Uit het kerkelijk leven.
Kerk en Volk.
De Gemeente des Heeren, de Kerk van onzen Heere Jezus Christus, heeft op aarde een dubbele, hoege roeping, waarin de aloude Gereformeerde Kerk in dezen lande dubbel tekort schiet en schuldig staat.
De Kerk heeft allereerst zichzelf te zijn.
Niet van zichzelf. Want ze is des Heeren.
Maar zichzelf. Dat wil zeggen: ze moet karakter hebben, een eigen karakter; men moet aan haar kunnen zien dat ze leeft en dat ze een eigen leven heeft, dat ze Kerlc is, d. i. het huis des Heeren.
Zij heeft dus de Gemeeote van Christus te zijn, die den naam des Heeren belijdt en de Woorden Gods bewaart; die opwast in de kennis en iu de genade des Heeren.
Daarom heeft de Kerk van Christus in eigen kring het Woord en de Sacramenten te bedienen, zooals de Heere haar dat gaf, toebetrouwde en beval.
Zij heeft het zaad des Verbonds te kweeken naar Zijn Woord; de gemeenschap der heiligen te sterken; alle leugenen dwaalleer tegen te staan en alle vijanden te bestrijden; fcij heeft Gods Naam nit te dragen naar allen kant en christelijke barmhartigheid te betoonen aan ieder, allermeest en allereerst aan de huisgenooten des geloofs.
Zóo heeft de Gemeente des Heeren een eigen leven, een eigen karakter, een eigen taak, haar van den Heere geschonken en bewaard. «
Om zoo bezig te zijn met haar eigen opbouw, haar eigen verzorging, haar eigen stichting.
Oiü dê, n ook haar taak naar buiten te vervullen.
Want de Gemeente des Heeren zijnde, aan welke de woorden Gods zijn toebetrouwd, heeft zij in het midden der wereld te zijn een stad op een berg, het zout der aarde, het licht der wereld.
Zij heeft het Woord des Heeren te bewaren, om naar buiten het Evangelie te prediken ia het midden van een krom en verdraaid geslacht, ja, aan alle volkeren, hoe vér zij ook op aarde wonen.
In het midden des volks, waar de Gemeente Gods woont, mag zij niet zwijgen, maar zij moet alom het getuigenis Gods doen hooren, de deugden des Heeren verkondigen, de wegen des Heeren leeren en in de woeling der tijden behoudenis zoeken voor wat dreigt te verdwalen en te verzinken.
Een hóoge roeping heeft de Kerk des Heeren ten opzichte van zichzelf, van eigen leven, van eigen bestaan, van eigen gaan.
Zij moet zichzelf zijn en zichzelf blijven. Zij mag zich niet stellen onder de hand van anderen dan alleen onder de leiding van haar fleer en Koning, Jezus Christus.
Zij mag zich niet inrichten dan naar Zijn Woord, om zich te legeren in de groene weiden van Zijn waarheid, als schapen die de stemme des Herders kennen en Hem overal volgen waar Hij henen gaat.
Om dê, a ook den name des Heeren te belijden naar buiten, alles op te eiscben voor 8iona Koniug, overal te spreken van de woorden des eeuwigen levens en alom te prijzen de wegen des Heeren, die goed en recht zijn.
Het een hangt met het ander samen. Men spreekt in onzen tijd van nationale beroering, van sociale ellende, van algemeenen afval, van schrikkelijke inzinking op alle gebied, van de roeping der Kerk.
En zeker, zij heeft te zijn eene getuige van Jezus Christus, het zout der aarde, een licht op den kandelaar.
Maar als dan de Kerk zichzelf niet is; als zij nu des Heeren niet is; als zij nu haar eigen karakter verloor; als zij nu haar heilig leven zag kwijnen — om des menscheu te worden, naar menschen zich te voegen, des menschen brood te eten en des menschen woord te spreken?
Als de stad Gods een stad van verwarring werd, welke zelve niet weet wat taal er gesproken moet worden on wat wegen moeten worden bewandeld?
Zal in de sociale en nationale beroering en bij . den algemeenen afval en droeve inzinking op elk terrein des levens een verward-levende en verward-sprekende Kerk iets tot stichting, tot leering, tot leiding, tot sterking kunnen doen?
Immers neen!
En daarom, verstaan we niet, dat men niet voelt, dat óok om de wille van het volksleven het herstel van de vervallene muren van de Ned. Herv. (Geref.) Kerk zoo noodig is.
