Uit het kerkelijk leven.
De Ethischen.
't Is zoo moeilijk te zeggen wat de Ethisehen gelooven en belijden. Eigenlijk gaat het ook niet aan te spreken van de Ethisehen. Want de eene Ethische wil zich allerminst verantwoordelijk stellen voor 't geen door een ander, óok Ethisch genaamd, gezegd, geleerd of geschreven wordt.
Het begrip „ethisch" is zoo onvast. Er zijn onder de Ethisehen godgeleerden-die geheel van ons verschillen, geheel van ons Vervreemd zijn. Die sympathiseeren met de modernen; die niets liever doen dan tegen ons optrekken; die 't liefst onzen invloed zouden fnuiken en breken.
't Ligt ook voor de hand.
De Schrift heeft voor hen haar onfeilbaar gezag verloren. Men spreekt alleen van een oorkonde der bizondere openbariug. Men stelt zich boven de Schrift. Men wil niet weten, van 't geen onze Belijdeuis zegt, dat er tegen de H. Schrift niets valt te zeggen en dat we zonder eenige twijfeling hebben te gelooven al wat daarin begrepen is. Men heeft een dnderen kijk op den Bijbel, op den ga; ng der historie, op het wezen der religie.
De Psalmen neemt men anders. Het tweede gedeelte van Jesaja is van een lateren schrijver. Of de, wetgeving wel vooraf gaat aan het profetisme, betwijfelt men. Vóór het optreden der profeten waren slechts de hoofdbepalingen der Mozaïsche wetgeving bekend en de uitvoerige voorschriften, in deu Bijbel vóór de dagen der profeten ons gegeven, zet men met volle overtuiging na den tijd der profeten.
Men aanvaardt dus den Bijbel — maar onder voorwaarde, dat men zelf zal uitmaken wat 't goud is, dat waarde heeft en wat overigens als waardeloos invoegsel kan en moet verwerpea worden. Niet de Schrift heeft de hoogst^authoriteit. Maar de mensch, de historische kritiek is de rechter die beslist. Eu die dus bsslist tegen den zin van de Schrift in.
Zeker, er zijn conservatieve geesten onder de Ethischen, die niet dan noode iets van het geloof der vaderen prijegevcn; en die het ook wel opnemen voor de gereformeerde opvattingen tegen de moderne beschouwingen.
Maar ten slotte verlegt - de Ethische den maatstaf in zake geloof en belijdenis van de Schrift naar den mensch] zoodat de mensch ook in deze z'n eigen rechter wordt gemaakt.
In het geloof der gemeente moet de theologische maatstaf des oordeels gezocht worden, leert men.
Het Christelijk geloofsleven is het object der Dogmatiek, leert men.
Zuiver menschelijk, individualistisch, zonder objectieve waarheid.
Het subjectivisme is aan het woord.
De mensch zelf is criticus.
Die zal uitmaken en beslissen wat waarheid is.
Wat langzaam — dikwijls ook heel bruut en snel — afvoert van de objectieve, Goddelijke waarheid.
Wat afvoert naar het moeras van het zondig, dwaas, eigenzinnig menschelijk denken, voelen, willen, zonder dat er hoogere criticus, leidsman, authoriteit is, dan de mensch zelf.
En zoo ondergraven de Ethisehen, krachtens hun grondbeginsel en door hun optreden in de practijk van het religieus, van het dogmatisch en van het kerkelijk ' leven de fundamenten van het religieus, dogmatisch en kerkelijk leven dat ons. Gereformeerden, lief is.
Ook al zijn er conservatieve elementen, die huiveren op den door de Ethisehen ingeslagen weg.
Dit alles mag door ons geen oogenblik worden vergeten en moet ook telkens duidelijk in 't licht gesteld worden.
Wót ook de Gemeenten gaan gevoelen.
Wel vriendelijk!
De modernen — en ook wel van de ethisehen — zouden gaarne zien, dat de gereformeerden, liefst morgen aan den dag, de Ned. Herv. Kerk gingen verlaten. De gereformeerden hooren niet in de Herv. Kerk thuis, zeggen ze.
