Van verborgen omgang.
XXXL
Zoo is dus de Heilige Geest niet opgetreden in eigen Naam, maar gezonden door Vader en Zoon, opdat Hij nu het groote werk der verlossing zal voleindigen. In zijne gave ligt uitgedrukt de vrijmacht des Heeren. Hij is niet verdiend door ons, niet verkregen, maar als gave der genade ontvangen. Hij is gezonden om het werk van Vader en Zoon te voltooien en Gods kinderen hier te vertroosten met dat heil, opdat zij niet zullen ondergaan, maar ondanks henzelven behouden zullen worden. Het wederhoorig kroost zal Hij bij God doen wonen. Immers, zgn arbeid houdt niet op. Hij laat niet los. Waar Hij - eenmaal woning maakte, daar blijft Hij zetelen. De Heere Jezus zelve heeft getuigd, dat op zijne bede de Vader eenen anderen Trooster geven zal, opdat Hij bij n blijve in der eeuwigheid. Daarom kan er geen afval der heiligen zijn. Dat is de groote, de schoone troost van Gods kinderen. Waar het leven Gods geboren werd in de zondaarsziel, daar is het onsterfelijk. Gods Heilige Geest, door den Middelaar eens verdiend en daarna gezonden, wijkt nimmermeer. Het kan wonderbaar diep gaan met het kind des Heeren, het kan zeer verre afwijken, afdolen van den goeden Herder, maar verloren gaan kan het niet meer. Ik heb ze in mijne handpalmen gegraveerd, zoo luidt de toezegging des Heeren en daarom schonk Hij hun den Heiligen Geest, opdat zij van achter Hem niet zouden afwijken. Maar daarom is het dan ook van belang bij die inblijvende, inwonende daad nog iets nader stil te staan, opdat wij ons mogen vergewissen van het groote goed, dat de Heere schonk aan zijn volk. Gods kind leeft en is daarom aan levenswisseling onderworpen. Het leven onderscheidt zich juist daardoor, dat het altijd wordt en dus steeds verandert. Het marmerbeeld mag schoon zijn, maar bet staat immer voor ons in starre onveranderlijkheid. De schilderij mag ons treffen door baar wondere kunst, die de beelden schgnt te doen leven, zij mag vele en telkens nieuwe gezichtspunten aanbieden, die ons verbaasd doen staan over de heerlijkheid van het menschelijk genie, dat zulk een kunstgewrocht voortbracht, maar hoe veekgdig ook in hare belichting, hoe wonderrijk in haar sprake ook die kunst mag zijn, toch is er een diepgaand onderscheid met wat het leven zelf ons te aanschouwen geeft. In vergelijking daarmede is de kunst toch arm, altijd dezelfde. En dat is zoo, omdat de scheppende werkzaamheid Gods alle menschelijk werk verre overtreft. De Heere beschikt in zyne schepping over eene onuitsprekelijke veelheid van vormen, zoodat alle schepsel, hoewel het steeds hetzelfde schepsel is, toch ook steeds andere, nieuwe levensvormen vertoont. In den winter staan de boomen voor ons als waren zij verstorven en toch leven zij en bereiden zij zich als 't ware voor om in de komende lente nieuwe knoppen te schieten. En als de lente straks gekomen is, dan kan van dag tot dag, soms zelfs als de frische lenteregen werd gezonden, van uur tot uur worden gezien, hoe nieuwe, heerlijke levenstinten zich vermenigvuldigen. Dan schouwen wij het aan met onze oogen, dat alle leven ook tevens verandering is. Trouwens zoo is het ook bij ons zelven. Zie slechts aan de beeltenis, die u bleef uit de dagen uwer jeugd en vergelijk haar met wat gij heden zijt en het wordt u in uw eigen leven duidelijk, dat in dien grooten wisselenden stroom van het leven ook gij zelf betrokken zijt, dat ook gij verandert, omdat gij wordt. Gij zijt opgegroeid van kind tot jongeling, van jongeling tot man en gij staat stil naar het schijnt, omdat gij geen nieuwe ontwikkelingsbaan voor u meer ontsloten ziet, maar het is slechts een schijn, want die stilstand blijkt, soms maar al te ras, de versterving van de levensjeugd in de starheid van den ouderdom. En ook dan nog blijft het een altijd vergroeien en verworden, waarin geen stilstand ia, tot dat de planting van uw leven zich neigt tot de groeve en ook in die groeve nog is het een worden, want de Schrift zegt: Het wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onderfelijkheid, het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid, gezaaid in zwakheid en opgewekt in kracht. Het wordt gezaaid, dus vergeleken met den levenskorrel, die neerzinkt in den akker en daar neergezonken, ontkiemt en in die ontkieming weder onderworpen is aan de verandering, die alle levensontplooiing kenmerkt.
