Staat en Maatschappij.
Het afmaakstelsel.
De uitspraak, welke de Tweede Kamer onlangs ten opzichte van de bestrijding van het mond-en klauwzeer deed, heeft er vooralsnog niet toe geleid, dat met het afmaakstelsel is opgehouden geworden. Integendeel, nog steeds wordt op de gewone wijze met het afmaken van het vee voortgegaan.
Dit nu betreuren wij in niet geringe mate.
Na de waarschuwing, welke uit de Kamer kwam, had het afmaken moeten gestaakt worden.
Dat de regeering daartoe niet overging is bedenkelijk,
In de eerste plaats, omdat de Minister van Landbouw, na< lat hem dit nadrukkelijk was voorgehouden, blijft volharden om in strijd met de voorschriften te handelen; immers het Kon. Besluit van | 10 Juli 1896 stelt het afmaken van het vee niet als regel, maar geeft in artikel 35 M den Minister slechts in bijzondere gevallen de bevoegdheid om daartoe over te gaan.
Een raadsman der Kroon is meer dan ieder ander verplicht om Wetten en Besluiten stipt na te leven. En in de tweede plaats, wijl de Minister van Landbouw door in dit geval het votum der Kamer als van geen waarde te beschouwen, daarmede toont weinig deferentie voor de Kamer te hebben.
Voor het overige zeggen wij over de handelwijze van de regeering niets. Voor haar verantwoording blijft het, dat zij door het indienen van een wetsontwerp, waarbij gelden aangevraagd worden om de kosten te dekken ter bestrijding van het mond-en klauwzeer, nog eens eene stemming over het afmaakstelsel in de Kamer wil uitlokken.
Wat intusschen van groote beteekenis is, is dat er ook onder de mannen der wetenschap meer stemmen opgaan, die de bestrijding van het mond-en klauwzeer door de afmaakmethode veroordeelen.
Vooral moet het getuigenis van Prof. Dr. D. A. de Jong, hoogleeraar aan de Universiteit te Leiden, diepen indruk maken. In de vergadering van de Maat-
schappij ter bevordering van de Veearisenij kunde in Nederland, welke op 18 pecember l.l. te Utrecht gehouden werd, verklaarde de hoogleeraar: „dat de mogelij kbeid van de bestrqding van het monden klauwzeer wetenschappelijk niet vaststaat"; „de verdere bestrijding van het mond-en klauwzeer is nog een open vraag"; en tenslotte „er bestaat geen eenheid omtrent de afdoendheid van de bestrijding. Den weg tot die eenheid te vinden is wetenschappelijk zeer moeilijk".
Met deze verklaring van een man als Prof. Dr. de Jong voor oogen, mist het standpunt van hen die meenen, dat de eenig afdoende bestrijding van het monden klauwzeer door het afmaakstelsel, zijn grond.
Ook de mannen van de praktijk, onze veehouders, zjjn in hun groote meerderheid van gelijke meening. De ziekte van het mond-en klauwzeer draagt niet een dergelijk karakter dat het afmaken gebiedend zou zijn.
Daar komt dan nog dit bij, dat de wijze, waarop bij het afmaken van het vee te werk wordt gegaan, meer dan ergerlijk is.
Maar niet minder komt de overtuiging van een groot gedeelte van onze boeren in verzet tegen den geest, welke uit het stelsel van het afmaken spreekt.
De heer Duymaer van Twist karakteriseert dien geest in het slot zijner rede, welke hij op 22 December in de Tweede Kamer uitsprak. De afgevaardigde van Steenwijk zeide 'toen:
„Thans nog een enkel woord over de eerste vraag van den heer Teenstra, (de voorsteller der bekende motie)." Die vraag was: „Me^ent uw Excellentie op goede gronden te kunnen verwachten, , dat in 1916 de gevallen van mond-en klauwzeer belangrijk lager zullen zijn dan in 1915? Het spijt mij, dat de heer Teenstra die vraag zoo heeft gesteld, omdat daaruit spreekt een geest alsof de menschhetin banden heeft om een ziekte te doen ophouden of niet. Dezelfde geest spreekt nog in sterker mate uit het antwoord van den Minister. De Minister zegt, dat zekerheid op de vraag niet is te geven, dat het in hooge mate afhankelijk is van de medewerking der boeren, maar wordt die verleend, dan behooren de epizoötieën tot het verleden.
Hoe weet de Minister dat? De wereldbeschouwing van den Minister staat hier lijnrecht tegenover de mgne. Ik belijd, dat Gods hand over alle dingen gaat; ook over de. ziekten onder het vee. Wil men weten wat de red!enen zijn, dat er onder de boeren vaak verzet is tegen de afmaakmethode ? De voornaamste reden is wel deze, dat de geest, welke die methode ademt, spreekt van de machtige hand van den mensch, die niet rekent met de slaande hand Gods."
Gelukkig dat nog een groot gedeelte van onze boerenbevolking de oordeelen Gods niet wegcijfert, maar zich voor die oordeelen in aanbidding nederbuigt, en van den Schepper en Onderhouder van alle dingen in de allereerste plaats den zegen verwacht, ook in zijn bedrijf.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's