En als de gereformeerden dan weg zijn, kunnen deze een kerkelijk leven in hun eigen Kerk inrichten, zooals zij zelf willen : met belijdenis, leertucht enz. enz. Terwijl dan de Herv. Kerk waarlijk kan worden wat ze is — zooals men zegt — n.l. een volkskerk, jwaar allerlei richting in vertegenwoordigd is en allerlei geloofsovertuiging zich vrij kan openbaren.
Twee goede dingen — zegt men — zouden dan bereikt zijn. lo. Zouden de Gereformeerden dan krijgen wat ze graag hebben n.l. een gereformeerd kerkelijk leven. En 2o. zou de Ned. Herv. Kerk dan worden wat ze eenig en alleen kan zijn en moet zijn n.l. een volkskerk.
Wel aardig bedacht van die modernen en die ethisehen I
Maar vooreerst bedanken we er vriendelijk voor om op hun voorslag in te gaan en aan hun verzoek gehoor te geven.
Omdat we noch het een noch het ander willen.
Wij willen er niet buiten komen staan, buiten de Ned. Herv. Kerk, om buiten haar een eigen kerkelijk leven in te richten.
En we willen óok niet, dat de Ned. Herv. Kerk rustig ingepalmd wordt door modernen en ethisehen, die dan zouden kunnen zeggen: „de Ned. Herv. Kerk is een Kerk, waarin het geloof met het ongeloof op zuiver terrein worstelen kan" ; waarbij dan aan ieders geweten zou zijn overgelaten om te bepalen, wat hij heeft te gelooven en wat hij niet heeft te gelooven.
Wanneer er sprake is van rechten, dan hebben wij, gereformeerden, recht op de Ned. Herv. ICerk! Krachtens onze gereformeerde belijdenis, welke de eenig wettige belijdenis onzer Herv. Kerk is.
En juridisch genomen hebben wij, G-reformeerden, alléén recht op het kerkelijk goed, datme< aan de kerkelijke organisatie maar wel aan de belijdenis is verbonden.
Neen, de modernen en allen die principieel in de grondwaarheden met onze kerkelijke belijdenis verschillen hebben geen rechten in de Hervormde Kerk.
Ze hebben wel vermeende rechten.
En van die vermeende rechten, hebbende een schijn van waarheid door al het geknoei in de bizondere reglementen der K: irk, hebben ze reeds veel te lang-gebruik gemaakt.
Maar wanneer het juridisch genomen wordt, znu de uitspraak moeten zijn, dat alleen zij rechten hebben, die op den bodem van de belijdenis der Kerk staan.
Eu daarom gaan we er niet uit.
Daarom ontkennen vre ook ten sterkste, dat onze Herv. Kerk is ingericht op het saimwonen van allerlei richtingen; waarop dan het oordeel van toepassing zou zijn, dat we lezen in de Synodale missive van 2 Dec. 1886 No. 662 (zie Kerkel. Courant van 4 Dec. '86 No. 49) „onze Kerk is de Volkskerk en dus moet in haar nawerken wat in den tijd gist."
Of zooals „de Wageninger" Juli 1888 schreef: „de groote meerderheid onzer predikant; en en gemeenteleden is van die handhaving der Dordtschë leer niet gediend en ziet daarin voor het Godsrijk in 't algemeen en voor onze Kerk in 't bijzorider geen heil .We zijn nu eenmaal aan den leerdwang ontwassen. In een klein genootschap als dat der Ohr. Gereformeerden kan dit nog eenigszins; misschien ook in de Doleerende vereenigingen; maar in een Groote Volkskerk gaat het onmogelijk Men kan daar de geesten niet binden."
Ziet — om zóó te schrijven over de Ned. Herv, Kerk vinden we ergerlijk en belachelijk, omdat men absoluut het recht mist om van de Herv. Kerk te maken wat zij nooit geweest is en niet wil zijn en niet kan zijn en niet mag zijn.
De 100 jaren die nu achter ons liggen hebben bewezen, dat alle moderne hoogleeraren, moderne predikanten moderne ouderlingen en moderne schoolmeesters saam niet bij machte zijn geweest om van de Herv. Kerk te maken wat men graag wilde dat zij worden zou. Er is steeds een krachtig protest tegen dat wederrechtelijk streven opgegaan. .
