Stichtelijke overdenking.
En deze, te dierzelver ure daarbij komende, heeft insgelijks den Heere beleden. Luk. 2:38.
„Insgelijks beleden".
„Komt, koopt en eet"; met heiligen aandrang wordt zoo den armen het Evangelie verkondigd; om warme belangstelling, innige begeerte en diepe behoefte te wekken, is 't den profeet te doen, als zijn roepstem uitgaat tot „alle dorstigen", tot al wie „geen geld" heeft. ,
' Komt; de volle aandacht der ziele worde gericht op den schat des hesrls, die in Christus is;
Koopt; de begeerte des harten dringe om de hand des geloofs te leggen op den aangeboden schat; En eet; de hartelijke vereeniging kome tot stand met den waren Wijnstok, in Wien de ranken alleen kunnen groeien en bloeien en vrucht dragen I
Tot een getuigenis tegen velen ligt dit noodende woord in 't midden der Christelijke gemeente.
. Talloos velen komen van week tot week naderbij, om met een zekere belangstelling de schatten des Evangelies te bewonderen; niet gaarne zouden ze in openlijken afkeer en drieste verwerping van God en Zijn Woord leven. Zij hooren gaarne van 't Licht dezer wereld, Dat reddend verscheen; niet zonder eerbied luisteren zij toe, als een verhaalt wat God aan zijn ziel heeft gedaan; maar met dat al van koopen komt niets.
Zij vormen 't kijkgrage publiek in 't verkoophuis des evangelies. Zij staan dicht bij de uitgestalde schatten; drentelen om de tafelen heen; nemen nu eens dit, dan weer 'n ander stuk in de handen, maar alles wordt weer neergelegd; niets toegeëigend; ledig komen ze en ledig gaan ze.
Ziedaar het groote euvel der kerk in onze dagen; de klip, waarop zoo menig godsdienstige strandt voor de eeuwigheid; de branding, waarin zoo metiigeen jammerlijk omkomt.
Hoe gansch anders was 't met Anna gesteld, de grijze profetesse, die te Jeruzalem woonde ten tijde dat de Heiland gaan; hij had 't heilig Kindeke geloovig in zijne armen genomen en den lof des Heeren bezongen in vurige woorden, uit "'t hart geweld; en Anna, naderbij komende, heeft insgelijks den Heere beleden.
Deze aandoenlijke stof verdient nadere overdenking.
De Evangelist noemt Anna een profetes. Zij was ééne dier weinige vrouwen, op wie als bij uitzondering het ambt der profetie rustte; als ten bewijze dat de noodzakelijke beperking der profetische gave tot den man slechts een tijdelijke maatregel van Gods Voorzienigheid was; in deze excepties gluurt de hoogere wereld, die komt en waarin noch man noch vrouw is, als 't ware door de sluiers eener tijdelijke bedeeling heen.
'n Profeet was iemand, met meer dan gewone Godskennis begiftigd; 'n man, die God zag, Zijne leidingen speurde in heden, verleden en toekomst, en van Gods wege geroepen, om aan 't volk zijner dagen den vinger Gods te doen opmerken, en 't woord des Heeren te doen hooren. Met den naam van profetes wordt ons Anna dus geteekend als een vrouw, op wie de Geest des Heeren rustte; die diep ingeleid werd in de kennis van Gods Raad en heilgeheim, opdat zij in den kleinen kring dergenen, die de Vertroosting des Heeren wachtende waren, als een echte moeder Israels zou verkeeren, leerend en vermanend, met den moede een troostwoord sprekend te rechter tijd.
De dochter van Fanuel was geen onbekende in Jeruzalem. De adel der godsvrucht sierde haar; haar weelde was een smettelooze levenswandel. Een heihge was zij niet; toch gaf haar bazuin geen onvast geluid. Zij was — wat Paulus noemt een duidelijk leesbare brief van Christus, Die komen zou. Haar godsvrucht dwong eerbied af; laat 't ook onder ons toch bedacht worden, dat God den godvruchtigen wandel Zijner kinderen gebruiken wil om den naaste voor Christus te winnen.
Hoewel tot hoogen ouderdom gekomen — zij telde vier en tachtig jaren, getuigt de Schrift van haar — dat zij niet week uit den tempel, met vasten en bidden, God dienende nacht en dag.
Ten dage van Maleachi smaalden de weerspannigen: 't is tevergeefs God te dienen; wat nuttigheid is het, dat wij Zijne wacht waarnemen? Al wie kwaad doet is goed in de oogen des Heeren.
Misdadige taal, die, hoewel in anderen vorm en met andere woorden, nog gedurig opduikt en zich in onze dagen dikwerf nog siert met 't schijngewaad van hooge rechtzinnigheid.
't Is waar. God is machtig uit den diepsten poel van zonde en ongerechtigheid een zondaar te redden; en daartoe is Hij op kerk en prediking, op onderwijs en andere middelen niet aangewezen; maar wij hebben hier niet in de eerste plaats te vragen wat God zou kunnen, maar wat onze roeping is. En als God in Zijn Woord de wegen aanwijst, waarin Hij zich wil laten vinden, dan toont Hij ons niet de paden der zonde en der verwaarloozing Zijner inzettingen, integendeel, dan zegt Hij: in den weg Mijner geboden is groote loon.
