Uit het kerkelijk leven.
Nog eens de pluriformiteit der Kerk.
Tien eeuwen lang heeft de uitwendige eenheid der Kerk voortgeduurd. Het massale kerkelijk leven — kleine secten rekenen we nu niet — bleef tien eeuwen lang z'n wateren door één bedding stuwen. Die afweek van de algemeen beleden leer was een scheurmaker en verdween.
Maar in 1054 werd het onderling verschil te machtig en de scheiding kwam tusscben de Oostersche en Westersche Kerk. De stroom van het kerkelijk leven had zich in twee armen gesplitst, en, tenzij men den moed heeft te verklaren dat er onder de millioenen der Oostersche Kerk geen enkel waar Ohristgeloovige schuilt, dient men te erkennen, dat van toen af de éene onzichtbare Kerk onder minstens twee uitwendige institutaire vormen optrad, zoodat hiermee in beginsel het pleit ten gunste van de pluriformiteit beslist was.
De éene Kerk was uiteengegaan niet in een ware en een valsche Kerk, maar in twee zuster-Kerken.
Theoretisch handhaafde men de leer der éene institutaire Kerk. De Kerk in het Oosten werd eenvoudig tot scheurkerk verklaard — en daarmede dacht men er af te zijn.
Wonderwel slaagde men er in den indruk te vestigen, dat de uniformiteit nog steeds voortbestond. Het Oosten lag vér weg. De afstanden onttrokken het aan den blik van de bewoners der Westersche landen. De verkeersmiddelen waren gebrekkig. Van dagbladen en periodieken wist men niet af, En zoo rekende men in deze streken nauwelijks met de Grieksche Kerk — die inmiddels haar eigen leven leefde.
Beginselen zijn echter tiranniek. Wanneer zij eenmaal hun intrede in de wereld der gedachten gedaan hebben, dringen zij langzaam, doch zeker al vérder door.
Voorbereid in de voorafgaande eeuwen trad in de 16de eeuw de gezegende Reformatie op.
De hervormers van alle tint waren voor Rome natuurlijk niet anders-dan ketters en stonden dus veel lager dan de scheurmakers der Oostersche Kerk. Zoo kon de paus den banvloek over hen uitspreken, hen van de Kerk afsnijden en aldus den uniformiteitswaan bestendigen.
De reformatoren van hun kant hielden bier even zeer aan vast. Zij traden op met de pretensie, die voor ons gevoel op de werkelijkheid steunt de ware Kerk te zijn in tegenstelling met Rome, dat als valsche Kerk gemerkt werd; een gedachte die later zelfs in dezen zin werd uitgewerkt, dat de paus de vleeschgeworden anti-Christ was, natuurlijk niet wegens zijn persoonlijke eigenschappen, maar in zijn ambtelijke hoedanigheid.
Op deze wijze bleef zoowel voor Rome als voor de reformatie het begrip der institutaire uniformiteit behouden.
Doch reeds spoedig zou dit een onhoudbare waan blijken te zijn. Wat eeuwen te voren tusscben Rome en Konstantinopel een wig gedreven had, namelijk het verschil van dogmatiek inzicht, dat eindelijk tot een breuk ook in den uitwendigen kerkvorm geleid had, herhaalde zich in de Kerk der reformatie.
De reformatoren stemden zeer zeker met elkander overeen ten aanzien van de hope, die in hen was.
Zij hebben eenparig geloofd en beleden, dat er geen verlossing mogelijk was dan d®or de verdiensten van Christus üit vrije genade, en dat de zondaar niet uit de werken, maar uit het geloof gerechtvaardigd wordt.
Niettemin verschilden zij onderling op menig punt. Vooral in hun opvatting van de Avondmaalsleer stonden Luther en Zwingli tegenover elkaar. De eerste hield vast aan de lichamelijke tegenwoordigheid des Heeren Jezus Christus in het heilig sacrament. De laatste beroofde het van zijne mystieke beteekenis, door er louter een gedachtenismaal in te zien. En Calvijn trof het juiste door den vollen nadruk te leggen op de geestelijke tegenwoordigheid des Heeren in het Avondmaal.
En nu leert ons de geschiedenis, dat de pogingen om het standpunt van Luther met dat van Calvijn te verzoenen mislukt zijn en dat de beide dogmatische inzichten het aanzijn geschonken hebben aan de Luthersche reformatie eenerzijds en aan de Gereformeerde reformatie anderzijds.