En hoewel er duizenden zijn uitgegaan die er in hoorden en duizenden in gebleven zijn die er uit hadden moeten gaan, heeft men toch niet kunnen bereiken wat men zich tot ideaal gesteld had: van de Herv. Kerk te maken een vrij terrein waar geloof en onge'oof ongehinderd met elkaar kunnen worstelen.
In wezen is de Herv. Kerk Kerk gebleven, met haar aloude belijdenis tot fundament, hoewel in de practijk iloor allerlei overmacht" aan die belijdenis velerlei geweld wordt aangedaan.
Wil men ons dus voorstellen Ie om de Herv. Kerk te verlaten en ergens elders onzen intrek te nemen en 2e alzoo te bevorderen, dat van de Herv. Kerk ge maakt worde een z.g.n. Volkskerk of genootschap van elk wat wils — dan hebben we de eer om zoowel voor het een als voor het Aeder wel vriendelijk te bedanken.
Wg verlaten ons vaderlijk buis niet.
We verkwanselen ons vaderlijk erfgoed niet.
We zullen blijven spreken van de rechten der gereformeerden en de vermeende: rechten van allen die principieel en welbewust afwijken van de belijdenis der Kerk.
Waarbij we dus de Herv. Kerk blijven opeischen voor de gereformeerden, met de pretentie, dat alleen dan, wanneer de Herv, Kerk zich weer gaat openbaren in een gereformeerd kerkelijk leven, met geref. belijdenis en kerkorde, deze Vaderlandsche Kerk volk en vaderland waarlijk tot een zegen kan zijn.
En dan tot een rijken zegen, afvloeiend over elk terrein des levens
- Omdat alleen wat de Heere zelf ons gaf in Zijn dierbaar Woord volk en vaderland tot zegening wezen zal.
Laat doen. men der Geref. Kerk toch recht
Gerechtigheid verhoogt een volk, ter wijl de zonde een schandvlek der natie is
De pluriformiteit der Kerk.
Een naam doet veel Een naam kan veel zeggen ten goede. Een naam kan ook veel doen ten kwade. En vooral als men dan dien naam in het laatste geval telkens gaat exploiteeren om een zaak in discrediet te brengen. Men kan er dan succes mee hebben I Handige menseben kunnen er wonderen mee verrichten, ènderen grootelijks tot schade; dikwijls tot afbreuk van iets, dat op zichzelf genomen zoo kwaad nog niet is. O! die valscbe strijdleuzen.
We denken aan 'tgeen boven dit artikel staat.
We willen er iets van zeggen.
Iemand uit onze kringen zond onlangs een vraag aan Ds. Lingbeek te Spijk, die in „De Gereformeerde Kerk", het wekelijksch orgaan der Confessioneelen, de „Vragenbus" verzorgt en met bewonderenswaardigen ijver allerlei dingen daar weet te bespreken; dikwijls zóo, dat we z'n artikelen met veel smaak lezen; maar dikwijls ook zóo, dat we denken: hoe kan een verstandig man nu zóo iets schrijven.
, En zoo zond onze Rotterdamsche vriend dan een vraag over de plurif®rmiteit der Kerk naar Spijk, om zoo eens te mogen weten wat Ds. Lingbeek daarvan denkt; en om eens te mogen hooren wat verschil er ligt tusschen de leeringen van Dr. Kromsigt en de zienswijze van hen, die de pluriformiteit der Kerk voorstaan.
In No. 1403 van Dé Geref. Kerk" — 't is dus al een poosje geleden, maar we hadden geen plaatsruimte in onzen „ Waarheidsvriend" om er eerder op te wijzen — gaf Ds. L. antwoord. En — we konden onze oogen eigenlijk niet gelooven, toen we dat lazen.
We geven toe, dat het een moeielijk probleem is. Theoretisch misschien heel makkelijk, maar in werkelijkheid heel lastig. Dat zullen de „eenheidsmannen" moeten toestemmen; dat zullen ook de voorstanders van de pluriformiteits-leer moeten erkennen.
