Stichtelijke overdenking.
Maak u op, word verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid des Heeren gaat over u op. Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de volkeren; doch over u zal de Heere opgaan en zijn heerlijkheid zal over u gezien worden, en de heidenen zullen tot uw licht gaan en de koningen tot den glans die u is opgegaan. Jesaja 60: 1—3.
De komst van het Licht.
De donkerheid der zonde.
Jesaja spreekt altijd van een donker heden en een heerlijke toekomst.
Het is een schilderij met twee hoofdkleuren, een donker front en een lichtende achtergrond.
In de naaste omgeving van onzen tekst heeft hij ons drie hoofdzonden opgeteekeud van zijn tijdgenooten, ernstige fouten van Israels volk.
Het was een murmureerend volk. „ Gods hand was verkort", zeiden xij. Maar zij zaten aan den verkeerden kant, want zij klaagden over God en het klagen over zichzelf kenden zij niet.
Zij zaten te wachten, doch het was geen waakzaam, werkzaam wachten. Want zij riepen: „wij wachten op licht en ziet, er is duisternis."
Dan heeft men het in het donker toch recht naar z'n zin, en acht men eigenlijk elke verandering overbodig.
De toestand huns harten was ook niet recht voor God, want „de waarheid struikelde over de straten en er was geen doorgang voor het recht."
Dat is ook een leelijk ding, als de menschen wel vroom ïijn, maar niet waar; wel veel kennis hebben, doch niet diep ontdekt zijn; wel veel spreken, maar niet eerlijk gemaakt zijn voor God.
Waarlijk een bange toestand, die schijnbaar niet veel goeds voorspelt.
En toch klinkt Jesaja's woord: „maak u op, word verlicht, want uw licht komt."
Zoo zien wij ze beide voor ons in ééne tegenstelHng: donkerheid en licht, duisternis en heerlijkheid.
Is het in de natuur ook zooniet? Voor het dag wordt kan het soms zeer donker zijn.
En in de historie! De schrikkelijkste ïuomenten gaan aan de schitterendste uitkomsten vooraf.
Maar niet minder in het geestelijke. Uw licht komt, als het donker is, neen, als de donkerheid op haar donkerst is.
Als Christus de ziel vindt, ligt ze gekneld in den nacht van de donkerheid.
Ach, de natuurlijke mensch kent zich zelf niet. Een oude, kranke vrouw vroeg mij eens: „maar is er dan heelemaal geen goed in mij? "
Ons antwoord luidde: voor God niet, voor de eeuwigheid niet, voor de zaligheid niet.
De mensch is gansch duisternis door de zonde. De ziel, die niet wedergeboren is door het licht des Geestes, schuwt van nature het Licht.
„Zij hebben de duisternis liever gehad dan het licht." Overal zijn hiervan sprekende bewijzen te vinden. Zij, wier werken boos zijn, haten het licht. En zij tasten in 't duister rond, of zij het ook vinden mochten.
De duisternis der zoude, dat is de duisternis van 's menschen hart. En die door Gods Geest ontdekt werd, weet het; die ingeleid werd in eigen schuld, leert klagen over de breuk van hart en leven.
Ziedaar de roeping van den evangeliedienaar. Om te prediken: zonde en schuld. Om aan te zeggen Jacob zijn overtredingen en Israel zijn zonden En dat wij door onzen val in Adam verloren liggen, en door onze bondsbreuk in duisternis des harten rondtasten. Te prediken de schrikkelijkheid der zonde en het rechtvaardig oordeel Gods, dat aanstaande is en zeker ook komen zal.
Het licht der genade.
In Jesaja's woord ligt een opwekkende boodschap: „maak u op, uw licht komt."
Ziet, dat is een feit van belang. En waargenomen in Jesaja's perspectief wordt het ook nog hoe langer hoe grooter.
Uw licht komt! Van welk licht wenscht hij dan te getuigen ?
In den adventstijd spreken wij zeker van geen ander licht dan van dat van den Kerstnacht. Het hcht uit de velden van Ephrata. Het licht dat aan herders verschenen is. Het licht dat in den stal is aangebeden.