De ééne Kerk der hervorming heeft zich in tweeën gesplist.
En men dorst het niet aan om een dier twee Kerken als scheurkerk te brandmerken, maar sprak liever van de zusterkerk en aanvaardde hiermede feitelijk het beginsel der pluriformiteit, schoon men nog steeds van de eenheid der Kerk in institutairen zin bleef spreken en de duidelijke sporen van deze gewoonte tot in onze Confessie zijn waar te nemen.
In later eeuw heeft dit splitsing-proces zich verder doorgezet. Wij denken hierbij niet aan de tallooze secten, die opkwamen om te verdwijüen, daar zij geen Kerkvormende kracht in zich droegen, maar aan de groepen, die de vuurproef van den tijd konden doorstaan en het tot een zelfstandige Kerkformatie brachten.
Wie van oordeel is, dat de Kerk in mystieken zin zich slechts in één institutairen vorm kan openbaren, moet logisch tot de conclusie komen, dat al wat buiten het door hern aanvaarde instituut staat, geen deel aan den Christus Gods heeft, — een zuiver Roomsehe gedachte, die Rome zelfs niet meer in haar uiterste konsekwentie aandurft. Wie echter overeenkomstig de realiteit van het leven de pluriformiteit belijdt, zeker, hij zal in zijn eigen instituut allicht de zuiverste openbaring van het lichaam van Christus vinden, maar tevens erkennen, dat de vergadering der ware Christ, geloovigen niet uitsluitend door zijn Kerkformatie gedekt wordt.
Dat is ook eigenlijk zeer aannemelijk.
Van een uniformiteit in absoluten zin kan natuurlijk geen sprake zijn.
Indien het volle lichaam van Christus in één Kerkvorm moest uitkomen, zouden alle geloovigen uit het verleden, het heden en de toekomst op één tijdstip in één kerkelijk verband saam gebracht moeten kunnen worden. Dit is natuurlijk een herschenschim, die niemand najaagt.
Maar ook kan het nooit gelukken de thans levende geloovigen allen in éés instituut te verzamelen.
Voor Bome is dit mogelijk, omdat dit het wezen der Kerk niet in de geloovigen, maar in den clerus zoekt.
De kinderen der reformatie gevoelen h echter terstond, dat er van een kerkelijk saamleven hoogstens sprake kan zijn bij menschen, die één taal spreken en één u nationaal leven deelachtig zijn.
Niet, alsof er geen band met de vreemde landen en volken onderhouden moest worden. Dit ware een prijsgeven van het oekomenisch karakter der Kerk, die immers een wereld-Kerk is. De beroemde Doidtsche synode leert het ons anders; daar waren toch ook Gereformeerde Kerken uit den vreemde vertegenwoordigd om sè.am te beraadslagen en .sè.am beslissingen te nemen, die voor alle Kerken van beteekenis waren.
Maar een intiemer saamleven is toch alléén mogelijk voor de geloovigen van één taal en uit één volk, en zoo zou ook in dit opzicht de uniformiteit niet anders dan relatief kunnen zijn, gelijk een ieder zal toestemmen.
Mag men dan ten minste den eisch stellen, dat er in één land en nog minder in één stad of op één dorp geen twee Kerken naast elkaar geplaatst worden?
Het antwoord is voor ons niet moeilijk. Want zien we overal de drang om van het ééne tot het vele te komen, opdat het ééne in het vele zijn volle ontplooiing beieike. Zoo is er ook verscheidenheid in geloofsleven, zelfs waar men één in wortel is; en de eene groep geloovigen zal zich het meest onder het beslag van deze en de andere groep onder dat van geene zijde der waarheid gevoelen en in één Kerkverband gemeenschap met zijne nadere geestverwanten zoeken — welke verschillende typen vreedzaam in èen Kerkformatie nevens elkander kunnen wonen, zoolang zij sich flauw en zwak afteekenen. Maar nauwelijks worden zij zich bij voortgaande verdieping en veredeling van het geestelijk leven echter van hun eigen en betrekkelijker wijze zelfstandig karakter bewust, of zij zullen niet kunnen ontkomen aan de innerlijke aandrift om onafhankelijk op te treden en zich een eigen Kerkvorm te scheppen, waarin zij het hun eigen karakter niet slechts ten deele maar ten volle kunnen ontplooien.