Maar bij dit alles moeten we de dingen dan niet averechts verkeerd doen of op d'r kop zetten.
Want dan komen we niet verder; dan maken we de verwarring des te grooter nog. En daar mogen ernstige, ontwikkelde menschen zich niet voorleenen.
Daarom hebben we ernstig bezwaar als Ds. Lingbeek o. a. schrijfr: „De door Dr. Kuyper ontworpene en sindsdien door de meeste nieuw gereformeerden overgenomene leer van de pluriformiteit der Kerk van Christus is maar niet bloot eene erkenning van het feit, dat de Kerk van Christus in onze dagen verscheurd ligt. Neen, die leer der pluriformiteit komt hierop neer, dat hoe meer het leven zich in de Christelijke Kerk ontwikkelt, hoe meer het zich zal ontplooien in een rijkdom van verschillende vormen, als daar zijn Grieksch-Katholiek, Roomsch-Katholiék, Anglikaansch, Dissentersch, Luthersch. Gereformeerd; en onder die laatste soort: oud-Gereformeerd, nieuw-Gereformeerd, vrij Gereformeerd, Gereformeerd onder het kruis. Gereformeerd A, Gereformeerd B, Gereformeerd O, en dan verder nog Baptisten, Darbisten enz.
De leer der pluriformiteit ziet in dat alles geen jammerlijke verbrokkeling, maar een steeds rijkere ontplooiing van het leven; niet iets dat, hoewel't bestaat, betreurd moet worden, maar iets, dat moest komen en waarin men ook niet moet pogen verandering te brengen."
Bij het lezen van heel deze passage uit het geschrijf van Ds. Lingbeek konden we onze oogea niet gelooven. Stond het er? Stond het er zóó?
We konden.het niet geleoven.
Maar toch was het zoo.
Allereerst die passage, waar staat dat Dr. Kuyper de leer van de pluriformiteit der Kerk heeft uitged^icht, is vermakelijk.
Zoo deden de Roomscbe priesters ook tegenover de leeringen van Luther, Zwingli en Calvijn. Dat waren ook van die nieuwigheden door die vreeselijke mannen zelf uitgedacht. Waarop Calvijn eenvoudig antwoordde, dat hetgeen hij leerde véél ouder was dan 't geen de Paus leerde!
En de man had gelyk. De nieuwigheden waren oude waarheden, die steunden op de Schrift maar door allerlei valscbe leeringen op den achtergrond waren gedrongen en geheel verduisterd waren geworden.
Zoo ook hier.
Wat heeft men er nu aan om met een boeman's naam te komen?
Van ouds heeft men onder ons de gedeeidheid der Kerk gezien en aanvaard.
Onze Vaderen hebben aanstonds bij en in de Reformatie die gedeeldheid gevoeld en — ze zijn altyd schuchter geweest om dat weg te doezelen en mee te doen aan éénheidsbewegingen.
Ze wilden geen vereenigings-mannen heeten. -
Ze voelden de Schriftbeschouwing van velen; , ze zagen de Avondmaalsleer van velen; ze hoorden hoe velen dachten over de praedestinatie; ze merkten wel hoe velen redeneerden over den Doop en over het genadeverbond. Eu ze aanvaardden de gedeeldheid die, er was, intusschen zich scharende rondom de geref. belijdenis, die in dit alles de lijnen aangaf, om rondom die banier één te zijn en anderen te dienen met 't geen de Heere hun geschonken had.
Gereformeerde menschen ergeren zich dan ook altijd als ze bemerken, dat er geschiedschrijvers zijn, die het willen voorstellen, alsof hier in Nederland in den beginne een éénheidsbeweging was in zake de Reformatie, voortspruitend uit een algemeen-protestantsch beginsel.
Dat algemeen-protestantsch beginsel is er nooit geweest. De Reformatie is niet een stroom, die een tydlang rustig z'n weg vervolgt, om zich daarné, in verschillerde armen te verdeelen. Men heeft niet eerst een algeineen-protestantsche actie, die zich daarna splitst in drie groepen van Luther, Zwingli en Calvijn. 't Is niet iets dat gemaakt is. 't Is iets dat geboren en gegroeid is, wat de Hervormers brengen. Zwingli treedt reeds als hervotiner op vóór dat hij Luther kent. En zoo loopt alles van den oorsprong af evenwijdig naast elkaar.
