Van verborgen omgang.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van verborgen omgang.

19 minuten leestijd

XXX.

Zoo is dus, ondanks alles wat er uit natuurlijk oogpunt bezien tegenpleiten mag, de Heilige Geest inwonende in de harten van Gods kinderen. Juist het feit, dat zij zichzelven kennen en al de gruwelijkheid hunner zonden, waardoor zij voor Gods aangezicht vreezen moeten, is het tastbare bewijiS van zijne tegenwoordigheid. Immers Hij ontdekte hen, Hij verlichtte de donkerheid hunner zielen en liet hen aanschouwen hetgeen zij zichzelven zooveel mogelijk trachtten te verbergen. Hoe diep vernederd en beschaamd zij over dat alles ook staan, hoe ver naar het schijnt daardoor van God gescheiden, toch is God de Heilige Geest in zulk een verbroken en verslagen zondaarshart. Hij, de Heere, die in het verhevene woont, en wiens Naam heilig is, woont ook in het hart desgenen, 'die verbroken en in den geest desgenen, die verslagen is, en die inwoning is tot stand gebracht door den Heiligen Geest. Hij is daar als de Geest der wederbaring, die in de zijnen de eerste roerselen des nieuwen levens wekt en die ontdekkingen aanbrengt, die Gods kind verschrikken tot zijn heil en tot genezing, omdat het er ten laatste door gebracht wordt aan de voeten van Jezus. Daarom is Hij er ook als een Geest der bekeeriug, die de doove ooren leert hooren de roepstemmen Gods, die van alle zijden tot ons uitgaan en bijna nimmer worden opgemerkt. Hij schept in de ziel van zijn kinderen dat geestelijk oor, waardoor zij verstaan het Woord, dat God spreekt, de roeping, waarmede God roept, zoodat zij zich ten laatste in de bekeering krachtdadig geroepen weten. Hij is dus ook een Geest der heiligmaking, dewijl Hij het is, die het volk des Heeren Gode afzondert en tot zijnen dienst bereidt. En zoo werkt Hij dus in Gods kinderen dien rijkdom des levens en der zaligheid, waarvan de Catechismus ons op grond van Gods Woord heeft geleerd, dat zij het beginsel der eeuwige vreugde is, die gesmaakt zal worden, als de poorten van het Nieuw Jeruzalem ontsloten worden voor Gods volk.

De Geest is bij ons, in ons. En d« vraag, die zich daarbij opdringt iS; . hpe dezn verborgenhéiu werkelijk is geworden. De Heere Jezus zelve heeft daarop het antwoord gegeven door ons te prediken, dat „de Trooster zal komen, dien Ik u zenden zal van den Vader, namelijk den Geest der Waarheid, die van den-Vader uitgaat." De oorsprong zijner komst is dus daarin, dat Hij van den Vader uitgaat. Daarmede wijst de Heere niet op de eeuwige bestaanswijze des Heiligen Geestes als derde Persoon in het Drievuldig goddelijk Wezen. Dat de H. Geest als derde Persoon zijn bestaansgrond heeft in Vader en Zoon, dat door zijnen uitgang woidt omschreven, is de diepe eerste oorzaak, dat er gemeenschap met Hem mogelijk is en dat er van aanbidding des Heiligen Geestes kan sprake zijn, maar de nadere beschouwing daarvan behoort tot de leer der Heilige Drievuldigheid. De Heere Jezus doelt, als Hij spreekt van den Trooster, dien Hij zenden zal van den Vader, op dien uitgang des Heiligen Geestes, die de strekking heeft om het werk der genade te volbrengen, op de komst des Geestes na zijn heengaan. Onder dien uitgang moet dus niet iets plaatselij ks worden verstaan, alsof de Heilige Geest eerst op de aarde niet was en daarna op de aarde zou komen, want als waarachtig en eeuwig God vervult Hij hemel en aarde en is Hij