Uit de Pers.
De N. R. Ct. schreef 6 Jan j.l. een artikel over Het honderdjarig bestaan der Ned. Herv. Kerk 6 Jan. 1816—6 Januari 1916 en wees er op, dat er eigenlijk niet van een feest gesproken kan worden; daarbij opmerkende:
Het is dan ook heel erg. Immers de Ned. Herv. Kerk bevindt zich op haar eeuwfeest in de omstandigheden van een kibbelend echtpaar dat zijn zilveren bruiloft viert. Van den beginne af is het samenleven van dit echtpaar één voortdurend krakeel geweest; herhaaldelijk zijn pogingen aangewend om tot echtscheiding te komen; de buren, ontsteld door den hoogloopenden twist, zijn erin gemengd en het huwelijksleven van het paar wordt als een openbaar schandaal besproken. Wat moet dit paar op de zilveren bruiloft ? Ieder gevoelt het pijnlijke van het geval. Het kan geen feest op touw zetten» want de genoode gasten zouden inwendig grinniken om de dierbare toespraken, en het bruidspaar zelf zou het, gekweld door het besef van huichelarij, van schaamte besterven. Onopgemerkt; voorbij laten gaan en het huis sluiten, is het eenige redmiddel om aan den noodlottigen gedenkdag te ontkomen. En den welmeenenden brief van een argeloozen gelukwenscher uit de verte ongeopend verbranden.
Wij weten, hoe weinig harmonisch het huwelijk is tusschen rechtzinnig en vrijzinnig in de Ned Herv. Kerk. De twee richtingen hebben van den beginne af aan onverzoenlijk tegenover elkander gestaan, en het zijn de wet der traagheid en de wet der conventie, benevens het opzien tegen het ongerief eener vrij lastige boedelscheiding, die het uit elkaar gaan tot nog toe beletten en op pogingen tot een minnelijke schikking doen zinnen. Het is in het teeken van den modus vivendi, dat de Ned. Herv, Kerk haar honderdjarig bestaan herdenkt.
Eerlijkheidshalve dient echter te worden opgemerkt, dat niet elk der beide echtgenooten zich even beklemd gevoelt onder den wettelijken band van den echt. Wie zich de ontboezeming van ds. van Grieken herinnert over den misdadigen Oranjevorst en zijn cipier, weet met welke gevoelens de uiterste groep der orthodoxie op dezen gedenkdag bezield moet zijn. Inplaats van een feest, zal de dag van heden een boetedag wezen voor gereformeerden en confessioneelen, en hun ontstemming tegen de instelling, die heden haar eeuwfeest viert, zal bij de herinnering aan den hun aangedanen smaad te heftiger zich uiten. Gelijk de Genestet van den gewijden grond der vaderen, zullen zij van de gewijde kerk der vaderen op haar verjaardag kunnen mokken: Gij, niet op mijn verzoek ontwoekerd aan de zaak zelve.
Anders staat het met de vrijzinnigen. Verdraagzaam het goed recht van verschillende geloofsopvattingen naast elkander erkennende, kunnen zij waardeering gevoelen voor een instelling, die op het samenwonen der richtingen is aangelegd. De geest van ruimhartigheid en het zachte beleid, die aan het reglement op de Ned. Herv. Kerk in 1816 het aanzijn hebben geschonken, zijn hun geenszins vreemd. Zij beseffen de kindskinderen te zijn van de voorvaderen, die de grondwet van hun kerkgenootschap hebben ontworpen en opgesteld, gelijk de ultra-orthodoxen in de mannen der clasis Amsterdam, die al aanstonds verzet daartegen aanteekenden, hun geestelijke voorzaten eeren. Gemoedelijker en praktischer van aanleg, kunnen de vrijzinnigen, ook al zouden zij met prof. Knappert moeten toestemmen, dat koning Willem I eigenmachtig te werk is gegaan, de oplossing die hij gaf een zegen noemen, vooral als zij denken aan de langzaamheid van den voor wettig gehouden weg van clasiis, provinciale en nationale synode. Met dezen kerkgeschiedschrijver roepen zij uit: „Ware hij bewandeld — wie weet hoelang de verwarring nog had geduurd? " Niet bevangen door de retrospectieve fantazieën van hun oud-Dordtsche medeleden, mogen zij dan ook met erkentelijkheid aan de stichting van hun kerkgenootschap terugdenken.
En inderdaad is er voor den onbevooroordeelde wel reden tot dankbaarheid. Want heeft niet de Ned. Herv. Kerk, in de wandeling genoemd de „groote" of de „volkskerk", ofschoon honderd jaar lang beschimpt en gesmaad, door een honderd jaar lange ervaring tevens bewezen, dat het samenwonen van godsdienstige richtingen in één kerkgenootschap mogelijk is? Wat ware er van de wel niet in getallen uit te drukken, maar desniettemin geenszins denkbeeldige godsdienstige opvoeding van ons Protestantsche volksdeel geworden, zoo het, naar gelang zijner theologische schakeeringen, in honderd-en-een kleine kerkgenootschapjes verknipt ware geweest ?
Dit honderdjarig verleden geeft moed voorde toekomst. Het mag als een veelbelovend zinnebeeld gelden, dat deze gedenkdag in het teeken van den modus vivendi kan worden gevierd. Wanneer ook voor Nederland mocht gelden, hetgeen ds. Joh. Kübel dezer dagen voor Duitschland schreef: „de naaste decenniën behooren niet aan de sekten, niet aan de partij-en richtingskerk, doch aan de staats-en landskerk", dan heeft de honderdjarige van thans nog een taak voor zich liggen. Die taak zal zij echter alleen kunnen vervullen, wanneer haar leden en besturen indachtig blijVen aan hetgeen die predikant aan de aangehaalde woorden toevoegt, als hij van die algemeene landskerk, welke wij met het' oog op onze vaderlandsche toestanden beter „volkskerk" kunnen noemen, zegt, dat zij „als een natuurlijk gegevensteeds verder moet worden voltooid".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's