't Ontga onze aandacht niet, de herders, Simeon, Anna, allen, die in den aanvang reeds 't Kindeke Jezus vonden, worden ons geteekend als oprecht volhardende in den weg van 's Heeren inzettingen. Versta mij wel, de genade hun geschonken was geen premie op hun gehoorzaamheid, want ook die is een gave Gods, maar zij hebben acht geslagen op 't woord van den profeet: bereid den weg des Heeren, maak recht in de wildernis een baan voor onzen God.
Dit wordt vaak vergeten.
Bij velen is de weg der middelen in verachting. Van onmiddellijke zielsbedauwing wordt heil verwacht. De Heere zegt: Naakt tot Mij en Ik zal tot u naken I Maar in stee daarvan bedroeft u bij velen een hoovaardige verheffing boven de van God gestelde genademiddelen.
En het resultaat is poover: Zielsverdorring, verstokking zelfs, wijl men zich gemakkelijk gaat gevoelen in wegen van wanorde.
- De God der genade is niet aan de middelen gebonden; toch schrijdt Hij in den regel met Zijne weldaden langs de wegen, door Hem zelf ter ontmoeting aangewezen.
Anna leidde een leven in stille onderwerping aan de inzettingen des Heeren. En zij heeft 't zich niet beklaagd. Want in dien weg vond zij' Hem, Dien hare ziel zoo liefhad.
Hoe gemakkelijk had ze zich om haar hoogen leeftijd verontschuldigd, maar 't was haar zielsinnige begeerte den Christus des Heeren te zien. Zij ging niet slechts om te kijken, dan is men eer afgeschrikt; neen, maar om te koopen en te eten.
Zij week niet uit den tempel, met vasten en bidden. Naarstig kwam zij tot de voorhoven des Heeren; en deze last was haar een lust.
Het vastenligt bij ons onder verdenking. Sinds de practijk in Rome's kerk van het echte vasten een caricatuur heeft gemaakt, ' en de Schrift ons Christus' vernietigend oordeel over de vastende' Pharizeërs heeft bekend gemaakt, smaakt ons 't vasten naar den deesem der werkheiligheid. Wel eenigszins ten onrechte.
Christus zelf spoort daartoe aan, in 't woord, dat dit geslacht (der booze geesten) niet uitvaart dan door vasten en bidden. De Schriftuurlijke idee van 't vasten is wars van alle verdienstelijkheid voor God, en maant tot onthouding van de geneugten der wereld om zoo den weg te efifenen tot den verborgen levensomgang met den Eeuwige. En voor wij hier laatdunkend op neerzien, ware 't goed onszelf eens af te Vragen, of de ver doorgedrongen wereldgelijkvormigheid onzer dagen niet een machtige hinderpaal is - voor 't opwassen in de genade, de vloek van 't leven der gemeente in onze dagen. Een Christen, bij wien er alles door kan, doet denken aan 'n godsdienst, die als 'n oliedrop op de wateren drijft, maar zich daarmede niet vermengt; en is zulk een Christen niet een open stad voor den vijand der ziel?
Dit is voorzeker een teedere aangelegenheid, niet te verwarren met 't raak niet en smaak niet; een iegelijk zij in zijn eigen gemoed verzekerd; maar Anna's voorbeeld leert ons, dat een vasten in Schriftuurlijken zin, met de bede: „Wend, wend mijn oog van de ijdelheden af, " nadrukkelijke aanbeveling verdient tegenover 't mee afdrijven op den stroom, waar de wereld geniet.
Zóó wordt 't zielsverkeer met God beoéfend.
Vasten en bidden; onze Catechismus noemt 't gebed het voornaamste stuk der dankbaarheid, die God van ons vordert: dat geldt hier volkomen, 't Ken Mij in al Uwe wegen, was Anna tot levensdevies, 't Was haar lust met God te rade te gaan in alle ding. In teederen kinderlijken omgang-met den hoogen God, vloot haar leven heen.
Laat U mijn tong en mond Eu 's harten diepste grond Toch welbehagelijk wezen,
't was haar innige beê van dag tot dag.
Dit maakte haar ontvankelijk voor de eeuwige dingen, en verhelderde den blik barer ziele, zoodat zij door de onderwijzing des Heiligen Geestes onmiddellijk j de Vertroosting Israels opmerkte en herkende, toen Maria met 't Kindeke Jezus den, tempel voorhof betrad. Uiterlijke aanwijzing behoefde zij niet; in haar hart sprak een onbedriegelijke stemme: deze is de Beloofde, en met nauw bedwongen ongeduld heeft ze 't oogenblik afgewacht, dat Simeon zwijgt, of ook zij drukt den jonggeborene aan 't hart en belijdt insgelijks den Heere. Nu hebben ook hare oogen des Heeren zaligheid gezien.