alomtegenwoordig om de taak, die Hij in het werk van schepping en voorzienigheid heeft, te volbrengen. Het is in dezen als met den Zoon. Toen de Heere Jezus in het vleesch verschenen, op deze aarde rondwandelde, kon Hij, terwijl Hij op de aarde was, spreken van „den Zoon des menschen, die in den hemel is." Zoo ook is de Heilige Geest als waarachtig en eeuwig God met het goddelijke Wezen hemel en aarde vervullend. Als er dus van zijne zending sprake is, dan is het niet een zenden naar eene plaats, waar Hij van te voren niet was. Integendeel, de verhouding waarin de Heere God als het Drievuldige Wezen staat tot zijne schepselen is uit den aard der zaak onveranderlijk die van Schepper tot schepselen, zoodat de laatsten steeds hun bestaan danken aan de almogendheid Gods en zonder Gods wil en werk nooit zijn kunnen. Van oogenblik tot oogenblik draagt God drieëenig gansch zijne schepping, zoodat zij dan ook in den meest volstrekten zin van God afhankelijk is en blijft. Alle schepsel is alzoo in zijne hand, dat zij zich tegen zijnen wil noch roeren, noch bewegen kunnen. Die uitgang des Heiligen Geestes ia dus niet een treden buiten het Wezen Gods, niet een gaan naar eene plaats, waar Hij niet was van te voren, maar heeft betrekking op de volbrenging van een werk. Zooals er in het Oude Testament veelvuldig sprake is van een komen des Heeren tot zijnen tempel en daarmede niet bedoeld is, dat er eene plaats zou zijn, waar de Heere niet is, maar steeds, dat Hij op eene bijzondere wijze en plaats zich aan zijn volk openbaart, zoo ook hier. De Heilige Geest gaat uit met betrekking tot een bijzonder werk, opdat Hij zijn volk zal troosten. Het is er mede als met de zon, die altijd haar licht uitstraalt, die ook als wij nederzitten in de donkerheid van den nacht, hare lichtbanen uitzendt en waarvan wij toch als de morgenstond aanbreekt, zeggen, dat zij opgaat, of zooals de Psalmist het bezingt: die is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer, vroolijk als een held om het pad te loopen. Wij zeggen, dat zij opgaat, als zij aanvangt over ons haar licht uit te gieten. Zoo is nu ook de komst des Troosters de aanvang van een nieuw werk met betrekking tot de zaligheid van Gods gemeente.

Maar als dit nu wordt omschreven als een uitgang van den Vader en als een zending van Christus' wege, dan ligt in dat eerste uitgedrukt, dat daarin is een wilsdaad van den Heiligen Geest en dat er dus in zijne zending niet ligt opgesloten, dat de Geest van mindere waarde zou zijn dan Vader en Zoon. De Geest zelve gaat uit, vrijwillig de taak aanvaardend, zichzelven als gevende voor dien arbeid, die ten doel heeft Gods volk te troosten na Christus' hemelvaart. Ook Gods Heilige Geest is bereid te doen wat in den eeuwigen Kaad des vredes Hem opgedragen is om den raadslag van genade te vervullen. De eeuwige liefde Gods en de nederbuigende ontferming is ook des Heiligen Geestes, die zich nu openbaart in een daad van vrij machtig welbehagen. Hij gaat uit en doet, uirgaaiide, hetgeen Hij zelve vrijwiUig heeft verkoren. Ook Hij stemt, uitgaande, in met Vader en Zoon om Gods werk der zaligheid te volbrengen. Zijn uitgang is dus hier de vrijwillige opneming van de taak om als Trooster te arbeiden. Zooals de Zoon gekomen is tot verlossimg, daardoor Gods welbehagen doende, zoo komt de Heilige Geest tot vertroosting, daarmede eveneens dat welbehagen volbrengend in de vertroosting des volks.

