De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

6 minuten leestijd

Geen nieuwe gezichtspunten.

In het nummer van de vorige week lieten wij de rede van mr. Rutgers, welke hij in de zitting van de Tweede Kamer op 17 December met betrekking tot de afwijzende beslissing op het verzoek van den door den Gereformeerden Bond benoemden buitengewonen hoogleeraar hield, afdrukken.

Tegen het betoog van den Hilversumschen afgevaardigde ter bestrqdingvan het standpunt der regeeriug, kwam de vrij-liberaal Mr. de Beaufort in verzet.

Volledigheidshalve laten we thans hier onder volgen èu de opmerkingen, die de heer de Beaufort maakte, èn de nadere verdediging, welke de Minister van Binnenlandsche Zaken tegen de beschouwingen van Mr. Rutgers aanvoerde.

De heer de Beaufort zeide:

De geachte afgevaardigde uit Hilversum heeft de beschikking van den Minister sterk aangevallen, vooral de gronden waarop die beschikking rustte. Hij heeft gezegd: het gaat niet aan, de hoogleeraren in Nederland voor te stellen alsof zij ter wille van een bezoldiging, of in het algemeen om financieele redenen, hun gevoelens, hun meeningen zullen wijzigen. Ik ben het met den geachten afgevaardigde in zekeren zin eens, dat de geleerden in Nederland zich in den regel hebben onderscheiden door een onbaatzuchtig vasthouden aan hun beginselen, maar men moet toch ook rekenen met het vermijden van den schijn naar buiten. Het komt mij voor, dat vooral door de studenten nooit het vermoeden zelfs moet kunnen worden gekoesterd, dat een hoogleeraar door bijzondere redenen van eigenbelang zich laat leiden tot het huldigen van andere beginselen dan de zijne zijn. Men laat te recht de hoogleeraren bij het staatsonderwijs vrij, men wil dat zelfs de zedelijke dwang ontbreke om in een bepaalde richting zich te bewegen, maar dan moet men ook niet toestaan dat van buiten af door andere inrichtingen aan de hoogleeraren zilveren ketenen worden aangelegd, waardoor zij als het ware gebonden zijn aan een bepaalde leer, wat toch het geval is wanneer zij hun betrekking zullen moeten neerleggen, als ïij in hun denkbeelden wijziging brengen. Ik zal echter de verdediging van de beschikking van den Minister liever aan hemzelf overlaten en hier dus niets meer van zeggen.

De Minister van Binnenlandsche Zaken verdedigde zijn beleid door dit op te merken:

De heer Rutgers, zoo zeide hij, heeft met leedwezen gezien de motieven waarop toestemming voor het bekleeden van een buitengewonen leerstoel niet is verleend, en hij heeft gezegd : Ik geloof niet, dat onze wetenschappelijke mannen een dergelijke blaam verdienen. Mij dunkt, de heer Rutgers stelt zich niet op het goede standpunt. Want het is toch onmiskenbaar, dat wanneer een verandering van opinie, die op zich zelf voor zeer vele menschen toch reeds moeilijk is, ook nog gepaard moet gaan met financieele zorgen, men dan toch zeker niet die vrijheid heeft die men zonder die financieele zorgen had. Het is mogelijk en ik wil het gaarne aannemen, dat in dit opzicht wetenschappelijke mannen boven het gemiddelde staan van iedereen, maar zelfs voor_ hen die daarboven staan kan de zorg voor het gezin werkelijk zijn een motief, misschien een motief dat men overwint, maar waardoor hun volkomen vrijheid toch wordt beperkt. En ik geloof, dat een dergelijke beperking van de vrijheid voor een hoogleeraar om precies te verkondigen wat de waarheid is, niet mag worden aanvaard.

Het wil ons voorkomen, dat de verdediging der gronden, waarop het verzoek van Prof. Dr. H. Visscher om alsstaatshoogleeraar toestemming té krijgen tot het bekleeden van een bijzonderen leerstoel, afgewezen werd, noch van de zijde van Mr. de - Beaufort noch van die van den Minister zeer klemmend was.

