Stichtelijke overdenking
En van stonde aan wa daar met den Engel eene menigte des hemelschen heirlegers, prijzende God en zeggende: Eere zij God in de hoogste hemelen. Luc. 2:13, 14a.
Kerst-Overdenking.
Een klein kind zou u ook heden weer kunnen zeggen dat het Kerstfeest is, Wildet gij echter de eigenlijke beteekenis er van vernemtn, gij zoudt u tevergeefs bij duizenden volwassenen vervoegen.
O zeker, het Kerstfeest is zoo populair, zelfs meer dan eenig ander Christelijk Feest. Doch hoe meer het gevierd wordt, hoe meer het wordt verwereldlijkt. Aan beelden en poppen doet men niet meer, nu neemt men den Kerstboom er voor in plaats.
Of men geeft elkander geschenken, niet meer verstaande, dat het toch alleen aankomt op het groote Godsgeschenk, d. i. Christus Je«us.
Of op Zondagsscholen vervangen en verdringen de „christelijke" verzinselen het eenvoudige Lucas 2.
Kunt gij het mij zeggen, mijn Lezer, wat nu eigenlijk Kerstfeest is? Heeft de geboorte van den Christus Gods ook bij u al een wereldverandering in 't aanzijn geroepen? Heeft het uw huis al geheel veranderd en de woonstede uws harten?
Voor Lamech was het eertijds een groote vreugde, toen zijn zoon Noach geboren werd,
In blijde vervoering riep hij: „Deze zal ons troosten"....
En toch was het Noach immers zelf niet die troosten kon vanwege het door den Heere vervloekte aardrijk. Hij was slechts een afschaduwing van Hem Wiens geboorte wij thans herdenken.
Ja, aangevochtenen, die gebukt gaat onder den toorn Gods, roept het dan thans met vrijmoedigheid: „Deze zal ons troosten I Hij, dat dierbare Kind, Hij maakt alles goed."
Daar.mag vreugde zijn in de hutten der armen van geest, want de ster bleef immers stilstaan boven den beestenstal. i Eu hierin lag de sprake: in dien stal is' het Kind; daar wil het ook beslist zijn.' 't Is eigen vrijwillige keuze, ook al gaan menacben hieronder niet vrijuit.
En op zulke plaatsen van bittere armoede wil dat Kind nog zijn met Zyne vertroosting, 't Is geen vergissing, ook al! is er niets voorhanden. Te arm is het; nooit voor den Heiland, wèl kan het Hem nog te rijk zijn. -
Laat ons voor heden stilstaan bij het eerste gedeelte van den bekenden Engelenzang in den Kerstnacht, zoo vol van troost voor de treurigen Sions. Wij vragen niemand mee te zingen vóór zijn tijd. Het meezingen komt straks wel, wanneer'. Toor het door Christus vrijgemaakte kind alle banden geslaakt zijn. Geen overhaasting hier! Veel meer geldt hier de opwekking: „Komt, luistert toe, gij God-. gezinden!" En, als gij weer een hart en een mond hebt ontvangen om Hem, den' Heere, te loven voor de verlossingen Zijns' aangezichts, o zing dan mee! Zien wij Ie Wie zongen? 2e Wanneer begonnen zij ? 3e Wat zongen zij ? Onvergelijkelijk is het lied van den nachtegaal in de zoete, innige stilte van den zomernacht, des te schooner wanneer al het andere zwijgt.
Zoo had eertijds in Efrata's velden een kind gezongen, de nachtegaal onder de kinderen Gods. Het was David d« herdersknaap. Hij had gezongen de schoonste liederen van hope en Godsbetrouwen, liederen waaruit profetieën van hope aangaande den Christus besloten lagen.
Thans stijgt daar weer een lied van de aarde hemelwaarts, doch uit den mond van hemelbewoners, van eene menigte des hemelschen heirlegers. Hoe wonderlijk is dit alles.
Het is als heeft een machtige ontroering den hemel aangegrepen, als kan de hemel het in den hemel niet meer houden vanwege het heerlijk feit dat de Zone Gods daar in Bethlehem geboren is. In den hemel der hemelen was alles voorbereid. En als de Christus geboren is dan daalt op bevel Gods een Engel ter neder om den herders de blijde tijding te brengen, dat hun heden de Zaligmaker geboren is. Een Engel was de Evangelieverkondiger. En nu zullen ook Engelen die verkondiging met hun zang begeleiden. Welk een heilige orde des hemels. Welk een opgaan ook bij de dienendö geesten in de groote werken Gods! Zelfs de Engelen zijn begeerig om in te zien in de schoone heilsgeheimen Gods, de Engelen die er toch buiten staan: Hij neemt toch de Engelen niet aan. Hoe schoon moeten die heilsgeheimen dan wel wezen 1 %.