Immers zal de Kerk des Heeren in dezen lande — naar Gods Naam genoemd, gelijk zij door Gods band werd geplant — weer terug moeten keeren tot God en Zijn Woord in beslistheid van belijdenis, in samenbinding naar de eenheid des geloofs en in geestelijke vernieuwing van kracht tot ontsluiting van het Woord Gods, bij 't gebruik der heilige sacramenten.
Dat moet het doel zijn, dat ons voor oogen staat.
We mogen die Kerk niet verlaten.
We mogen die Kerk niet ontbinden.
We mogen die Kerk niet laten voortsukkelen te midden van allerlei dwaling, gruwel en ongehoorzaamheid.
Maar we moeten daar ons harte op leeren zetten, dat, waar de zonde roept tot den hemel, het gebed der rechtvaardigen vereend en versterkt geduriglijk opklimme naar den hemel, met Daniël roepende: „En nu, o Heere, onze God!| die uw volk uit Egypteland uitgevoerd • hebt, met eene sterke hand en hebt U een naam gemaakt, gelgk hij is te dezen dage; wij hebben gezondigd, wij zijn d goddeloos geweest. O Heere! naar al uwe gerechtigheden, laat toch uwen toorn en v uwe grimmigheid afgekeerd worden van uwe stad Jeruzalem, uwen heiligen berg; want om onzer zonden wil en om onzer vaderen ongerechtigheden, zijn Jeruzalem en het volk tot versmaadh«id bij allen, die rondom ons zijn.
En nu, o onze God! hoor naar het gebed uws knechts, en naar zijne smee. kingen; en doe uw aangezicht lichten over uw heiligdom, dat verwoest is; om des Heeren wil.
Neig uw oor, mijn God! en hoor, doe uwe oogen op en zie onze verwoestingen, en de stad, die naar uwen naam genoemd is; want wij werpen onze smeekingen voor uw aangezicht niet neder op onze gerechtighaden, maar op uwe barmhartigheden, die groot zijn" (Dan. 9.)
In dien weg zal het moeten.
Met schuld belijden. Met spreken van der vaderen ongerechtigheden en der kinderen zonde. Met zien en erkennen van de verwoestingen en van den val. Met pleiten op Gods genade, trouw en liefde. Met geloovig vasthouden aan den Onzienlijke, Hem kennend als den Oversten leidsman en Voleinder des geloofs. Met hope op de toekomst die des Heeren is. Met aflaten van onze zonden en loslaten van de kwade paden.
Wij kunnen ons maar niet begrijpen hoe zoo véle meiischen. Gereformeerde menschen, zoo gemakkelijk zich kunnen onttrekken aan de Kerk, die naar Gods naam genoemd is en door Gods hand geplant, maar door der vaderen ongerechtigheden en door der kinderen zonden zoo grootelijks in verval raakte.
Heeft men dan geen deel aan die zonde ?
Wil men geen deel hebben in de smaadheid ?
Wil men geen deel hebben in den strijd ?
Dan zal men óok geen deel hebben in de overwinning, die des Heeren is.
Dan zal men óok moeten missen het deel van den buit.
En dat zien we nu reeds. Want ja, men heeft zich een Kerk gemaakt op eigen terrein, zich onttrekkend aan de Kerk des Heeren in dezen lande, die in zeer vervallen staat verkeert van wege hare zonden en van wege de straffen en de oordeelen Gods.
En men kan niet zeggen, dat de gescheidene Kerken niet fortuinlijk zijn geweest onder krachtige leiding en bij goede organisatie over héél het land.
Maar het laat zich hoe langer hoe meer aanzien, dat de gescheidene Kerken toch niet zijn — en ook niet kunnen zijn — wat ze moesten zijn.
Ze staan veel te veel buiten het volksleven. En die zich van hen met het volk bemoeien, moeien zich hoe langer hoe naeer naar het volk voegen, zoodat er dan niet meer ddt o-nrlerscbeid is tusselien de Kerk en de wereld, gelijk dat noodwendig moest wezen.
Maar waarom bleef men ook niet op het Vaderlijk erfdeel, om ddar mee te lijden, mee te strijden, mee te bidden, mee te werken — om, door God gezegend, straks ook mee te deelen in den heerlijken buit, dat een rebelleerende gemeente weer des Heeren is geworden en een volk van afwijking zich weer voegt in 's Heeren wegen, waarbij de hateren zullen verstrooid worden en de vijanden zich geveinsdelij k zullen onderwerpen?
Hoe dat zal geschieden?
Och — laat ons daarbij heel klein van ons zelf denken, maar heel groot van onzen God.
Dé, n komt het wel.