De drie acties van Luter, Zwingli en Calvijn hebben elk haar eigen karakter.
En het. zijn de laagste punten op het breede veld der geschiedenis van de Hervormde Kerk in, Nederland — om van endere landen niet te spreken — waar men trachtte de nuanceering in karakter en beschouwing van de verschillende hervormingsgezinden weg te doezelen, ijverende voor de z.g.n. éénheid der Kerk. Dit mogen we wel bedenken.
Maar dan moeten we, als we over dit moeilijke probleem denken of schrijven — ook al is 't maar in een „Vragenbus" — niet een aller zonderlingste sprong gaan maken en b.v. gaan zeggen: „dus de Gereformeerden die de pluriformiteitsleer voorstaan verheugen er zich in en zien er een rijke ontplooiing van geestelijk leven in, als er zijn: oud-Gereformeerden, nieuw-Gereformeerden, vrij-Gereformeerden, kruis-Gereformeerden, Gereformeerden A, Gereformeerden B, Gereformeerden O, enz. enz.
Die dat zegt toont zich geen ernstig man die weet te onderscheiden en die de dingen weet te zien en te zeggen zooals ze in waarheid zijn.
Met een rotten appel aan te komen en den landheer te adviseeren al die afschuwelijke appelboomen uit te rooien, lijkt niet verstandig, .De pluriformiteitsleer heeft niets te met innig geiioegen ziet de scheuringen die er zijn onder degenen die bij elkaar hooren — stel dat zoo iemand bestaat.
't Gaat in deze over gansch andere dingen.
Gereformeerd is, dat degenen die naar Gods Woord en naar de kerkelijke belijdenis bij elkaar hooren, óok in één Kerkformatie zullen leven, onder één Kerkeorde. Gedeelheid en verdeeldheid is zonde.
Maar ook is Gereformeerd, dat we ons niet hebben te vereenigen rondom een algemeen-protestantsch beginsel. Geen éénheidsbeweging met wegdoezeling van de grenzen der goddelijke, schriftuurlijke waarheid.
Neen! we aanvaarden de werkelijkheid van Luthersche, Remonstrantsche, Baptistische, gelijk ook van Roomsche Kerkformatie. En we staan mei naar een Kerkformatie, waarbij héél het volk zal vergaderd worden rondom den grootst gemeenen deeler der schriftuurlijke waarheid.
We staan naar de meest zuivere openbaring van de Geref. Kerk, met belijdenis en Kerkorde, volgens de lijnen door de Schrift getrokken.
Dan zal niet héél het volk in die Geref. Kerk vergaderd zijn.
Ook zal niet de Kerk van Christus uitsluitend en geheel in die geref. Kerk zijn te zoeken.
Er zullen wel uitverkorenen des Vaders buiten hare grenzen wonen, van wege de gedeeldheid in dé'opvatting der waarheid en de beschouwing der dingen van Gods Koninkrijk
Maar dan zullen we met aanvaarding van de werkelijkheid, zoo zuiver mogelijk staan en gaan in gereformeerde banen.
Waarbij ook dit behoort, dat — belijdenis en Kerkorde zegt het — we ons over scheuringen en par tg-schappen in het midden van degenen, die bij elkaar hooren, hartgrondig hebben te bedroeven en er ernsiig naar hebben te staan, dat het lichaam van Christus in de Geref Kerk worde opgebouwd op het fundament der eeuwige waarheid; dat de goddelijke waarheid lieflijk worde uitgedragen naar alle kant en dat de naam des Heeren om ónzentwil niet worde gelasterd.
De waarde van de Belijdenisschriften.
De Gereformeerde Kerken hebben spoedig nadat het licht van Gods Woord, in ons vaderland was opgegaan en men zich van plaats tot plaats rondom die goddelijke waarheid geschaard had, hare geloofsovertuiging overgelegd in de Drie Formulieren van Eenigheid: de Nederlandsche geloofsbelijdenis, den Heidelbergschen Catechismus en de Vijf Leerregels van Dordt tegen de Remonstranten.