Maar ook van die heilswerkzaamheid des Geestes is de Vader de laatste grond, de diepste oorzaak, de eigenlijke'bron. En het wordt ons alzoo geleerd, opdat wij mogen weten, dat zijne liefde zich ook ia die zending openbaart. Er is een heilsorde, die in het werk der zaligheid aan den dag treedt en .waarbij de Vader verschijnt als de bronwei van alle heil en zaligheid ep liefde, de Zoon in de kracht' Zijner verdiensten, waarmede Hij zijne kinderen kocht, de Heilige Geest, als die bereid is tot den uitgang, opdat Gods kinderen het heil, dat de Vader schonk in den Zoon, deelachtig zullen worden. Zoo is er dus eene gemeenschap met den Vader in zijne liefde, met den Zoon in zijne genade, en is er nu ook nog een verborgen omgang met den Heiligen Geest in de vertroostingen, die Hij uitdeelt. Hij is willig en bereid om in oneindige ontferming en goedheid af te dalen tot de zijnen en in hen te werken al de weldaden, waartoe zij door de verkiezende liefde des Vaders geroepen zijn. In dat werk, dat Hij tot stand brengt in de zielen zijner kinderen, komt er nu ook eene gemeenschap, en een verborgen omgang met Hem tot stand, zoodat Gods kind met Hem in zulk eene betrekking zich weet, dat het ook met Hem als onderhandelt en tegenover Hem komt te staan, als tegenover de Persoonlijkheid des Geestes Gods in al de onderhandelingen, die de Heere houdt met de zielen zijner kinderen, zooals wij neg later zullen overwegen. Hier zij slechts opgemerkt, dat die Geest als Trooster tot ons komt als een gave van vrij machtig ontfermen. Zooals de Zoon als zaligmaker vrij machtige gave des ontfermens is, zoo is ook van den Trooster gezegd, dat de Vader Hem gegeven heeft. De Heere Jezus heeft ons zelfs opgewekt tot gebed om den Geest met de gelijkenis van vader en kinderen in natuurlijken zin door ons te zeggen, dat als wij, die boos zijn, onzen kinderen goede gaven geven, hoeveel te meer zal dan de hemelsche Vader den Geest geven dengenen, die Hem daarom bidden. De genade des Heiligen Geestes is een geschenk, toegekomen aan Gods volk, op grond der beloftenis Gods. Er is in ons niets, dat Hem behoeft te bewegen af te dalen. Zooals gansch het werk der verlossing vrucht is van vrij machtig welbehagen, zoo is dit ook het geval met de komst van den Trooster en al het werk, dat Hij in ons doet. Want ook als Trooster gekomen in het hart van zijn kind, is er in al zijn arbeid, die Hij in hen doet een ongebonden vrijmacht. Gods kinderen beschikken niet eigenmachtig over hetgeen zij zullen genieten, zij hebben niet zelven in de hand de vertroostingen, die hun toekomen, de gaven, die zij genieten zullen. Het is niet zoo, dat een wedergeboren kind des Heeren nu voortaan de gaven en krachten des geestelijken levens in eigen hand heeft, zoodat het er maar mede doen en over beschikken kan zooals en wanneer het wil. Dat zij verre. Wel wordt het soms zoo voorgesteld, alsof een kind Gods uit kracht van weder­ geboorte nu de' beschikking heeft over gaven en krachten des geestelijken levens en alsof zij het nu in eigen hand hebben om Gode welbehagelijk te wandelen. Maar in de werkelijkheid is niets minder waar. Het blijkt dan ook in hun leven telkens opnieuw, dat het zoo niet is. Maar al te dikwijls worden zij verrast^oor het kwade, doen zij niet wat zij als Gods kinderen moeten doen, . blijkt de zonde hun te machtig en vallen zij in hare strikken. Zoodra zij een oogenblik denken, dat zij het leven in eigen hand hebben, is het met hen weldra gedaan en blijken zij niet te kunnen bestaan. Neen, Gods kind heeft altijd door van doen met de vrijmacht Gods en dus ook met de vrijmachtige werking des Heiligen Geestes, zonder wien zij niets hebben kunnen. Als de Geest Gods zijne werkingen inbindt, dan heeft Gods kind niets, staat het arm en verlaten, misschien wel met groote inbeelding van eigen vermogens, maar in der daad toch met niets. En daarom is dan ook zijn val nabij en met dien val de donkerheid en de eenzaamheid en het besef van verlatenheid, waarin het geldt, dat als de Heere zijn