Dat is het feit van belang. Aan de komst van Christus in het vleesch twijfelt wel niemand. Voor de opstanding, zeker, halen velen de schouders op en vragen zich af: zou dat ooit gebeurd zijn? Maar dat Hij gekomen is, geleefd heeft. Zijn woord heeft gesproken, dat is een waarheid nog door velen omhelsd.
En welk een zalig feit kan dat genoemd worden. Wat zou de wereld zonder Christus zijn? Wat ons land, ons volk, ons leven, ons denken?
Zonder Christus is er van geen kerk sprake, van geen gebed, van geen zegen voor het hart.
Dat gedenkende roepen wij uit: „dank, o Vader, dat Gij Uw Zoon gezonden hebt. Uw liefde ons niet hebt onthouden!"
Ook een welsprekend feit is die komst van het vleeschgeworden Woord. Het klinkt over de wereld, het klinkt in het hart, het klinkt het gansche leven van een Christen door. Uw licht komt, o boodschap van eenige waarde, tijding van rijken zegen!
En als we zien op de vrucht, dan is het een gezegend feit. Laten we afdalen in de diepte. Hoe ging ons dat Licht uit Bethlehem op? En lioe scheen de heerlijkheid des Heeren in ons hart?
Kent gij een zonsopgang in de natuur ?
Dit-is immers het typeerende ervan: 't wordt al lichter, en dkt licht valt al breeder uit, ja zelfs, hoe Looger de zon stijgt, hoe dieper de stralen vallen; eerst worden de toppen der bergen verlicht, eindelijk ook de diepe schachten der mijnen en de donkere kloven der dalen!
Zoo geestelijk. Tot diep in de diepten van het zondaarshart val", het Licht dat van Boven komt.
Jesaja predikt waarheden, die tastbaar zijn voor eiken geloovige. Bij de ontwaking uit den doodslaap der zonde bespeurt hij zijn duisternis; dan beproeft hij zich te rechtvaardigen, en door oprecht berouw poogt hij zijn zonde uit te wisschen voor God. Maar ach, 't baat niet, 't werkt alles niets uit, er komt geen vrede.
Maar als het Licht komt, dan opent Christus het Woord, en de zondaar leest, met verlichte oogen des verstands, zijn vonnis ten doode.
Dan paart de Geest zich aan 't Woord en dan komt er een smaken van-de genade Gods.
Dan ook bestraalt dio Geest het hart en dan bewaart de zondaar bij geesteslicht wat de Heere in Zijn Woord der ziele openbaarde.
Zalig, voor wie het Licht opging! Die in Christus zijn levec^hcht mocht aanschouwen, en Hem als zijn heil en hoogste goed leerde kennen!
Ja, uw licht komt. En de heerlijkheid gaat over u op. Men zegt, dat de kleuren door het licht van de zon worden gewerkt. Dat zit niet in het voorwerp zelf, maar het licht moet alles doen.
Ziet, zoo is het ook in 't geestelijke. Gij, zondaar, zijt enkel duisternis, besmetting, onwaarheid. Maar de Heere legt er Zijn heerlijkheid overheen. Het is het lichtkleed der genade dat het hart verheerlijkt.
O, heerlijk is het te wandelen in dat kleed.
Dat kleed dekt elke door schuld beladene ziel.
Dat kleed warmt tegen eiken verstijvenden adem van den dood.
Dat kleed siert, als het feestkleed der heerlijkheid Gods, elke onreine in zichzelf, die niet bestaanbaar is voor God.
En in dat licht worden zij tot den Koning geleid. Het gaat van licht tot licht gelijk van kracht tot kracht, vn altaar tot altaar om te erkennen de veelvuldige goedertierenheid Gods in Christus geschonken.
Johannes de Dooper had een roeping van God ontvangen om van het Licht te getuigen.
Zoo is de taak van den Evangeliedienaar. Met zijn licht heeft hij te ontsteken, of met zijn licht voor den dag te komen, maar om van dat licht altijd maar te getuigen, opdat het volk des Heeren in Zijn heerlijkheid zich altoos zal verblijden.