In tijdsorde gaat de Nederlandsche geloofsbelijdenis, opgesteld door Guido de Brés (1522—1567), voorop.
Tusschen 1559 en 1561 opgesteld ig zij in den nacht van 1 op 2 Nov. 1561 publiek gemaakt en op de Synode van Armentiers is zij den 263ten April 1563 voor 't eerst door de verschillende Kerken als gemeenschappelijke belijdenis onderteekend.
Dan volgt de Heidelbergsehe Catechismus, als leerboek het eerst gebruikt te Heidelberg in Duitschland, maar in 1563 reeds in het Nederlandsch vertaald.
De Synode van Dordt in het jaar 1574 aanvaardde dit boekske als een waar Godsgeschenk.
Terwijl dan in de 3de plaats volgt het geschrift tegen de Remonstranten, dat door de Dordtschë Synode van 1618—19 is opgesteld, aangenomen en vastgesteld.
Hoe hebben de Gereformeerde Kerken deze hare belijdeuisscbriften nu altijd beschouwd en gewaardeerd?
We kunnen dat wel gewaar worden als we.lezen watBogerman, de Voorzitter van de Dordtschë Synode, den 6den Mei 1619 verklaarde n.l. „dat de leer in de Belijdenis en den Catechismus vervat, in de Synode was herlezen en onderzocht, en dat deze leer naar het eenparig oordeel van alle leden der Synode, zoowel der buitenlandsche als der iuheemsche Theologen, als orthodox en met den Woorde Gods overeenstemmende, was goedgekeurd."
Daar blijkt uit, dat onze Geref. Kerk van .ouds hare belgdenis aanvaardde en handhaven wilde omdat (quia) zij overeenstemde met Gods. Woord.
Gods Woord gaat boven alles.
De belijdenis is daaraan ondergeschikt.
Maar omdat de belijdenis der Geref. Kerk overeenstemde met Gods Woord achtte zij haar confessie als een kostelijk en dierbaar stuk, dat zij door allerlei wind van leer haar niet liet ontnemen.
In de 15de zitting van de Dordtschë Synode getuigden de Hessische Theologen: „er kan moeilijk een bondiger, bekwamer, volmaakter Catechismus opgesteld worden, zoowel naar het begrip der volwassenen als naar dat der jongeren" en treffend is het te lezen, hoe de Buitenlandsche Godgeleerden, die ter Synode waren, onze Nederlandsche Vaderen vermaanden in deze rechtzinnige, Godzalige en eenvoudige belijdenis standvastig te volharden, haar den nakomelingen onvervalscht ???????????????? de komste van onzen Heere Jezus Christus.
Zoowel de Engelsche, Schotsche, Fransche, Duitsche als Zwitsersche Godgeleerden hebben verklaard, dat de belijdenis der Nederl. geref. Kerken met den woorde Gods overeenstemmende was.
En de Paltzische Godgeleerden zeiden o.a. „dat de aanvallen van de Remonstranten hun den Catechismus nog dierbaarder badden gemaakt, omdat hun daardoor gebleken was, dat de Catechismus niet met de Schrift, maar wel met Socinus in strijd was".
Altijd gaat de Schrift voorop.
De H. Schrift is en blijft toetssteen en criticus. De H. Schrift heeft en houdt het hoogste woord.
Maar omdat de belijdenisschriften in alles conform Gods Woord werden geacht en als een bizonder geschenk des H. Geestes deze confessie het eigendom onzer Kerken was geworden — daarom liet men zich die belijdenis zoo maar niet uit de handen nemen I
O! wat worden er toch tal van dwaasheden verkocht aan het adres van de Gereformeerden, die de belijdenisschriften der Kerk eeren en liefhebben!
Men scheldt dat als een soort afgoderij.
En men stelt het telkens — tegen beter weten in — voor, alsof de Gereformeerde Kerk de belijdenis boven Gods Woord acht.