aangezicht verbergt, niemand Hem ziea kan. Gods kind kan alleen in diepe afhankelijkheid leven, kan slechts uit Gods Vaderhand bedeeld worden en ontvangt die levensgaven uitsluitend door de vrijmachtige toedeeling van dien Trooster, dien ons de Heere gezonden heeft van den Vader, opdat Hij het uit de volheid van den Middelaar zou nemen om het aan d« zijnen te geven. Alles wat Gods kind dus bezit, is het zijne door de toedeeling des Geestes. Het is nooit een vrij bezit van den mensch, maar altijd vrije gave des Geestes. En daarom kunnen zij ook alleen dan iets hebben, als de Geest des Heeien het hun geeft. Al het andere, dat niet als gave ontvangen werd, is ijdele inbeelding, die wel schoon kan schijnen, maar toch alle innerlijke waarde mist. Het kan alleen strekken om het kind des Heeren nog verder af te leiden en tot nog dieper val en tot nog donkerder wegen te brengen. De vrijmacht des Geestes wordt in het leven van Gods kinderen openbaar. In diepe afhankelijkheid verkeeren zij. En naarmate zij daarvan zich beter en klaarder bewust zijn, naar die mate zullen zg schooner en heerlijker gaven deelachtig worden. Ook hier geldt het woord van den Dooper: Hij moet wassen en ik minder worden. Want de Heilige Geest betoont zijne vrijmacht juist daarin, dat Hij geeft aan wien niet heeft, dat Hij troost dien, die niet vertroost is, dat Hij toedeelt aan dien, die arm en eenzaam is. Zooals Hij het omgekeerd ook waar maakt, dat: dien, die niet heeft, ook nog genomen j wordt, wat hij heeft. Zoo is dus de Heilige Geest in al zijne werkingen en gaven de vrijmachtige.

Maar nu staat daar ook dit naast, dat, Hij in zijne werkingen altijd met macht optreedt. Hij is gezonden met mogendheid, zoodat naast zijne vrijmacht altijd zijne almacht staat. Het is Hem nooit onmogelijk, zoodat ook de wederspannigste zondaar, het ongehoorzaamste kind, het wederhoorigste kroost door Hem kan worden overwonnen. Hij kan hun zijne gaven toch doen toekomen ondanks henzelven. Zooals de Heere Jezus sprak als machthebbend, zoo werkt de Heilige Geest eveneens met mogendheid. En in dat werk vervult Hij de Hem door Vader en Zoon opgedragen zending. Hij treedt niet op in eigen naam, noch op eigen gezag, maar steeds op dat van Vader en Zoon. En daarom is dan ook de zonde tegen den Heiligen Geest van alle andere daardoor onderscheiden, dat zij onvergeeflijk is. Want zij staat buiten het offer der verzoening, buiten het genadewerk van Vader en Zoon. Zij sluit dan ook altijd in zich een onreinachten van het bloed des Heeren, een vloek van dat offer, een verachting van dat offer. De Heilige Geest treedt niet op dan gezonden door Vader en Zoon, zoodat de zonde tegen Hem de volkomen ontkenning en verwerping van het gansche goddelijke Wezen in zich sluit. Daarom gaat zij altijd gepaard met den vloek der verharding, zoodat er geen de minste conecientieroering en geen berouw en geen klacht meer over blijft. De duivelen gaan gebukt onder die zonde en hebben daarom dan ook geen ster der hope, die in den nacht hunner donkerheid aanlicht. Maar het is dan ook juist een klaar bewijp, dat zij, die voor die zonde bevreesd zijn en daarover in donkerheid verkeeren, haar niet bedreven hebben. Hunne vreeze zelve is het teeken, dat er geene verharding over hen kwam. Wie in die zonde valt, door Hem die uit naam van Vader en Zoon optreedt en werkt, te vloeieen, te verachten, te verwerpen, staat met een koude ziel, zonder eenig schuldbesef, zonder eenige ontroering, zouder eenige vreeze zelfs met betrekking tot het werk des Heiligen Geestes, dat hij minacht en niet kent, noch kennen wil. Het ligt niet op onzen weg hierop dieper in te gaan. Het is genoeg te verstaan, dat de Heilige Geest niet komt in eigen naam, maar gezonden door Vader en Zoon en dus met al het gezag en met al de mogendheid, met al de genade en heerlijkheid, die Vaderen Zoon eigen zijn. Hij komt met de volheid van Gods gaven, met al den rijkdom des Drieëenigen, met al de zaligheid, die de Volzalige aan zijn arm volk te geven heeft.

