Staat en Maatschappij.
Het afgewezen verzoek.
In de vergadering van de Tweede Kamer van 17 Februari bracht de heer Rutgers de afwijzing van het verzoek van Prof. Dr. H. Visscher ter sprake, om nevens zijn ambt een benoeming van buitengewoon hoogleeraar te aanvaarden.
Mr. Rutgers zeide daarover: Ik wensch een enkele opmerking te maken naar aanleiding van hetgeen in de Memorie van Antwoord te lezen staat betreffende bijzondere leerstoelen, meer bepaaldelijk betreffende de afwijzing van het verzoek van een hoogleeraar aan de rijksuniversiteit te Utrecht, om nevens zijn ambt als hoogleeraar aan deze universiteit te mogen aanvaarden een benoeming tot bijzonder hoogleeraar vanwege den Gereformeerden Bond tot verbreiding en verdediging van de waarheid in de Ned. Herv. (Gereformeerde) Kerk.
De gronden waarop die weigering is gemotiveerd, hebben mij zeer leed gedaan.
De gronden zijn deze: „Overwegende dat art. 12 van het Reglement voor de oprichting van bijzondere leerstoelen, (vanwege genoemden Bond) bepaalt: „Het onderwijs van de hoogleeraren moet geschieden in overeenstemming met art. 4 der statuten van den Gereformeerden Bond" en art. 13. „Bij afwijking van art. 4 van de statuten van den Gereformeerden Bond voornoemd, zal het bestuur, in overeenstemming met art. 9 van het Reglement, den hoogleeraar in overweging geven zelf ontslag aan te vragen en bij weigering hem ontslaan".
Overwegende, dat dientengevolge het voortdurend genot der bezoldiging als bijzonder hoogleeraar afhankelijk is van het oordeel van het bestuur der vereeniging over de toelaatbaarheid der leeringen, welke hij verkondigt. O ? er wegende dat de hoogleeraar, die voor hetzelfde of een aanverwant vak aan de universiteit als hoogleeraar is aangesteld, gevaar loopt ten opzichte van het hem van Regeeringswege opgedragen onderwijs zijn voor het universitair onderwijs onmisbare zelfstandigheid in te boeten".
Ik zou willen vragen: hebben onze Nederlandsche hoogleeraren een dergelijke bejegening verdiend? Er wordt hier te kennen gegeven, dat als een boogleeraar op den voet als daar omschreven is een bijzonderen leerstoel aanvaardt, hij zoo al niet actueel, dan toch virtueel zijn opinie heeft verkocht. Er wordt hier speciaal van bezoldiging gesproken. Er wordt gezegd: wanneer een bezoldiging verbonden is aan een dergelijke voorwaarde, bestaat het gevaar, dat de zelfstandigheid verloren gaat en nu zou ik willen vragen: ia er aanleiding om deze vrees te koesteren, dat een man die waardig gekeurd wordt een leerstoel aan onze universiteiten te bekleeden, zijn zelfstandigheid zou inboeten, wanneer aan het verkondigen van een bepaalde opinie financieel nadeel zou zijn verbonden? Ik geloof, dat er voor een wetenschappelijk man aan h«t hebben en het uiten van een bepaalde opinie wel grootere Dagdeelen verbonden zijn dan financieele, dat iets meer dan enkel bezoldiging afhangt van het voorstaan en verkondigen van een bepaalde overtuiging. Maar ik geloof niet, dat er tot nu toe feiten bekend zijn, die de vrees motiveeren, dat stoffelijk voordeel de wetenschappelijke zplfstandigheid zou doen verloren gaan. Ik geloof, dat die vrees niet gegrond is en bepaal delijk ook moet worden aangeduid als eenigermate te zijn een aantasting van het wetenschappelijk karakter, van de zedelijke waarde van de personen, ten opzichte van wie die vrees wordt geuit. Wanneer men zegt: kijk eens, gij moogt niet in een positie komen, waarin een bezoldiging afhangt van het voorstaan van een bepaalde overtuiging, dan moeten wij tevens aannemen, dat zoo iemand in staat is een bepaalde overtuiging aan te nemen of te behouden alleen om financieele redenen. En ik geloof dat dat toch een onverdiende bejegening is, die geen steun vindt in de geschiedenis van de Nederlandsche wetenschap.
De Minister voegt mij toe, dat dat in de Nederlandsche wetenschap nog niet is voorgekomen, maar dat moet ik ten stelligste betwisten. Het zal hem toch niet onbekend zijn, dat een hoogleeraar aan de Vrije Universiteit naar aanleiding van een conflict als hier gevreesd wordt, opgehouden heeit hoogleeraar te zijn. Maar wat daarbij nooit ter sprake is gekomen is de vrees, dat een hoogleeraar om financieele voor-of nadeelen een andere meening zou gaan verkondigen dan hij werkelijk heeft. Het is juist met het oog op de Vrije Universiteit, dat ik naar aanleiding van deze passage het woord gevraagd heb, omdat de positie waarvan de Minister vreest, dat zij de zelfstandigheid van het universitair onderwijs in gevaar brengt, de positie is, waarin de hoogleeraar aan de Vrije Universiteit verkeert.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 december 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 december 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's