O heilige belangeloosheid des hemelschen heirlegers! Zij verheugen zich als was er iets voor hen zelven geschied. Nooit kunnen de hemelsche legerscharen weten wat het is, vijanden zijnde met God door Christus verzoend te zijn! Nooit kunnen zij ook maar ten halve beseffen de smart der breuke van Gods kind, evenmin als den ^roosf der heeling.
Nochtans zingen zij. Want zij stellen belang in het lot hunner medeschepselen en verheugen zich over éénen zondaar, die zich bekeert. De Engelen gaven hier den menschen een les. De Engelen, wien het niet gold, aan de menschen, wien het wel gold.
En weet ge wat ook waar is? Die Engelenzang is niet éénmaal gezongen, doch menigmaal daarna.
Hebt gij nooit gehoord van stervende kinderen Gods, hoe zij de Engelen hoorden zingen ? En durft men dat alles zinsbegoocheling noemen ? Dat is ongehoord brutaal.
Want of mijn ooren er al voor gesloten! zijn, kan daarom de gansche schoone schepping Gods niet ruischen van Engelenmuziek ?
Nog is het immer waar: als Jezus hier of daar naar den Geest geboren wordt, of als men in zijn bittere armoede ganaakt! ^ tot dat Kindeke in doeken gewonden dan zingen de Engelen,
Wanneer temidden van uw zondesmart. verlorenen in uzelven, lijnrecht op u de tijding aankomt: „ U is heden geboren de Zaligmaker I" dan zingen de Engelen,
En als er thans ook maar ééne ziele tob haren Noach, tot hare ruste magkomen bij Bethlehems kribbe, wat dacht gij dan, dat de Engelen niet zongen het „Eere zij God"?
Wel stel ik mij voor, dat zij zich verwonderen hoe weinig rechte zangers er . op dit oogenblik onder de menschen nog zijn. Zij weten immers ook niet wat het is een hart van steen te hebben. 2e. En wanneer denkt gij, dat het gezang der engelen begon ?
Wij lezen in onzen tekst „van stonde aan." Toen dus een Engel des Heeren het Evangelie aan de herders verkondigd had. Toen dat weerklonken had: U is heden geboren de Zaligmaker, Welke is Christus de Heere in de stad Davids en ... gij zult het Kindeke vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe. Nadat hij verkondigd had, dat alle schatten des hemels naar beneden gestroomd waren en dat de Koning in Zijne schoonbeid daar nederlag, ziet, toen was het der Engelen tijd om te zingen.
De prediking van den Engel was afgeloopen; daar viel hier niets meer te zeggen. Thans werd er gezongen. Thans breekt dus aan voor het hemelkoor de tijd des gezangs. O wat moet de geboorte van den Christus een feit zijn van het hoogste gewicht, dat de Engelen hierop in jubel uitbreken.
Zoo gaat het toe bij de hemelbewoners, en aldus moet het ook toegaan op de aarde: alles op zyn tijd. Een tijd om door Gods Geest verbrijzeld en verslagen gemaakt te worden; om te roepen in waarheid: „Ach, ik ellendig mensch. Wie zal mij verlossen? " Een tijd om met machtige liefdekoorden Gods getrokken te worden naar Bethlehems kribbe; om het daar door Gods genade te ervaren: dat uitwendig arme Kind is mijn rijke Heiland.