Maar men weet beter.
De belijdenis is en blijft altijd aan de Schrift ondergeschikt.
Art. 7 van de Ned. Gel. belijdenis is hier" in principe beslissend.
Gelijk dan ook het oordeel van vroegere theologen niet anders was, dan het oordeel van Üe tegenwoordige godgeleerden is.
Wat zegt b. v. Jacobus Trigland, keickelijke Geschiedenissen ende aanmerckinghen op de Kerckelijke Historie van Johannes Wttenbogaert, Leijden 1650 blz. 108, 169? .
Trigland acht de onderteekening van de Nederlandsche Confessie, 't welk een „menschelijk geschrift" genoemd wordt, door predikanten, schoolmeesters, ouderlingen enz. goed en noodig, vooreerst om „eenicheydt in de Kercke te houden, sonder aewelcke gheene Societeijt der rnenschen bestaen kan. Want uyt verscbeydenheydt van gevoelen in 't stuck der leere niet anders als oneenicheyt kan rij sen."
Maar dan vervolgt hij zijn redeneering aldus:
„Ten anderen, Hoewel wij de Nederlandtsche Belijdeniase des Gheloofs houden den Woorde Godts conform, nochtans omdat se onmenschelijck schrift is en houden wij die niet voor den Reghel van ons Geloof, maer alleen de H. Prophetische en de Apostolische schriften, aen dewelcke wij deselve Confessie houden altijdt te zijn examinabel. Kan yemandt ons overtuyghen dat se in eenig poinet afwijct van Godes Woordt, wij sullen dat poind laten varen: meer en mach men ons niet afeyschen. Dat wij die sonder reden uyt Gods Woort gehoort te hebben, souden moeten laten varen om een Lybertynschen loskop, houden wij onbillijck te wesen.
Déat is het Gereformeerde standpunt ten opzichte van de belydenisschriften.
Die geschriften zijn geen bronnen, noch toelssteenen der waarheid, boven de Schrift of los van Gods Woord staande. Neen, de belijdenisschriften willen zelf niet boven Gods Woord gesteld worden. Zelf verzetten zij zich daar tegen. Liever alles varen laten — óok de belijdenisschriften — dan aan Gods Woord af of toedoen. En alzoo hebben de gereformeerden steeds geoordeeld — gelijk zij nu nóg doen.
Wat zegt b. v. Dr. A. Kuyper in zijn Voorrede voor zijn uitgave van de Drie Formulieren van Eenigheid? Daar lezen we: „Betuiging van instemming met deze „Formulieren" beteekent dus niet, dat men deze formulieren als losse en op zich-zelf-staande stukken voor eensluidend met de volstrekte waarheid acht; maar beduidt veel meer dat men de Belijdenis van de Kerken, die deze Formulieren aldus lieten uitgaan, als de zuiverste dusver bekende Kerkbelijdenis eert; haar zelf Kerkelijk belijdt en daa ze alleen wil varen laten, bijaldien eenig deel in baar bleek te strijden met den Woorde Gods."
Terwijl Dr. Bavinck in zijn Geref. Dogmatiek zegt: de belijdenis - verdient alleen geloof, omdat en in zoover zij met de Schrift overeenkomt en blijft, als feil» baa.r menschenwerk, revisibelen examinabel aan de Schrift (12 blz. 73)
Het is voor ons dan ook steeds nog een raadsel hoe menschen, die der zake kundig zijn, den gereformeerden telkens weer in de schoenen willen schuiven, dat de belijdeüisschriften voor hen een en alles zijn en dat de gereformeerden dus een menschelijk geschrift verheffen boven alles.
Hoe men dat met eenig recht zou kunnen doen, is ons onbegrijpelijk.
Want het tegendeel is waar. Voor den gereformeerde gaat Gods Woord vóór alles en boven alles.
Wat evenwel volkomen waar is, is dit: dat de gereformeerden de belijdenisschriften — om met Trigland te spreken — den Woorde Gods conform achten en deze kerkelijke geschriften zonder bewijs leugenachtig houden — en ze om de wille van „Libertynsche loshoppen" ook maar zoo niet loslaten!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's