Zoo nu is het ook met het geestelijk leven van Gods kinderen. In het algemeen is het reeds duidelijk, dat het geestelijk leven van elk men scheen levenskarakter draagt en wisselt van oogenblik tot oogenblik. Denk slechts aan het stemmingsleven van den mensch. Wij zijn zoo diep afhankelijk van allerlei invloeden van buiten. De mensch moge in zijne dwaasheid zich inbeelden dat hij veel vermag, dat hg veel beteekent en een groote mate van onafhankelijkheid bezit, in de werkelijkheid is niets minder waar en blijkt hij maar al te dikwijls als een speelbal van de omstandigheden en van de invloeden, die van zijne omgeving op hem uitgaan. Als de dag nevelig is en de mist zwaar en onaangenaam drukt op den aardbodem, als donkere wolken aan het zwerk zoo dreigend neerzien, als de stormwind loeit, als de regen neerzwiept, als de sneeuw zich in dikke vlokken laat dwarrelen, als de zon hare glansen uitzendt en haar goud belichting uitgiet over het landschap, het heeft alles een diepgaanden invloed op ons stemmingsleven. Dat weten wg allen, ook al zijn we niet allen voor dezelfde dingen even gevoelig. En daaruit wordt het ons duidelijk, hoe ook ons geestesleven in dat opzicht het karakter van het leven heeft, dat het nooit zichzelf gelijk is, dat het altijd wijzigt, altijd wordt. Na regen komt zonneschijn en na den zon neschgn komt de regen. Het gaat bij elk mensch op en neer en nooit is het stil en roerloos en star en onveranderlijk, al blijft het toch dezelfde mensch, die ónder al die wisselingen en veranderingen doorgaat.
Zoo is het nu ook in het geestelijk leven van Gods kinderen. Het is zulk een wondere veelheid van wisseling, die zich ook daarin voortzet en toont, dat het denzelfden rijkdom deelachtig is, die zich in alle schepsel Gods openbaart. Zooals dag aan dag ons organisch leven zich wijzigt, zoo ook het geestelijke. Van zijn eerate ontkieming door de wondere daad der wedergeboorte vangt het aan zich te ontplooien. Langzaam ontluikend als de zaadkorrel in de diepte, nauw merkbaar, slechts te kennen uit de weinige levens-' roeringen, die het bewustzijn van Gods kind wel treffen, maar die het zichzelven nog niet verklaren kan. Het gordijn der donkerheid schuift weg voor het zielsoog, maar de nevelen klaren nog niet op, zoodat hij kan zien hetgeen daar roert in eigen hart. Doch de werkelijkheid der zonde, doch haar vreeselij k verderf worden reeds beseft bij tgd en wijle. De vreeze komt op, dat het misschien niet goed kon zijn met betrekking, tot onze eeuwige dingen. De weg, waarop tot nu toe gewandeld werd en die zoo schoon werd gevonden, waarop men rust en blijdschap dacht te smaken, wordt gekend als een weg, die leidt tot verderf. Maar slechts bij oogenblikken wordt het alzoo gezien. Het is alsof de kalm vervlietende beek onzes levens een oogenblik haren stroom doet stillen, doch slechts een oogenblik en dan gaat het weer voorwaarts tot een nieuwe hindernis zich opdoet en een amdere storing intreedt. Dat kan soms jaren duren, dat conscientieroering na conscientieroerii)g - ffordt waargenomen, dat ons leven schijnt te schommelen tusschen de dingen der wereld en de gerechtigheid Gods. Maar dit onderscheid is er toch steeds, dat de sneller of minder snel elkander opvolgende trillingen door het zieleleven van dien mensch op den weg der ontdekking, steeds krachtiger worden, t«tdat hij ten laatste voor Gods aangezicht in zijne zonde en schuld nederzinkt om zijn Rechter om genade te smeeken. In dien weg nu wordt ook het oog geopend voor de verlossing, die in Christus is. En ook de ontdekking daarvoor is meestal een proces, dat langzaam maarzeker \erloopt als het opgaan van de morgenzonne uit de nevelen van den nacht. Het kan een lange en bange strijd zijn, waarin het op en ondergaat, waarin een rijzen en dalen wordt waargenomen, eene hope en een vreezen. Het is ook daarbij a!s bij den blinde, dien de Heere bij de hand nam en uitleidde buiten het vlek, in wiens oogen Hij spoog en wien