Laat ons niet jagen naar succes; dat maakt óns groot; maar dat doet ons God kwijt raken.
Laat ons staan naar den zegen des Heeren en naar Zijne genade — dat doet ons hoe langer hoe meer afzien van ons zelf en dat doet ons dichter bij den Heere schuilen. Waarbij de Heere altijd zóo geeft, dat Hij een verrassend God mag worden genoemd, die mildelijk geeft en niet verwijt.
En waarbij Hij de kunst verstaat om zóo te geven, dat we nog eens terugkomen bij Hem om wat te vragen!
Want Hij wil niet van Zijn volk af wezen, zooals wij wel van een bedelaar af willen komen en hem daarom een cent geven. De Heere wil alles voor Zijn volk zijn en zegt: „Wentel uwen weg op Mij en Ik zal het maken."
Hoe?
. Ja, dat weten we niet.
Maar als de Heere het redeloos gedierte wist te gebruiken om de ark weer terug te brengen in het midden Zijns volks, toen deze om der zonde wil, door de Filistijnen was meegevoerd, och, dan weet de Heere ook in ónzen tijd wel een weg te vinden, om het huis, dat naar Zijn naam genoemd is, te herstellen en weer op te bouwen.
Of zou des Heeren arm verkort zqn?
Zouden de heidenen mogen zeggen, dat Hij Zijn volk niet kan verlossen. Zijn kerk niet kan bevrijden?
Immers neen!
En dèa zal er weereen zegen afdruppen van de Kerk des Heeren in dezen lande over het nationale, over het sociale leven der natie; er zal zegening van uitgaan tot in de verste landen, waar heidenen wonen in duisternis en schaduwen des doods.
Ook om de wille van het nationale, van het sociale leven onzes volks vragen we om herstel van de Ned. Herv. (Geref.) Kerk; dat zij mag wederkeeren tot God en Zijn Woord, in beslistheid van belijdenis ; in samenbinding, naar d« eenheid des geloofs, met allen die den name des Heeren oprecht belijden; in geestelijke vernieuwing van kracht — om Gods Woord te ontsluiten en Gods Waarheid uit te dragen over elk terrein des levens.
De grootste ramp voor ons Vaderland is de depressie, de inzinking, de verwarring, de zondige verwarring en schrikkelijke verwoesting op het erf der aloude Gereformeerde Kerk.
Want niet alleen dat heele streken van ons Vaderland door het modernisme verwoest zijn en overgegeven aan allerlei zondebedrij f, onverschilligheid, ellende en jammer.
Maar door héél de Kerk heen is die verwarring, dat de Kerk niet meer zich zelf is, geen eigen karakter heeft, geen eigen leven leeft — maar luk raak heen en weer gaat om van alles te proeven, over alles te spreken en niets te doen — dan verwarring stichten.
Het is een wZ/fsramp geweest toen men de Nederlandsche Kerk der Reformatie in 1816 gemuilkorfd heeft en in boeien heeft geslagen. Toen men haar belijdenis heeft vastgelegd en krachteloos gemaakt door allerlei dwaze, zondige bepalingen en omichry vingen. Toen men geloof en ongeloof, waarheid en leugen ging gelijk stellen in de Kerk des Heeren, — welke alleen te vragen heeft naar Gods Woord en zich te bewegen heeft iu Gods wegen.
Der natie is onnoemelijke schade berokkend door die hooghartige, , dwase, zondige, der waarheid vijandige daad, op Kerkelijk erf bedreven, ouder leiding van een van de Oranje-vorsten.
Heeft Prins Willem — ook dé-arin een Vader des Vaderlands zijnde —geijverd voor de vrijheid der gereformeerde Waarheid en de zelfstandigheid der Gereformeerde Kerk; heeft Prins Maurits bij de twisten tusschen Remonstranten en Gereformeerden het zwaard in de weegschaal geworpen ten voordeele van de laatsten, daarin een zegen brengend over het volk — niet alzoo is het geweest in 1816.
Jammerlijk moment in de historie van Kerk en Vaderland!
Tijdens zijn ballingschap had de Oranjevorst kennis gemaakt met de bisschoppelijke Kerk in Engeland en met de Luthersche consistoriale Kerk in Duitschland. En waar door den invloed der revolutie alles gansch verward lag, ook op Kerkelijk terrein, daar heeft toen de Oranjevorst, Koning Willem I, — minder Staatsman dan Administrateur, die iu de liberale richting Zijner staatkunde niet veel tegenstand vond — het aangedurfd, om, niet de bestaande Kerkelijke vergaderingen te helpen en de Kerk in haar eigen element te laten en haar te steunen, maar, met een geest van centralisatie vervuld, de Kerk des Heeren in dezen lande van haar karakter te berooven en haar te klinken in een synodaal-dwangbuis, dat den dood zou worden voor het gezonde, krachtige leven van het lichaam des Heeren, welks hoofd de verheerlijkte Koning in den hemel is en welks schat is Gods dierbaar en eeuwig-biijvend Woord.