Om te blijven bij de practijk van het leven: voor ons is het duidelijk, dat in Nederland niet één Kerk kan en zal zijn, waarin alle Nederlanders zullen en kunnen sS.am wonen....
Ook geen Kerk waarin-alle niet-Roomschen zullen en kunnen sè, amwonen.
Wij achten dat onmogelijk, al zouden we het gaarne wenschen.
De beschouwing van Doop, Avondmaal, praedestinatie enz. doet Lutheraan, Calvinist, Arminiaan, Baptist uit elkaar gaan. En de historie zal uitmaken of de verscheidenheid op het gebied van het geloofsleven tot staan is gekomeri of — wat we vreezen — verder zal doorgaan.
Wij zijn dan ook van oordeel, dat in een door de zonde verbrokkelde menschheid, wier harmonie verbroken ligt, de éénheid der Kerk in institutairen zin een illusie is.
In Nederland zal — om daarbij te blijven — nooit éên Kerkformatie heel het volk dekken. Het zal en het kan niet.
Daar zullen zijn Lutheranen, Calvinisten, Remonstranten, Semi-Pelagianen, Baptisten enz, enz.
En daar één Kerk van te willen maken is dwaasheid en van te voren reeds een mislukking te noemen.
Daar zal zijn een Kerk, die zich openbaart als de valsche Kerk. Daar zal zijn een Kerk, die zich openbaart als de ware Kerk, Daar zal ook zijn, waar de waarheid, die uit God uitstraalt één is, een onderscheiden type van geloofsleven en het zou dom en brutaal zijn indien ééne Kerk pretendeerde de alleen-ware Kerk te zijn, gelijk het veel beter is, om ais zusterkerken naast elkaar te leven.
Wel willen we met. heiligen ernst en kracht van woorden waarschuwen tegen lichtvaardige afscheiding en scheuring.
Een splitsing, die uit zondige motieven opkomt, kan niet bestaan. Het is dan ook daartegen, dat de apostel, bizonder in den Corinthèr-brief, zoo ernstig waarschuwt, vragende of Christus gedeeld is, en ons vermanende allen hetzelfde gevoelen te hebben.
Al wat uit één beginsel leeft, behoort saam in één Kerkverband; wat vooral in onze dagen, waarin de splijtzwam zoo krachtig is in werking, wel telkens mag worden voorgehouden.
Het is er dus verre vandaan, dat wij een vrijbrief aan de scheurmakers zouden willen uitreiken. Integendeel betreuren we diep de gedeeldheid der Kerk als instituut. We zien het klaar, dat de zonde, het hoogmoedig vleesch, het dwaze hart, het verduisterd verstand hier een grooten rol speelt.
Het is dan ook met hoogen ernst, dat we waarschuwen willen voor alle partijschap, scheuring, verdeeldheid onder degenen, die uit één beginsel leven en in éên huis behooren saam te wonen. -
Maar iets anders is, dat we, waar de eenheid van ons geslacht teloor gegaan is, zouden leeren, dat hier op aarde één kerkelijk instituut is, dat de ware Kerk genoemd moet worden, waarin alle geloovigen kunnen en moeten en zullen saamleven.
Dat doen we niet.
En de historie bewijst, dat allen, die het toch blijven leeren en blijven verwachten, bedrogen uitkomen.
De Oostersche en Westersche Kerk zijn uit elkaar gegaan vanwege verschil in belijdenis aangaande het uitgaan van den Heiligen Geest van den Vader of van den Vader en den Zoon (Filioque), waarbij verschil in meening bestond in zake het gebruik van gezuurd of ongezuurd brood bij het Avondmaal,
Bij de Reformatie verwekte God in Duitschland Luther, in Zwitserland Zwingli en in Frankrijk Calvijn — waarbij de ééne waarheid in onderscheidene stralen uitschoot over Europa en onderscheiden Kerkformaties in 't leven riep.
En in Nederland is sedert de Roomsehe de Luthersche, de Gereformeerde Kerk; de Remonstrantsche broederschap, de Doopsgezinde gemeente, de Apostolische Kerk, de Evangelische gemeenten enz. enz.
Waarbij we niet hooghartig alles en een ieder veroordeelen en uitsluiten, sprekende van valsche Kerk, scheurkerk of iets dergelijks.