En daaruit volgt nu, dat het eerste, dat Gods kind met betrekking tot dien Heiligen Geest heeft in acht te nemen, dit is, dat het tot den Vader en den Zoon te bidden heeft, opdat de Geest moge worden ontvangen. Zij zenden en Zij geven Hem en zonder die zending en gave is er geene verwachting. En Zij zijn willig en bereid Hem ook te geven aan een iegelijk, die Hem waarlijk behoeft. Maar daar staat nu naast, dat de Heilige Geest, die ook waarachtig en eeuwig God is, evenzeer behoort te worden aangeroepen en dat ook zonder Hem er van geestelijke gaven geen sprake zijn kan. En nu is juist dit het schooné en het heerlijke, dat Gods kind tot Vader en Zoon roept om den Heiligen Geest te mogen ontvangen, opdat Hij bij hem en in hem blyven zal en zijne gaven zal uitdeelen en dat ook dat gebed reeds opgaat onder de aanblazing van Hem, dien Vader en Zoon gezonden hebben. Ook hier wordt het waarheid, dat Hij reeds antwoordt, voordat er een woord op onze lippen i? , dat Hij in de nooden reeds voorzien heeft, voordat er van een zucht nog sprake was. In de verzuchting zelve, die opgaat, is de werking van Gods Geest reeds te speuren.

De wonderbare goedertierenheid Gods over zijn arm volk, de teederheid zijner liefde, de grootheid zijner genade is daarin evenzeer openbaar, dat Hij reeds geantwoord heeft, voordat er gevraagd wordt. En in die liefde en genade deelt nu ook de Heilige Geest, doordat Hij komt en toeft in het hart, dat nog niet weet, dat er een Heilige Geest is, want de eerste roeringen des gebeds strekken om verlost te worden van den druk der zonde en de beklemming der schuld. Om den Heiligen Geest wordt eerst gevraagd, als er diepere kennis en klaarder inzicht in het werk van Gods verlossing is geboren. En toch is ook in die eerste levensroeringen bij ontdekking voor den noodstand onzer zielen de Heilige Geest reeds werkzaam. Al werd om Hem niet gebeden, noch gevraagd, om Hem zelfs niet gedacht, Hij liet zich toch niet weerhouden om in te komen tot het zondaarshart, opdat Hij het wederbaarde, bekeerde en schonk de blijdschap des levens, want de Heilige Geest is één in liefde en genade met den Vader en den Zoon. Daarom wordt er dan ook zulk een groote nadruk gelegd op het bedroeven van den Heiligen Geest Gods, waaraan Gods kinderen zich helaas, zoo veelvuldig schuldig maken. De Geest wordt gebonden, opdat Hij in het hart van des Heeren kind in naam van Vader en Zoon, het werk der verlossing zal verwezenlijken om daarmede het zegel te zetten op de zielen zijner kinderen. Hij komt dus om onzentwil en nu ligt daar de roeping om Hem met blijdschap te ontvangen, Hem te eeren als den Geest, die in ons hart wil btnnentreden, opdat wij daardoor zullen worden gezegend. Hij komt om ons te geven wat wij behoeven en in ons het werk der genade tot stand te brengen. Hij vervult de opdracht van Vader en Zoon beide. En nu mocht verwacht worden, dat Hij in groote eere is bij de geloovigen, dat er bij hen gevonden werd een wezenlijke groot-achting van zijn Persoon. In het natuurlijke leven i« het zoo, dat een hooggeplaatste, die zich verwaardigt tot