Hij de handen oplegde en vraagde of hij iets zag. Al die handelingen en verrichtingen waren noodig geweest. En eindelijk, toen het licht doorbrak, was /r nog geen sprake van een klaar en onderscheiden zien; want hij antwoordde op de vraag des Heeren, dat hij de menschen zag als boomen wandelen. En daarom was het nogmaals noodig, dat de handen op zijne oogen gelegd werden. En eerst toen werd hij hersteld en de Schrift zegt, dat hij allen ver en klaar zag. Zoo was het dus een verlossingsweg, een verlossingsproces, waardoor hij geleid werd om gebracht te worden tot het zien. En groot en wonderlijk was het hem te moede, toen hij voor het eerst de heerlijkheid der zonne met haar gouden glansen zag, de schoonheid dezer aarde, het diepe blauw des hemels. Zign hart was vervuld van een wondere, ongekende vreugde, van eene vreugde zooals hij vroeger nooit h'ad gesmaakt en na dezen ook niet meer kennen kon. Want het was de nieuwheid van dit herstelde leven, die hem plotseling trof, toen voor het eerst en nu voor goed en geheel de blindheid met haar duisternis en schemering week. Daarom zond de Heere Jezus dezen man dan ook naar zijn huis, zeggende: „ga niet in het vlek en zeg het niemand in het vlek", want hij wist, dat hij zeker anders niet zou kunnen zwijgen van het groote werk, dat aan hem geschied was. Zoo is het nu immers ook met Gods kind, bij wien de eerste wederbaronde daad des Heeren doorwerkt tot de klaarheid der kennis van Christus. Het is een wonder ervaren voor het eerst door het oog des geloofs op Jezus te zien als op den Borg en Middelaar, wiens gerechtigheid de ongegerechtigheid dekt, en die daarom tot ons zeggen kan: uwe zonden zijn u vergeren. Wie dat voor het ee^-st aan zijne ziel verzegeld w«et, zoodat hij het als uit des Heeren mond beluisterde, ook diens hart springt op van vreugde en hij zal een blijdschap smaken als nooit te voren. De Heere Jeaus heeft die heerlijkheid dan ook zoo diep gepeild, dat Hij er van gezegd heeft: Ik dank U, Vader! Heere des hemels en der a, arde! dat Gij deze dingen voor de wij sen en verstandigen verborgen hebt en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard. Hij peilde daarin de reine, de heerlijke, de rijke vreugde, die het deel van Gods kind wordt in den weg van zaligmaking. En inderdaad, het is dan ook niet vreemd, dat in de gemeente Gods met een zeker welbehagen gesproken wordt over wat hij doorleeft, die in de eerste glansen van het nieuwe leven zich mag baden, als van eene eerste liefde, die gesmaakt wordt in den verborgen omgang met Jezus, den Bruidegom onzer zielen. Het is niet te verwonderen, dat de discipelen, toen zij op den berg der verheerlijking aanschouwden, hoede Heere van gedaante veranderde en zijn aangezicht blonk als de zon, terwijl zijne kleederen wit werden als het licht, begeerden daar te blijven. Het is geen wonder dat Petrus zeide: Heere, het is goed, dat wij hier zijn; zoo Gij wilt, laat ons hier drie tabernakelen maken. H«t is geen wonder, dat hij dat gezicht wilde behouden, dat hij blijvend wilde genieten van de schoone en wondere dingen, die hem daar geopenbaard werden. En zoo is het ook geen wonder, dat Gods kind wil blijven genieten van de heerlijkheid, die hij ervaart in de eerste ontmoeting met den Redder zijner ziel, dat het wil blijven smaken van die eerste machtige liefde van Christus, die haar levenwekkende glansen heeft uitgegoten over den akker der ziel, nadat zij zoolang was gehuld geweest in den nacht van verlorenheid en in de nevelen eener vreeze, die maar niet scheen te zullen wijken. Ja, het ia een groot goed, dat in vergeving der zonden wordt ontvangen, een wonder zielservaren, als de vrijheid daagde over wie neerlag in boeien des doods. En het is een ongekende, zalige vreugde, als beleden moet, omdat het niet meer kan worden gezwegen: „éen ding weet ik; dat ik blind was, maar nu zie." Daar zou Gods kind willen blijven. Het voelt zich als een ander mensh, als een nieuw mensch.