Maar waarbij we wel beweren, dat de Ned. Hervormde Kerk volgens haar belijdenis en krachtens haar presbyteriale Kerkorde van ouds de meest zuivere Kerkformatie is geweest, naar uitwijzen van de Schrift, bij welker schrikkelijk verval onze hooge roeping is ons te leeren verootmoedigen voor God, van alle scheuring en partijschap af te laten, en te staan naar het herstel en de wederoprichting van het Vaderlijk erfgoed, om tegenover de Roomsehe Kerk en naast de Luthersche, Doopsgezinde, Evangelische en Apostolische Kerken de banier der waarheid op te heffen, den naam des Heeren te belijden, den Christus Gods te eèren en het leven kennend dat leven ook uit te dragen hier en «Iders, tot in het verste heidenland!
De tijjd komt, dat allen saam ook naar het uitwendige één zullen zijn die in Christus gelooven, al is er in die toekomende eeuw geen instituut der Kerk meer noodig.
En het uitnemendste middel om onnoodige gedeeldheid te voorkomen en te bezweren, 'tis dat iedere Kerkformatie zich bij voortduring stelle onder de heilzame kritiek van het eenheidsideaal, dat werkelijkheid wordt bij de wederkomst van Christus op de wolken des hemels.
[Dit artikel is voor 't grootste deel saamgesteld uit zinnen en passages voorkomend in Dogmatische Fragmenten van Ds. J. J. Knap, Czn., iste serie No. 5. Men leze nog eens wat Ds. Knap daar schrijft over de eenheid der Kerk blz. 80—88.]
Droeve toestanden in de Hervormde Kerk,
Door de Synode werd het volgende schrijven verzonden aan de Kerkeraden: NO, 450,
's Gr'avenhage, 20 Augustus 1915,
Eerwaarde Broeders,
De Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk neemt de vrijheid het volgend schrijven tot U te richten. Zij is daartoe gekomen door de behandeling van het rapport, dat in een harer zittingen werd uitgebracht over de persoonlijke kerkvisitatie over het afgeloopen jaar. De Synode nam met groote belan'gstelfing kennis van dit rapport en zij wil het ook voor U, met blijdschap, uitspreken, dat er in onze Kerk op Christelijk en philanthropisch gebied, zeer veel gedaan wordt.
Maar het rapport wees ons toqh ook op zeer veel, dat ons reden geeft tot groote bezorgdheid en wij rekenen het onzen plicht U daarop te wijzen.
Dit geldt allereerst de viering van het Heilig Avondmaal, Het is ons toch gebleken, dat dit in 192 Gemeenten slechts éénmaal 's jaars wordt gevierd; in 340 Gemeenten slechts tweemaal; in 119 Gemeenten driemaal en in de overige Gemeenten vier-of meermalen, terwijl de deelneming, over het algemeen gering, eer minder dan meer wordt. Een enkele Gemeente maakte een gunstige uitzondering, maar er zijn zelfs Gemeenten, waar de kerke^raadsleden zich aan die deelneming stelselmatig onttrekken. Nu willen wij die geringe deelneming niet uitsluitend wijten aan onverschilligheid, maar is zij toch ook niet een bewijs, dat het met het geestelijk leven in zulke Gemeenten zeer droevig is gesteld ?
Verder moeten wij U wijzen op den achteruitgang van het getal der kinderen, waaraan de Heilige Doop werd toegediend. In vergelijking alleen met het vorige jaar bedraagt die achteruitgang meer dan vier duizend kinderen, terwijl toch het zielental in onze Kerk over dienzelfden tijd met ruim honderdduizend is toegenomen. Broeders, is de gevolgtrekking gewaagd, dat zich bij vele ouders in onze Kerk een toenemende geringschatting openbaart van den zegen dien de Heilige Doop voor hunne kinderen inhoudt?
Dan heeft het ons, om nu niet meer te noemen, ook zeer getroffen, dat de huwelijksinzegening in vele Gemeenten weinig of zelfs nimmermeer plaats heeft; en wijst ook dit verschijnsel er niet op, dat vele leden van onze Kerk, in een der gewichtigste oogenblikken van hun leven, geen behoefte meer hebben aan den zegen van Hem, die ons levenslot op aarde regelt met vaderlijke wijsheid en liefde?