Regeeren met administreeren verwarrend heeft deze nazaat van den Vader des Vaderlands de Kerk des Heeren in dezen lande een slag toegebracht, die ontzettend is geweent, waarin een volksramp besloten lag.
De Kerk des Heeren is gemaakt tot een genootschap; tot een Vereeniging van elk wat wils.
En dat is geichied op ongrondwettige wijze. Waarin zeer zeker in 1852 een groote wijaiging is gekomen, toen de Kerk weer aan zichzelf werd teruggegeven — maar onder regime van de Synodale organisatie, zijnde nu een gevangene onder de hand van den cipier, door den Koning aangesteld; welke cipier, tot eere gekomen, zijn tyranniek karakter hoe langs hoemeer heeft geopenbaard op on verdragelij ke, stootende, ergelijke wijze.
De Kerk is niet zichzelf. De Kerk leeft niet haar eigen leven, zich voegend naar Gods wonder-wijze en lief derijk-zegenende ordinantiën.
En daar ondervindt héél het volk onnoemelijke schade van.
De rampen over de Kerk gekomen, zijn volksrampen.
En neen, de verlossing is niet gekomen in 1834, met de Afscheiding.
En ook is zij niet gekomen in 1886, met de doleantie.
Dat zijn zij-sprongen geweest, die bij den toets van Gods Woord niet kunnen bestaan, hoewel er zeer veel aannemelijke dingen voor kunnen worden aangevoerd.
Men heeft het zich in moeilijke wegen te gemakkelijk gemaakt. En men heeft te veel geredeneerd, te veel berekend, te veel geconcludeerd, te veel bewezen, te veel — gezien op de dingen die tegenwoordig waren, niet achtende de toekomende dingen; te veel gezien op de aichtbare dingen, niet vasthoudende den Onzichtbare; te veel gezegd: „het is onmogelijk", niet luisterend naar Hem, die zegt „wat bij de menschen onmogelijk is, dat is mogelijk bij God".
En ja, men is uitgegaan, niet zelden nu smadelijke dingen vertellend van de moeder, die ons gebaard heeft; niet zelden met kwalijk ingehouden leed-vermaak uitmetende de jammerlijke toestanden in de Kerk, die zich als Kerk des Heeren niet openbaart in het midden des volks.
Maar waarom is er niet méér het gevoelen van Daniël, die leed om de verwoestinge van de stad, die naar's Heeren naam genoemd was, bekennende: 't is om der Vaderen overtredingen en om der kinderen zonden? Om dan te pleiten, niet op ónze gerechtigheden, maar de gebeden en smeekingen werpend op de barmhartigheden des Heeren, die groot zijn?
Indien er sê-am een krachtig gebed was opgezonden naar omhoog en sè, am een krachtig protest was uitgegaan rondom en eè-am een kloeken strijd was aangebonden overal — zeker 1 dan zou er veel strijds gestreden, veel kruis en leeds ge leden, een nauwe weg betreden en veel gebeds gebeden zijn geworden, maar is de Heere niet de Almachtige, die maar te spreken heeft en de Genadige, die Zijns Verbonds gestadig gedenkt en de Getrouwe, die weet te dekken onder Zijne vleugelen en weet te redden van den dood?
Wanneer men allerwege gevoeld en gezien en ervaren had, dat er — laat het dan een kleine schare van getrouweu zijn geweest — dat er voortdurend een krachtig gebed opging en een krachtig protest uitging en een krachtige stiijd doorging, waarbij allen die den name des Heeren in oprechtheid beieden één waren in geloof en liefde, zou er dan geen kracht zijn uitgegaan op de erve onzer vaderen, in het midden van 's Heeren huis, op het terrein van Gods Kerk, waarbij de verhoogde Koning zich mocht komen openbaren als Degene die den kop van Satan heeft vermorzeld?
Hoe?
Wij wijzen nog eens op de zogende koeien uit het land der Filistijnen, die de arke dts Heeren weer terug moesten brengen naar het heilige land in het midden van het volk, waarvan de Heere gezegd had: hier wil Ik wonen.
Een volksramp is het geworden de ramp van Gods Kerk in dezen lande.