Kom, koop en eet, zoo ruischt 't haar door de ziele; en zij koopt; tot welken prijs? tot den prijs van haar vasten en bidden? o neen, maar zonder geld en zonder prijs; zij, arme zondares, neemt door 't geloof de toevlucht tot Hem, van Wien voorzegd was: 't Gekrookte riet zal Hij niet verbreken en de rockende vlaswiek niet uitblusschen. 't Verlorene zal Ik zoeken, 't weggedrevene weerbrengen, 't gebrokene heelen en 't zwakke sterken.
Zoo had Hij 't zelf getuigd.
Insgelijks beleed zij den Heere; zij volgde Simeons voorbeeld, zonder hem na te spreken; met eigen woorden; elk ontvangt een hart en mond om op eigene wijze Gods deugden groot temaken; de wijze verschilt; de woorden verschillen, maar één zijn ze in dien Eéne, en zoo rijst de veelvoudige lof des Heeren, hier bij aanvang, telkens nog onderbroken en gestoord, maar hiernamaals storeloos, en zonder wanklank, eeuwiglijk en altoos.
Den Heere belijden, 'tis Hem te erkennen als den eenigen en algenoegzamen Heiland en Zaligmaker, die een volkomen verlossing aanbrengt voor in nood en dood verloren zondaren.
't Is in 't geloof tot Hem vluchten, voor hem neerknielen, . Hem alles, alles vragen, alles, alles klagen; op Hem zich te verlaten in leven en sterven,
Den Heere belijden, het kan niet zonder dat we op al 't onze den dood schrijven ; al onze eigen gerechtigheid opgeven, en in 't dal Hinnoms werpen; 't alles schade en drek achten om Christus te gewinnen; 't is instemmen met de lofprijzing der Bruid: al wat aan Hem is, is gansch begeerlijk, 't Is in alle droefenis en vervolging 't hulpzoekend oog opheffen tot Hem, Die wind en golven ruste gebiedt; 'tis onder de dreiging van wet en oordeel, vloek en doem, smeekend vluchten, schreiend zuchten tot Hem, Die met Zijn dierbaar bloed voor alle onze zonden volkomen betaald heeft. Die als de Goede Herder Zijn leven voor Zijne schapen heeft gesteld, zoodat niemand Hem er één ook maar rukt uit Zijne hand.
Anna week niet uit den tempel, met vasten en bidden. God dienende dag en nacht; welk een staat van dienst! Wie onzer durft zich met zulk een profetesse meten? En toch, 'tis niet haar liefde, waarop zij moet bouwen; Gode zij dank, 'tis de liefde haars 'Godsl Dat belijdt zij ; zij belijdt niet haar eigen werk, neen, maar den Heere, haren Zaligmaker.
Mijn ziel verheft Gods eer. Mijn geest mag blij den Heer', Mijn Zaligmaker roemen,
Zoo stemt ze met Maria in; o hoe hebben die begenadigde menschenkinderen daar in dien voorhof, begenadigd in dat heilig Kindeken, elkander verstaan; hoe smolten die harten sa& m in de grootmaking van dien Eénel
Nu wordt Anna zich haar profetische roeping ten volle'bewust'; zonder dralen ijlt zij heen, en sprak van, HEM, (niet van haar doorwaakte gebedsnachten) tot allen, die de verlossing in Jeruzalem verwachten.
De genade is mededeelzaam.
Van Hem, in Wien haar ziele een , onwrikbaar rustpunt heeft gevonden, spreekt zij in den kleinen kring der getrouwen, wier heimwee naar den Beloofde uitging.
Deze belijdenis toont ons ook klaarlijk, uit welke bron zij putte voor haar Godverheerlijkenden wandel.
Zij was als een levende rank in den waren Wijnstok; en wat Paulus eens zou uitroepen, dat was ook haar uit de ziel gegrepen: ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij. Zijne genade is mij genoeg, want Zijne kracht wordt in zwakheid volbracht.
't Is waar, van zulk een dienend leven dat God prijst, waarvan hier Anna al Gods kinderen ten exempel strekke, wordt in dit leven bij de besten nog maar een klein beginsel gevonden, nochtans wordt de boom aan zijne vrucht gekend.
Als de belijdenis oprecht is, dan kan men niet maar met een Zondags-Christendom volstaan; dan wordt Paulus' woord: ik schaam mij des Evangelies van Christus niet, in woord noch wandel, in de levensbanier geschreven; dan zal nog wel menige klacht vallen, maar geantwoord mag dan: de volkomen verlossing is eerst in Jeruzalem, dat boven is, waar God alles in allen vervult, waar 't dienen in Gods tempel nooit wordt onderbroken, waar zelfs geen nacht meer zijn zal, maar éen lange eeuwige dag van God-verheerlijkend leven, lieven en loven.
Waar 'top aankomst' lezer, is dit:
dat Gods engelen ook van u en van mij zullen kunnen getuigen: en deze heeft insgelijhs den Heere beleden; beleden, door in alle gebrekkigheid de hand des geloofs op dat heilig Kindeke te leggen, met de beê: ik geloof, Heere, kom mijn ongeloovigheid te hulp.
Komt, koopt en eet!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's