Van dat licht te spreken, zal ook zijn lust zijn; om dat licht te bidden, het doel van de samenkomsten, der gemeente, van dat licht samen te getuigen de vreugde uitmaken van allen, die van dat licht en zijn heerlijkheid iets hebben mogen smaken.
Zacharia heeft het ons al voorgezongen in zijn lofzang:
Dus wordt des Heeren volk geleid Door 't Licht, dat nu ontstoken is. Tot kennis van de zaügheid.
De zegen der heerlijkheid.
In de duisternis der zonde doet de Heere dus opgaan het licht Zijner genade.
En dan is er blijdschap in dien God, die enkel licht is.
Dan zijn ze heerlijk in dat Ucht, gelijk de duif, waarvan de dichter zingt, dat ze bij het licht der zonnestralen ver boven alle voog'len pronkt.
Wij kunnen dan ook van dat licht nooit te veel zeggen. Onze tekstwoorden geven een broeden zegen, die gevolg is van het Licht, dat gekomen is in de wereld, en de schaduwen der zonde en des doods beschenen heeft.
„En de heidenen zullen tot uw licht gaan, en koningen tot den glans, die u is opgegaan."
Hoe breed valt dat licht dns op het rond der aarde, onder de volken in duisternis en schaduw des doods!
Wilt gij het in een beeld? Het Kerstlicht is als het zoeklicht, dat de zeelieden uitwerpen om de wateren rondom te onderkenuen. Zoo is het Licht van de kribbe. Het baant een pad voor onzen voet, het geeft richting aan onzen gang; op de zee van het leven en bij het branden der gevaren van rondom wijst het ons weg en spoor en baan.
Of anders: het Kerstlicht is als het licht van den vuurtoren dat ronddraait en zich slingert naar alle zijden; dan noord, dan oost, dan zuid, dan west. Het valt naar alle streken, het komt op alle stranden, en gelijk het gezien wordt in den arbeid der Zending: „en waar men ooit de wildste volken vond, zal God ontvangen aanbidding, eer en dankbre lofgezangen."
Waarlijk, het maakt een comisch-tragischen indruk, als iemand in onzen tijd vraagt (vroeg hij 't nog maar!), neen, decreteert: „dat de Zending nog niet begonnen is."
Nota bene, een werk van 1900 jaar oud! Grenst dat niet aan het onzinnige?
Wat de profeet al voorspelde, dat er tien tegelijk zouden klaarstaan om de slip te grijpen van een Joodschen man, en zeggen zouden: „wij zullen met u gaan", is dat niet meer nabij de werkelijkheid van onzen tijd?
Het Kerstgerucht snelt over de wereld. De faam van den geboren Koning verrast de volken aan Ooster-en Westerkim.
God heeft ze nieuwsgierig gemaakt, en zij roepen: „waar is de geboren Koning, opdat wij ons in Zijn licht verblijden? "
Heerlijke zegen van dat komende Licht. Maar schrikkelijk dan, als wij er van moesten verstoken blijven!
Mocht het gerucht maar doorklinken ook in ons hart, en het gebed opgaan tot den troon der genade: „Heere, geef mij, arme heiden, ook van uw licht!"
Heidenen tot uw licht en koningen tot den glans die u is opgegaan.
Ja, onder alle standen en rangen en klassen der maatschappij valt dat hemellicht in breede glansen.
De wijzen uit het oosten waren wel geen koningen, maar deze aanzienlijken konden er ook niet meer buiten, en ze brachten: goud, wierook en mirre, tot aanbidding.
En weet gij, wat er dan gebeurt als koningen tot den glans die u opgegaan is komen?
Dan gaat onze koninklijke trots eraan! Nebukadnezars kruin werd geveld, als een made in het stof, als een worm op de aarde kroop hij voor den God des hemels.
Dan wordt onze koningsadel hersteld. Het verloren beeld van kennis, gerechtigheid en heiligheid, naar Paulus' leer, vernieuwd, en uit het verloren paradijs wordt de zondaar teruggevoerd in de gemeenschap Gods.
Dan wordt dat volk als koningskinderen aangenomen, als zonen en dochteren van een beter Vader geëerd, en met koninklijke gaven vereerd.