Daarna een tijd om te zingen, zij het ook dat hier op dit ondermaansche er 200 weinig van die oogenblikken zijn. Het is als spreken de Engelen hier bij het begin van hun zang: „volk van God, zoo rijk begiftigd, aoo wonderlijk begenadigd, in weerwil van alle bezwaren, versta uw tijd!" Hij is die getrouwe God, Die bij de guve Zijns Zoons aan u, ook de banden uwer tonge losmaakt. 3e. Doch gij vraagt, lezer, wat die Engelen dan zongen ? Ze begonnen met „Eere zij God in de hoogste hemelen!" Daarmede begonnen zij, zeg ik. O, vergun het mij dat ik telkens een vergelijking maak tusschen Engel en mensch: wat is dat anders bij het menschdom hier op aard. En nu doel ik nog niet eens op het menschdom, dat in Adam en in zichzelf van God is afgevallen en vervreemd en dat tot heden bleef wat het was, onbekeerd en vijandig. Want dat groote menschengeslacht heeft de eere Gods juist verzaakt en in het slijk getreden. Doch ik bedoel voornamelijk Gods eigen kinderen
Het groote geslacht, dat naar God niet vraagt, dat eigen wegen bewandelt, be kommert zich om Gods eere niet en heeft nog nooit met die bange zielevraag te doen gekregen: „hoe komt God de Heere ' aan Zijne eere ook bij mij? " | Ook thans weer weten dezulken van die dingen niet en hun leven beweegt , ' zich nog om eigen eer en grootheid. Doch gaat ook gij vrijuit, kinderen Gods? En moet u vooral, die door genade een oog ontvingt voor Gods heilig recht en Zijne eere, de blos der schaamte niet op de wangen komen?
Het eerste wat de Engelen zongen, was: „Eere zij God." Nu, het eerste lied dat gij zingt, onbekeerde lezer, en dat wij hier terloops noemen, dat kennen wij wel: het is h«t lied uwer eere. Ach, dat het daar nog steeds bij u omgaat! Weliswaar menigmaal omwonden door of verborgen ondtr schijnbaar nederige taal, zoo zelfs dat gij zelf nog wel eens wat goeds van u gelooft. nochtans de Kmner der harten weet beter. Ik vraag u: tot hoe lange nog? Zult gij het dan nooit opgeven dat dwaze bewierooken van uzelf? Bij dat Kind van Bethlehem past geen menschenwierook. De Engelen beginnen met het: „Eere zij God!"
En Gods kinderen dan? Ze gevoelen toch ook in beginsel alles voor de eere ! Gods. Zeker, doch met dit verschil: de Engelen beginnen er mee, en zij eindigen er mee, op zijn best wanneer ze de gaven ontvangen hebben.
Gij moet denken: wij voorzichtige menschen moeten eerst in alle opzichten overtuigd zijn dat wij toch niet teveel zeggen. Helaas, kinderen Gods, wat zijt gij voorzichtig met de Eere Gods. Gij moet eerst overtuigd worden met de stukken. Welaan, het zij zoo, dat wil zeggen, het is niet anders: „o laat u dan heden van Godswege overtuigen met het Christus-Kind zelf, met Zijn woonplaats en legerstede en schamele doeken.
„Eere zij God, in de hoogste hemelen!" zoo zongen dan de Engelen. En herinner u dat ze dit zongen ten a«nhoore van aardbewoners. In hun gezang vertolkten zij hunne gedachten Het voornaamste wordt het eerst genoemd.
Daarom gaat het dus boven alles, om de eere Gods. En nu is het zeker dat dit natuurlijk ook wel geldt van alle dingen, ook van het groote Scheppingswerk Gods.
Zelfs de Libanon is niet genoegzaam om te branden en zijn gedierte ten spijsoffer. Eere zij God in de hoogste hemelen; want Hij is de Algenoegzame, volzalige in zichzelf. Die het niet noodig had menschen te scheppen om Zyn lof te zingen. De hemel zelf looft Zijne wondren dag en nacht. Hij heeft het menschdom geschapen, goed, rechtvaardig en heilig, nadat Hij eerst het licht door een machtwoord in het aanzijn riep.
Eere zij God! voor al Zijne groote Scheppingswerken, voor al de wonderen Zijner Voorzienigheid.
Doch vergun mij deze nuchtere opmerking : daarvoor komen Gods Engelen niet uit den hemel om in dezen dè eere Gods te zingen: immers dat kunnen zij in den hemel ook.
Nu doelden zij, staande op deze zondige aarde, die Gods eer vergeten had, iets anders. Die heerlijke Engelenzang was het planten van de banier van Koning Jezus in den aardschen bodem. Het was het strijd-en wachtwoord, waarmee in Christus Jezus Gods kinderen tot den heiligen kamp tegen den vorst der duisternis werden opgeroepen. Dat „Eere zij QodI" groepeerde zich dus om dat Christus-Kind, In dat Kind lag Gods eere zelf besloten.