Het ziet de gansche wereld als met andere oogen aan. De dingen dezer wereld, zij worden alle zoo gansch ander». Zij verschijnen in een ander licht. Zij staan zoo anders gekleurd. En hij zou daarin duurzaam willen zijn. De heerlijkheid blijvend willen genieten, die liefde als een kostbaar kleinood altijd willen voelen gloeien in aijne ziel met even teederen gloed. Het is er mede als met een reiziger, wiens oog geboeid wordt door het schoone panorama, dat zieh daar voor hem onthult Hij zwijgt en bewondert, ontroerd door de toovermacht van het schoone. Hij heeft een innerlijk welbehagen in die streeling van zijn schoonheidsgevoel en hij zou er willen blijven. Hij kan er niet van scheiden. Maar ziet, de zonne daalt, hare glansen vervloeien in de diepten der hemelspheeren en de nevelen van de avondstonde omzwachtelen het tafereel vol aangrijpende schoonheid van daareven. Het onttrekt zich aan het oog Langjiaam maar zeker sterft het als weg en weldra is niets gebleven dan de herinnering aan die ure van zalig genieten van het schoone in Gods schepping, dat zoo machtig de majesteit des Scheppers vertolkt. Het beeld verdnkt, slechts de onvergetelijke herinnering blijft.
Zoo is het ook met die eerste machtige, heerlijke ervaring der in het bewuutzijn zich tot klaarheid verheffende liefde van Christus. Voor Gods kind is zij de wondere openbaring dier lang begeerde genade, de eindelijke zekerheid, waarnaar de ziel dorstte. Christus wordt aanschouwd, ontmoet, ontvangen, zooals Hij zich in zijne reddende macht aan de zondaarsziel geeft. Het licht schijnt in de duisternis, het leven straalt zijne bezieling uit in den dood, de Levensvorst wordt ontvangen met al den rijkdom zijner schatten en gaven voor een arm verloren zondaar. Daarin is een weelde voor de moe-gestreden liel, die des te meer bekoort, des te inniger verblgdt, omdat zij zoo langen tijd in armoede moest verkeeren. Daarom, dat eerste tien op J«itus, die eerste volle teuge uit de fontein des levens, die eerste ruime bete van het brood, dat uit den hemel is, baart zulk een onvergetelijke blgdschap, dat Gods kind er zijn gansche verdere leven op terugziet. Hij zou het willen vasthouden, daar willen blijven in het licht, maar helaas, na langer of korter spanne tijds wordt ook die zonne weer onderschept. Ook uit die eerste liefdesweelde groeit het leven van Gods kind uit. De rijkdom mindert, de hooge stand van den barometer des levens daalt. Bij den een langzamer, bij den ander sneller, maar bij geen van Gods kinderen blijft het immer op dezelfde hoogte. Ook in dit opzicht is er rgke verscheidenheid en is de weg van den een verschillend van den van dieu des anderen, maar gelijk blijft nooit iemands leven. En hij, die altijd juichen kan en altijd jubelt en altijd wandelt in het licht, heeft oorzake tot veelvuldig zelfonderzoek. Doode namaak moge zichzelf gelijk blijven, het echte leven nooit. En zoo is het dan ook in het leven van Gods kinderen, de verdorring die schijnt in te treden. De litfde schijnt te verkouden, de liefde der wereld komt weder op. De gloed van de nieuwheid gaat er af en die zich bevrgd achtte van al de boeien en zich in de ruimte verheugde, zag het alles weer verouden, voelde rich opnieuw weer beklemd. Afdwaling na afdwaling werd bij zichzelven waargenomen. De conscientie] spreekt weder. Klacht na klacht komt op, zucht na zucht wordt geslaakt, de donkerheid onderschept het licht, droefenis de vreugde en diezelfde mensch, die nog voor kort spreken kon van groote en heerlijke dingen, ziet zich alle vrijmoedigheid benomen. Zijn klaagzang weerklinkt van het schaap, dat onbedacht zijn herder heeft verloren. Ja, het kan nog verder gaan. Ook de klaagsang kan zwijgen, ook de zucht kan versterven, zelfs het gebed kan ophouden. Het wordt alles weerloos en koud daarbinnen. Biddeloos en liefdeloos en doodig gaat het dan voort over het pad. De wereld doet haar macht tige invloeden opnieuw gelden. Zij schijnt weder heerschappg te voeren, zoodat de vraag kan opkomen, of al wat daar geschied is geen gdele inbeelding was, of het geen dwaasheid kan geweest zijn, die deed roemen op een goed, dat toch niet van God verkregen werd, of het geen misleiding van booze macht was om te voeren tot verderf. En dan blijkt het maar al te diki? ijls, dat diezelfde mensch, die zich zoo koesteren mocht in den teederen gloed ran Gods wondere zondaarsliefde en die ran zulke schoone en heerlijke dingen kou spreken, dit alles verlieft en armer wordt dan hij ooit te voren wa».. Hij ligt weer ter aard^, durft zelfs de oogen niet opslaan, durft geen woord meer getuigen, schuilt weder weg in zijne vreeze voor dat groote en vreeselijke zelfbedrog, waaraan hij zich schnldig maakte. Wat is er uu gebleven van al die heerlijkheid? Slechte de herinnering, die dea te pijnlijker drukt, omdat het heden er zoo schril tegen afsteekt en die alleen slechts de klacht ontwringen kan: het was mij eertijds beter dan nu.
