Staat en Maatschappij.
De lijkverbranding.
Het antwoord dat de Minister van Justitie op een vraag in het voorloopig verslag zijner begrooting gaf ter zake van de naleving der begrafeniswet is bepaald onbevredigend.
Er was in dat verslag op gewezen, dat, nu, volgens de uitspraak van den Hoogen Raad, overtreding van de bepaling van artikel 1, eerste lid der Begrafeniswet, strafrechtelijk niét is te achterhalen, een herziening van die wet behoort te worden ter hand genomen, beoogende de naleving van bedoelde bepaling beter te verzekeren en daarmede 's wetgever? bedoeling, o.a. lijkverbranding te verhinderen, te verwezelijken. Het voortbestaan van den tegenwoordigen toestand, dat een uitdrukkelijke bepaling der wet openlijk kan worden overtreden, en dan ook telkens wordt overtreden, kan niet worden geduld. Bovendien is de Minister van Justitie geroepen zulk een wetsher/iiening uit te lokken, omdat by de naleving der wet, justitieëele belangen zijn betrokken.
Aan deze opmerking werd de klacht toegevoegd, dat terwijl de Minister tot dusverre niets in die richting deed, hij integendeel door zich te leenen voor overleg met de beheerders van het crematorium te Westerveld omtrent de vóór een lijkverbranding in te leveren formulieren, daden die lijnrecht tegen de aangehaalde bepaling ingaan, als het ware heeft gesanctionneerd.
Op de vraag nu, welke ten deze 's Ministers plannen zijn, houdt de Minister zich feitelijk van den domme, want één van tweeën moet gebeuren of de gebleken leemte in de wet moet aangevuld worden, öf de wet moet zoo gewijzigd worden, dat lijkverbranding geoorloofd wordt.
Een tijdelijk toezien op hetgeen thans plaats heeft, is niet alleen bedenkelijk, maar tast het gezag van de overheid aan, wijl zij de wet niet uitvoert. Van een toevallig verzuim in de wet, om een ernstige wijziging in de volkszeden te brengen mag geen gebruik gemaakt worden zonder dat op dit punt zekerheid is gekregen.
In zijn antwoord nu gaat de Minister van Justitie op de zaak zelve niet in, hij stelt zich niet op het standpunt, dat bijzonderlijk de Minister van Justitie geroepen is, de wet naar haar beteekenis uit te voeren, maar het eenige waaromtrent hij verklaart maatregelen genomen te hebben, is, dat vertrouwd mag worden, dat lijkverbranding niet plaats zal hebben, indien er gevaar bestaat, dat tegen degene wiens lichaam aan de verbranding zal overgegeven worden, een misdrijf zou zijn gepleegd.
Voor het overige verwijst de Minister van Justitie de bezwaarden naar den Minister van Binnenlandsche Zaken tot wiens Departement de uitvoering van de begrafeniswet behoort.
Maar ook deze bewindsman is, blijkens de verklaring van den Minister van Justitie niet voornemens eene wijziging der begrafeniswet uit te lokken.
Zoo blijft de zaak der lijkverbranding dus voorhands wettelijk ongeregeld, omdat de regeering in deze een beslissing ontwijkt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's