Doch eerst iets anders. Dat Eere God!" gold dat Kindeke in doeken gewonden en alles wat er mee in verband stond. Daar was nu het menschdom weggezonken in verderf en ondergang. Hier beneden was geen hope meer in den donkeren nacht. De zon onzer gerechtigheid was weggezonken in de zee onzer zonden om nooit meer daaruit te verrijzen. En ... daar spreekt God ten tweeden male: Er zij licht! En de Zon der Gerechtigheid gaat op in Bethlehem. Wie heeft daarin de hand-gehad? Immers geen mensch. Wie heeft den zin des Heeren gekend, dat die Hem zou onderrichten? Wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen?
In den eeuwigen vrederaad van den Drieëenigen God is dit opgekomen. „Eere zij God in de hoogste hemelen!" Ja eere, de diepten Zijner wijsheid Die in Zijn eeuwigen vrederaad deze gedachten uitdenken kon!
Eere den oceaan Zijner liefde en barmhartigheid, die aldus in Christus Jezus Zijne kinderen wist te vinden al waren zij weggezonken in de diepte, in het hart der zeeën.
Hoe moeten alle menschengronden hier versterven bij de aanschouwing van het Christus-Kind. Hoe vallen menschen hier buiten. Want dat Kind is niet uit den hemel gebeden. Niemand toch had er om kunnen bidden zoo de Heere God niet eerst de belofte geschonken had.
Dat „Eere zij God" geldt nu van de schenking van Gods Zoon. 't Is» Gods vrije gave. Het geldt evenwel ook van het gansche Middelaarswerk ran Christus. Het ging den Heere Jezus zelven om de eere Gods. Als de machtige Kampioen van Gods eere trad Hij hier op tegenover den Satan. Als de Machtige en nochtans als de zwakke tevens in de gestalte van hen die Hij Zijne broederen noemt.
Hij zal zich het vaandel der Eere Gods tot geen prijs laten ontrukken, zelfs niet tot den prijs van Zijn dierbaar bloed. En wanneer straks de overste dezer wereld de ziele van Gods eenige Tortelduive komt te nemen, dan zal het in Christus' doodssnik nog klinken: „Eere zij God!" En dan zal het straks uit het meest ontzettende gruwelengraf nog opklinken ten hemel in heiligen triomf: „Eere zij God!"
En het zal den Satan achtervolgen met al zijn aanhang, het zal hem en de vijanden des Heeren een eeuwigdurende foltering zijn: „Eere zij God in de hoogste hemelen "
Maar ook als er zielen tot ruste komen, wanneer zij in hun zielsbenauwdheid geleid worden tot hunnen Boaz, die Zijn vleugel over hen uitbreiden zal, dan zal het ook daar klinken. Het zal ruischen, jubelen, schallen met machtigen klank over eiken zondaar die in Christus met God den Vader weer verzoend mag worden: „Eere zij God." En het zal niet anders wezen dan de weerklank hier op aarde van de eeuwige Godsverheerlijking daarboven.
De Engelen zingen het dan over de aarde. Ze zingen het uit over Bethlehems stal. Maar ook over de herders daarbuiten.
Lezer, zou het ook over u in Christus uitgejubeld wezen?
O onderzoek uzelven toch zeer nauw bij het licht des Heiligen Geestes. Dat Kind is en blijft het eenige middel om Gode den Allerhoogste genoeg te doen. Wij brengen geen eer van ons zelven.
Juist een Kindeke dan voor u, armen ' van geest, eenvoudigen. Het laat zich winden in de schamele lompen uwer onen eigengerechtigheid
Met dat Kind kunt gij volstaan voor een heilig God. Meer hebt gij waarlijk niet noodig. O leer er dan heden maar buitenvallen en erkennen: Ach Heere, ik heb geen geloof, geen bekeering, geen weg van twintig jaren, geen bevinding, waar ik op steunen kan.
In dat. Christus Kind en de gave daarvan blijft alle bevinding besloten. Laat dit uwe ziel dan niet verontrusten. Doch wel iets anders: Weet gij bij ervaring hoe in uw harte de eere Gods vertreden ligt? De eere des Allerhoogsten ? Nu dan leer dat Kind ook mijnen in den geloove. Roep het dan vrij uit: „Die Heere is mijn eere! „mijn Kroon, mijn Eer, mijn alles!" Dan wil dat kind uw eere zijn. Uw eere bij God. En gij zult nog eenmaal medezingen: Gij toch gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht.Uw vrijë"'"gunst alléén wordt d' eere toegebracht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's