Maar ook daarbg blijft het niet. Uit allerlei kleine en grootere gaven wordt die mensch er zich van bewust, dat het toch niet alles inbeelding was. De hope herleeft, het gebed herleeft, de vreeze dringt terug. Er komt weer licht door de wolken en weder wordt de blijdschap levendig en zoo komt dan op de strijd, waarin vallen en opstaan, donker en licht elkander afwisselen, waarin geen dag den anderen gelijk is en waarvan alleen gezegd kan worden, dat Goda kind er altijd door wordt onderwezen in de waarheid, die eens de Dooper sprak: Hij moet wassen en ik moet minder worden.
Maar de vraag, die zich hier nu voor ons stelt, is deze, wat is nu onder dat altijd wisselende geestelijke leven de inwoning en inwerking van Gods Heiligen Geest. Des Heeren Woord spreekt van Gods kinderen als van tempelen des Heiligen Geestes, van een inwonen, van een in blij ven van dien Geest, , zelfs van eeuwig bij ons blijven, tervajl Gods kind zoovele dagen kent, waarin het wel speurt van den geest der wereld, wel staat voor de vreeselijke werkingen van een boozen geest, wel terugschrikt van wat eigen geest kan uitwerken, maar waarin het nooit iets bemerkt van dien goddelijke Geest, die het leven schept en de bloemen zaait en de druifjes doet uitbptten. Er zijn zoovele tijden, waarin zij er niet aan zouden durven denken, dat de Heilige Geest zou wonen in zulk een hart, zou blijven in zulk een gemoed als zij omdragen. Zij werpen het woord der Schriften, dat van die eeuwige inwoning des Geestes spreekt verre van zich en zij zouden nog eer geheel hnn kindschap Gods ontkennen en alles wat er ooit aan hen geschied is, dan dat zij zouden durveabelijden, dat Hij, de Heilige Geest, waarachtig en eeuwig God met den Vader en den Zoon, in hun hart woning had. Zij kunnen het niet gelooven, want als Hij er was, zouden zij dan niet anders zijn, geen andere vruchten des levens bij zichzelven waarnemen? Hoe zou het kunnen zijn, dat de Trooster er was, terwgl zij allen troost moeten missen?
En toch het is zoo. Hoe wonderbaar, hoe ongelooflijk, hoe onbegrijpelijk het ook schgnen moge, dat in zulk een mensch de Geest des Heeren woont. Hij is er toch. Hij iï er met de volle kracht zijner goddelijke mogendheid. Hij doet het werk, dat Vader en Zoon, Hem te doen gegeven hebben. Hij doet het en zoo goed, dat de belofte vervuld wordt, dat niet één dier kleinen verloren gaat. En in de laatste uitkomst wordt het dan ook gezien, dat de Heere al het ongeloof zijner kinderen beschaamd maakt, dat Hij zijn Woord, zijne toezegging vervult en dat onder, in ©n door die wisseling des levens de Heilige Geest Gods kinderen in stand bield door de verborgen kracht, waarmede Hij hun levsn sterkt, door de wonderbare spijze, die Hij hun toereikt, door de aanblazing der levensvlam, die Hij niet sterven liet. Hij sterkt bun leven. En dat alles, opdat zij eenmaal met met de heiligen Gods ook Hem de lof en de eere en de heerlijkheid toebrengen zullen, omdat Hij het was, die met de Bruid gezegd heeft: Kom en die dorst heeft, kome en die wil, neme het water des levens om niet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's