Dan is een koninklijke erfenis hun deel, en rijke schatten uit 's Konings paleis worden hun toegevoegd.
Dan ook wacht hun een koningskroon bij het einde, zoodat zij hier al zingen: „gouden kronen dragen wij in 't hemelrijk."
Is het dan geen rijke en breede zegen, die van de heerlijkheid van Christus, den Vorst, voor de Zijnen, breed uitvallend over het leven van dezen tijd en van de toekomende eeuw ?
Gewis, zij mogen er van zingen:
Gezegend zij de groote Koning, Die tot ons komt in 's Heeren naam. Wij zeegnen U uit 's Heeren woning.
Wij zegenen U al te zaam.
Doch ten slotte, zoo predikt dit woord ons ook: de boodschap der verlichting.
Maak u op, wordt verlicht! . Heel Gods Woord is een zendings-ordinantie, maar in znlk een woord komt het wel bij zonderlijk uit.
Tot allen komt die boodschap, ook onder ons mag er niemand van verstoken blijven
Onbekeerde ziele, die nog in duister ronddoolt, weet wel, dat het zoo niet langer kan en mag. Moet gij dat Licht nog langer verachten? Waartoe toch u beholpen met allerlei kunstlicht, dat dwaallicht blijkt, als er hemellicht te verkrijgen is?
Ontvlied toch het nachtlicht van het natuurlijk bestaan, van het zondige leven!
Vlied weg van alles wat u van God en Zijn dienst afvoert, van alles wat om de kribbe heenvoert, van alles wat ter helle afvoert!
Er is maar één Licht, het groot Licht der wereld.
Er is maar één Weg, waarop zondaren niet kunnen dwalen, in Hem, die de Weg is.
Er is maar één heil, de verlossing door Zijn dierbaar bloed.
Er is maar één zegen, de zegen der eeuwigheid in de gemeenschap van den eeuwigen Zone Gods.
Nog is het advent. De adventsklok roept: komt tot het licht; de boodschap noodt: nadert tot het heil.
Maak u op, word verlicht!
Een boodschap der verlichting voor bedroefde zielen. Zijt gij gebogen onder uw smart, onder uw schuld, onder uw zonde ? Is er bestrijding of verleiding van binnen of van buiten? Hoor dan, er is genade voor u besteld bij een Held die verlossen kan.
Men zegt dat het bij de bewoners van de noordpool zoo gesteld is, dat er tijden zijn dat het geen dag is, en dat er dagen zijn waarbij het geen nacht is.
Is dat niet de toestand des harten bij velen van 's Heeren bedroefde, aangevochten volk?
Tijden van donker, enkele dagen van licht.
Wilt gij een raad in den adventstijd?
Och, zoek toch het Licht, komt tot de Zonne der gerechtigheid. Zoek warmer koestering en vriendelijker glans, en laat uwe ziel zich verblijden in het Licht, dat ook voor u is opgegaan.
Maak u op, word verlicht, want uw Licht komt.
Neen! zegt ge, het komt niet, maar het is reeds gekomen.
Gij zijt verlost. God heeft u welgedaan. Juist, Jezus is geboren in uw hart, en uw hart is herboren door Zijn licht.
Wie zal die heerlijkheid uitspreken? Wie vertolken wat het Afschijnsel van Gods heerlijkheid geeft aan het donkere zondaarshart?
Het zaligste van alles is wel dit, dat dat Licht ook nooit wijkt. In de natuur wijkt de dagvorstin voor den nacht. In de genade wijkt de zon des heils nimmer. Achter de wolken, ook achter de donkerste, schijnt nog de zon.
En als gij straks afreist, dan zal uw intrede zijn in die oorden, waar het geen nacht ooit zijn zal.
O, dat wekt de ziele op! De Engelsche vertaling luidt: „waak op en verlicht, "
Volk des Heeren, doe dat ! Weest dragers van het licht; laat uw licht schijnen, opdat zij uw Vader verheerlijken.
Maak u op, word verlicht. Gode zij dank, 't daghet in het Oosten, 't lichtet overal, maar de Kerstnacht heeft het eerste, het heerlijkste, het laatste licht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 december 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 december 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's