ons te komen, met diepen eerbied wordt ontvangen. En menigeen spant zich in om alle wenken van zulk een gast met groote nauwkeurigheid op te volgen. Menigeen put zich uit in eerbiedsbetoon en is daarna, hoewel hij zich slaafs gedragen moest, nog zeer vereerd door zulk een bezoek. Vele jaren daarna zal hij er zich nog op beroemen. Maar waar de Heilige Geest komt in het hart zijner kinderen, daar blijkt het maar al te dikwijls, dat de mensch aanziet wat voor oogen is en dat zelfs Gods kind voor de heerlijkheid van den Geest Gods, die tot hem gezonden is, geen oog heeft en geen hart. Ja, er wordt wel gesproken over den rijkdom zijner gaven, over het goede, dat Hij geeft, over de vreugde, die Hij wekt, maar de eere, die Hem toekomt, en de gehoorzaamheid, die Hem bewezen moet worden, zij worden niet gedacht. Tegenover alles wat Hij zegt, stelt zich somtijds Gods kind en het weigert zijne woorden op te volgen, zijne vertroostingen te ontvangen, zijne gaven te genieten. Ja, het doet maar al te vaak, als was geen Heilige Geest tot hem gekomen en als staat het gansch vreemd tegenover al zijn werk. Zoo is maar al te dikwijls eene worsteling tegen Hem op te merken, een wederstand en tegenstand, omdat geweigerd wordt zich Hem te onderwerpen. Dan is er eene bedroeving des Geestes, omdat er een versmading zijner liefde is. Niets is pijnlijker voor den mensch dan de versmading zijner liefde. Meer dan een is daardoor doodelijk getroffen, als het bleek, dat de drang der liefde niet slechts geen beantwoording vond, maar opzettelijk werd verworpen. Vandaar dat het dan onder de menschen geene zeldzaamheid is te zien, hoe die liefde zich omzet in haat, geboren uit het besef der versmading. Inderdaad is er niets, dat den mensch pijnlijker treft dan de ervaring, dat het kostelijkste, dat hij te geven heeft, niet wordt aanvaard. En zoo ook is het eene bedroeving des Geestes, als zijne gaven worden teruggestooten, zijne woorden niet worden geloofd, zijne vertroostingen niet worden ontvangen en zijn Persoon, die toch gezonden is door Vader en Zoon, niet wordt geëerd. Want in dat alles is de weigering zijner liefde, het terugwijzen zijner goedertierenheid, bet afwijzen zijner gaven. Indien dan ook die Heilige Geest, die aan Gods volk gezonden wordt, niet onwederstandelijk werkte en ondanks ouzen onwil niet doorging met zijnen arbeid, niet één van Gods kinderen zou binnenkomen in het Vaderhuis, dat boven is. Maar het is juist de almacht zijner liefde, die Hem beweegt om door te gaan en door te werken. En daarom komt Hem dan ook alleen de lof en de heerlijkheid en de dankzegging toe met den Vader en den Zoon en belijden Gods kinderen eenmaal in den hemel ook van den Heiligen Geest: „wij danken U, dat Gij uwe groote kracht hebt aangenomen en als Koning over ons hebt geheerscht", zooals zij reeds nu in dit leven de uren kennen, waarin zij onder den druk der genade van Hem moeten belijden: Gij zijt mij te sterk geweest en hebt overmocht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Van verborgen omgang.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's