Eigenlijk gezegd, is die afwijzing op geen enkelen principieelen grond verdedigd, immers wat nader aangevoerd werd was niets anders dan het bekende utiliteitsargument n.l. dit, dat door het binden, van den hoogleeraar aan een belijdenis, ' deze uit financieele overweging gevaar zou loopen zijne zelfstandigheid te verliezen.

Het antwoord der regeering leverde dan ook geen enkel nieuw gezichtspunt op en stelde mitsdien te leur.

De opmerkingen, door Mr. Rutgers gemaakt, vermocht Minister Gort van der Linden niet te weerleggen. De vrees voor het verliezen der zelfstandigheid van den hoogleeraar werd door den Minister niet nader gemotiveerd.

Ten slotte vestigen we nog even de aandacht op de opmerking welke Mr. de Beaufort maakte ter zake van een zinsnede uit de Memorie van Antwoord luidende:

„De vraag, of aan een gewoon hoogleeraar nimmer zoodanige toestemming moet worden verleend, is in haar algemeenheid niet voor beantwoording vatbaar.''

De Amersfoortsehe afgevaardigde zeide daarvan:

Toen de wet op de bijzondere leerstoelen in het leven is gekomen, heeft niemand er aan gedacht, dat zulk een bijzondere leerstoel ooit aan een staatshoogleeraar zou worden aangeboden. Wanneer men o.a. de Memorie van Antwoord, die den Minister, die deze wet heeft voorgesteld, den Minister Kuyper, uit de pen is gevloeid, naslaat, dan zal men daarin zien, dat de heer Kuyper heeft geschreven:

„De oprichting van de bijzondere leereen onderwijs in de hoofdvakken dat tegen de levens-en wereldbeschouwing van het grooter deel der natie indruischt een ander onderwijs te geven dat met die levensrichting overeenstemt."

Het geheele doel van die instelling is dus gev/eest om een leemte aan te vullen in het hooger onderwijs, om aan die inrichtingen die bij het staatsonderwijs niet tot haar recht kwamen, de gelegenheid te geven onderwijs te' verstrekken. Wanneer men de artikelen van de wet leest, zal men daaruit ook ontwaren, dat nergens aan de mogelijkheid gedacht is, dat staatshoogleeraren een dergelijken leerstoel zouden verkrijgen. Die artikelen zijn zoo gesteld, dat zij blijkbaar alleen gelden voor hen, die geen staatshoogleeraar zijn. Nu zich het onverwachte geval heeft voorgedaan, dat aan een staatshoogleeraar toch een bijzondere leerstoel is aangeboden, meen ik er óp te moeten wijzen, dat ik het inderdaad een zeer gevaarlijk antecedent zou vinden, wanneer staatshoogleeraren dergelijke leerstoelen zouden aannemen. De inrichtingen welke die bijzondere leerstoelen vestigen zouden zoodoende een geheel ander karakter kunnen verkrijgen. Zij zouden dan inrichtingen 'worden tot bevordering van de wetenschap in het algemeen zonder zoo sterk sprekende kleur, en zouden door het vestigen van een leerstoel grooten idvloed kunnen uitoefenen op de benoeming van een staatshoogleeraar.

Wij betwijfelen het, of de conclusie, welke mr. de Beaufort uit het geciteerde uit de Memorie van Antwoord y& n de Hooger-onderwijswet trekt, wel juist is, en dat het in de bedoeling van dr. Kuyper zou gelegen hebben een staatshoogleeraar van het aanvaarden van eèn bijzonderen leerstoel uit te sluiten.

Wij worden in deze meening versterkt, door dat Minister Gort van der Linden, die zeker, wanneer er voor de beschouwing van , d.en heer de Beaufort eenige grond ware geweest, zich bij diens lezing zou aangesloten hebben met geen woord op de opmerking van den afgevaardigde van Amersfoort in inging.

Intusschen hoe dit zij, de gelegenheid zal zich nog wel eens voordoen om naar de jongste viuding van den heer de Beaufort eenige informatie in te winnen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's