En om de wille des volks zullen wij weer hebben te staan naar het herstel van het huis, dat in dezen lande naar 's Heeren naam genoemd is.
Ons volk gaat verloren omdat het geen kennis heeft.
En zal nu de Kerk des Heeren geknecht blijven, om zich te bukken onder de band van den geweldigen verdrukker, die haar berooft van haar vrijheid, die haar verhindert naar 's Heeren Woord te spreken, in 's Heeren wegen te wandelen en 's Heeren waarheid uit te dragen naar alle kant?
Om de wille van ons volk zeggen wij met allen ernst: laat men toch alles doen wat mogelijk is, om de Kerk des Heeren weer te herstellen en haar weer te doen staan op haar eigen fundament, ^dat van God gelegd is, opdat zij weer onder 's Heeren heerschappij leve en onder Zijne leiding naar Zijn Woord wandele, zijnde een stad op een berg, een licht op den kandelaar.
Nu is het zout smakeloos geworden. Maar wij werpen het niet weg, omdat de Heere het nog niet wegwierp.
Wij vertreden het niet onder onzen voet, omdat God het nog niet vertrad.
Waarbij wij ons hebben te wachten, dat we de zonde niet doen en de ongerechtige dingen dienen in het midden der Kerk.
Principieel, welbewust, met alles wat in ons is staan we tegenover Afscheiding en Doleantie.
Wij staan hier naast Daniël, den mystiek aangelegden Godsman, die den verborgen omgang met God kende en met den Heere worstelde om de wille van de stad Gods, om de wille van den tempel, om de wille van Sion; belijdende de zonden en pleitende op des Heeren barmhartigden, die groot zijn.
Geen afscheiding; geen doleantie.
Maar ook geen flauwhartigheid, in lui niets-doen zich openbarend.
Veeleer moeten we er met allen ernst naar staan, om in de Kerk tot grooter geestelijke kracht en inniger eenheid en saambinding te kómen, opdat we inden middellijken weg mogen doen wat de Heere ons geeft te doen, opdat de Kerk weer zichzelf worde, vrijgemaakt van alle knellende banden, levende bij het Woord Gods, dat haar werd toebetrouwd, om ook bekwaamd te worden voor haar roeping naar buiten.
Om de Kerk zelve én om de wille van het volk hebben we dus den strijd te aanvaarden tegen alles wat iu het midden van de Nederlandsche Kerk der Reformatie niet is naar Gods Woord. En wanneer de Herv. (Geref.) Kerk zich weer onder de heerschappij mocht gaan stellen van haren eenigen Koning, om te leven overeenkomsttg Gods Woord, met veroordeeling en verwerping van alles wat niet is overeenkomstig de Goddelijke waarheid, dan zal niet langer de geest van het volk — in zijn veelheid van gelooven en niet gelooven, van belijden en loochenen — over haar heerschen, om haar te maken tot een vereeniging van elk wat wils en een genootschap, dat tegen zichzelf verdeeld is — maar dan zal de Geest des Heeren in haar werken, om haar te maken tot een getrouwe getuige Ohristi, krachtig door innerlijke levenssterkte.
En geen reglementair, futloos genootschap meer zijnde, waar geloof en ongeloof van gelijke waarde is en de leugen met de waarheid spreken van gelijke rechten _-maar de Kerk des Heeren zijnde, met beslistheid van belijdenis, getrouwheid bij de Sacramenten, handhaving der Christelijke lucht, sameubinding naar de eenheid des geloofs en sterk door geestelijke vernieuwing van kracht, zal zij het Woord Gods ontsluiten voor gansch het volk voor gansch het breede leven. En zij zal staan in het midden van de woelingen van het nationaleen sociale leven, om mede te werken tot de verdieping van het geestelijk leven der massa, worstelend met heiligen moed, om de volksaiel weer te brengen onder het licht van Gods Waarheid, die tot alle dingen nut is, een iegelijk die gelooft; hebbende beloften voor het tijdelijk en voor het toekomend leven.
Werpt u dan neder in deze worsteling, om de Kerk hernieuwd te zien en volk en Vaderland te dienen met zegening voor het tijdelijk en eeuwig leven.
De Nederlandsche Kerk der Reformatie met haar gereformeerde belijdenis, doch geknecht in slaafsche banden, moet tot bewustzijn van zonde en schuld komen, om, ziende op den Heere, op te staan uit hare zondige wegen en terug te keeren tot het pad van Gods waarheid, dat vroolijkheid en licht geeft aan allen die op den Heere hopen en Zijner stemme gehoorzaam zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 december 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 december 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's