Al deze verschijnselen vervullen ons met ernstige bezorgdheid. Zij wijzen ons op eene kwijning en verflauwing van het godsdienstig en kerkelijk leven. Broeders, laat ons bedenken, dat in deze tijden van toenemende verwildering ook op geestelijk gebied, onze Kerk behoort te zijn als eene stad gelegen op een hoogen berg; dat zij eene heilige roeping heeft tegenover haren Koning en tegenover hare leden en dat zij die vervullen moet in de eerste plaats door ons, die in haar midden ambtsdragers en voorgangers mogen zijn.
Wij weten natuurlijk niet, in hoeverre hetgeen wij U meedeelden, betrekking heeft ook op Uwe Gemeente, maar wij vermanen U toch met al den ernst der liefde: Broeders, de dag der rekening komt, zijt standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, ale die weet dat uw arbeid niet ijdel is in den Heer,
De Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk,
H, A, LEENMANS,
President
L, W, BAKHUIZEN
VAN DEN BRINK, Secretaris.
Aan de Kerkeraden.
Ned. Herv. Kerk of Kerken?
Wij zijn er van overtuigd, dat onze Vaderen veelszins gewoon waren om te spreken van Kerken.
„Opdat nu in alle Nederlandsche Kerken enz." — is een spreekwijze welke we herhaalde malen aantreffen in oude acten en ordeningen.
Maar wanneer men zag op het geheel dier Kerken, de plaatselijke Kerken saam genomen, sprak men niet zelden en niet onduidelijk de Nederlandsche Kerk
In den naam Kerke-ordening, (ordre de l'eglise) »komt dat al uit.
Dat is niet een enkelvoud als in ons woord gemeentewet zit, waarover elke gemeente in hoofdzaak gesproken wordt — maar dat ziet zeer zeker op het geheel der Nederlandsche Kerken, 't welk men aanduidde met den naam de Nederlandsche Kerk.
Dat was ook om de saamhoorigheid, om de éénheid van de Kerk van Christus in dezen lande te doen uitkomen.
't Was saam één geheel, één huis, één lichaam terwijl men elkanders leden voelde te zijn.
Neem b.v. de eerste Kerke-orde maar die gemaakt werd: de Wezelsche artikelen van 1568,
Daar staat boven: „Eenige bepaalde punten of artikelen, welke de Dienaren der Nederlandsche Kerk voor den dienst dezer Kerk deels noodzakelijk, deels nuttig hebben geoordeeld".
Zoo meenen witj, dat het goed is, als wij het geheel der Kerken bedoelen, dan niet *te spreken van Ned. Herv. (Geref.) Kerken, maar liever Van de Ned. Herv, (Geref, ) Kerk.
Waarbij we dan goed doen om de zelfstandigheid der plaatselijke Kerker» niet uit het oog te verliezen; gelijk een gereformeerde Kerke-orde de beginselen zal moeten aangeven, waarbij de Kerken kunnen leven naar haren aard en de Kerh zich openbare als één geheel.
Want dat een Kerke-orde maar geen ding van weinig of geen beteekenis is, hebben onze Vaderen aanstonds goed gevoeld en ook duidelijk en ernstig uitgesproken.
Lees maar wat boven de zooeven genoemde Wezelsche artikelen van 1568 staat:
„De Apostel Paulus schrijft voor, dat in de Kerke Gods alle dingen' betamelijk en met orde moeten geschieden, opdat niet alleen in de leer maar ook in de orde zelve en de kerkelijke regeering van het ambt een eenparige overeenstemming van de Kerk vaststa en onderhouden worde. Opdat nu in alle Nederlandsche Kerken een volkomen gelijke regeling van deze zaken in acht kunne genomen worden, heeft het ons goed gedacht deze navolgende punten, waaromtrent wij bij de best gereformeerde Kerken zijn te rade gegaan, naar orde , voor te stellen, opdat zij tot eene voor de Kerk heilzame vrucht door de Nederlandsche dienaren met eenparige over-! eenstemming bezegeld en onderhouden mogen worden."
Wy vragen dan ook een gerefornaeerde Kerke-orde, gelijk we vasthouden aan de geref. belijdenisschriften onzer Kerk.
Zóo alleen kunnen de Kerken leven Gode tot eere en zal de Kerk kunnen groeien en bloeien onder de zegenende hand van haar Hoofd en Heere, Jezus Christus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's