De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

13 minuten leestijd

Zoo Gij, HEERE, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere! wie zal bestaan ? Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt. Ps. 130 : 3 en 4.

Opdat Gij gevreesd wordt.

I. Zoo Gij, HEERE, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere! wie zal bestaan?

De dichter van Ps. 130, haderend tot bet heiligdom des Heeren in gezelschap van hen die zich opmaken om naar Jeru-' zalem te gaan, mag een oog naar binnen slaan; tot zichzelf inkeeren; bij zichzelf bepaald worden; en, zich voor het heilig aangezicht des Heeren wetend, roept hij uit: „Zoo Gij, HEERE, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere! wie zal bestaan ? "

Dat is waarachtige zelfkennis na geheiligde zelfontdekking en zelf beproeving.

O! wat is er dikwijls een genoegelijk spele-varen op de effen wateren van ijdelheid en onbedachtzaamheid. Wat is er dikwijls een leven aan de oppervlakte van deugd en braafheid en vroomheid.

En neen! dan hoort men die ziel-ontroerende jammerklacht niet, sprekende van ongerechtige dingen. Maar aan de oppervlakte is ook nog nobit een parel gevonden. Die drijven niet op den effen waterspiegel. Die liggen verborgen in de diepte der wateren, op den bodem der zee.

Dat is voor ons een ernstige waarschuwing !

Want van nature knellen ons de banden der ongerechtigheid niet en de diepte van verlorenheid ontstelt ons niet. We praten er wat over. Maar 't grijpt onze ziele niet aan. 't Legt ons niet neer voor Gods aangezicht met oprecht schuldbelijden.

En neen, dan verstaan we niets van 'tgeen noodig is tot zaligheid. Ons hart is er vreemd van; koud voor; ongevoelig. We leven vér van de werkelijkheid; vér van God; vér van de zaligheid. Liggende midden in den dood, zonder er eigenlijk iets van te weten.

't Moet een dadelijke kennis bij ons worden; 't moet voor onze ziele een waarheid van ondervinding, van ervaring, worden of zijn. Waarbij we niet praten over den mensch in 't algemeen over de zonde en vloek als woorden en termen; maar waarbij we m«t onszelf van doen krijgen en onszelf leeren zien in de diepte van verlorenheid, zondigheid, walgelijkheid, verdoemelijkheid — om onzen hemelschen Rechter om genade te smeeken.

De Psalmist heeft met 'zichzelf te doen Hij is aan eigen weg ontdekt. En hij ziet zich staan voor het aangezichte des Heeren met al z'n overtreding van Gods heilige wet in gedachten, woorden en daden, uitroepende: „Zoo Gij, HEERE, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere! wie zal bestaan? "

Daar rijst z'n geboorte op voor 't oog zijner ziel; z'n gedachten, woorden en daden; de roerselen zijner ziele en de gangen; zijns levens speurt hij na; z'n weg en z'n werk meet hij en weegt hij en keurt hij' — en o! wat diepte van gruwel, zonde, ongerechtigheid!

Ja — ongerechtigheden hopen zich op voor 't oog zijner ziel.

En dat wil immers zeggen, dat hij 't gevoelt en erkent en belijdt het recht Gods te hebben verbroken, gebogen, vertreden, veracht. Dat hij tegen God in geleefd heeft. Dat hij zich niet bekommerd heeft om de eere Gods en Zijp geboden heeft geschonden. Moed-en vrijwillig, roekeloos en welbewust, lang en vreeselijk is z'n leven tegen Gods heiligen wil ingegaan.

En daar staat hij nu voor den Heilige Israels!

Dat geeft een worsteling der ziele bij den psalmdichter.

En hij, die geen vreemdeling in Jeruzalem is, hij mag God kennen als HEERE en als Heere.

Wat dat zeggen wil ?

Ps. 130 leert het ons wel, als we maar leeren willen. Want de HEERE, Jehova, Sions Bonds-God, is der ziele vastigheid; maar de Heere, de Allerhoogste, die bekleed is met majesteit en heerlijkheid, is der ziele tot schrik.

En wat is de oplossing ?

Dat de ziele, die den Heere waarlijk in Zijn heilig recht-mag leeren kennen als door den mensch gansch verworpen en vertreden — den HEERE mag leeren kennen als den God van Sion, die Zich­ zelf een volk verkorven heeft, dat leven zal, omziende naar dejf; enen die niet omzagen naar Hem en overkomend tot degenen, die niet naar Hem zochten.

O! dit is een wonder mysterie; dat is een goddelijke verborgenheid. Maar zoo kan alleen verklaard worden dat op die zielontroerende aanklacht volgen kan:

II. Maar bij U is vergeving.

Het harte dat voor 't eerst of bij vernieuwing waarachtig tot schuldbelijden mag worden gebracht, en de waarheid der algeheele verlorenheid daadwerkelijk mag ondervinden, om in oprechtheid bittere klachten uit te stooten voor het aangezicht van een hiilig God — mag zich tot den HEERE om genade wenden.

De mensch, die over ellende en armoede praat, maar er .niet van weet en er niet bij leeft — verstaat dat niet. Hij verstaat het voor ziclizelf niet en voor anderen niet.

Maar de psalmdichter, die weten mag wat maaksel hij is, mag .het ook bij ervaring weten, dat er Mj den Heere vergeving is.

O! dat is de weg voor Gods volk: algeheel verloren voor God, maar er is genade. En alleen wanneer de ziele waarachtig door de diepte mag worden geleid, zal zij ook waarlijk komen tot de hoogte.

Nooit anders.

Neen, wanneer onze ziele weigert vernederd en verteederd te worden; wanneer ons harte hard en verhard is; wanneer ons leven vèr van God verwijderd is; wanneer we niet waarlijk arm en ellendig ons weten, alles wat we bezitten verkoopend en verwerpend, om niets dan ongerechtigheden over te houden — neen, als zóo onze weg niet gaat door de diepte van zondekenuis en schuldbelijden, dèn is er ook geen beklimmen van de hoogte der genade en liefde Gods.

Maar — o! wonder van Gods ontferming — juist als de ziele zonder verwachting moet zijn, wil de Heere een deur der hope openen in het dal Achors. Dat heeft de Heere van ouds voorgebeeld in het paaschlam, welks bloed nog redding bracht bij 't naderen van den dood. Dat heeft Hij afgeschaduwd in den tabernakel en den tempel, in altaar en offer, priester en profeet, — om 't op 't heerlijkst te openbaren in Jezus Christus, Zijnen lieven Zoon, die kwam om zichzelf te geven voor de Zijnen, opdat zij uit Zijn dood het leven en door Zijne opstanding eeuwige heerlijkheid zouden ontvangen.

O, waar dan het schuldbelijden zich niet oplost in koude algemeenheden; waar men waarachtiglijk met het harte mag naderen tot God en niet slechts met de lippen, daar wil de Heere voor het oor der bedroefde ziel spreken van genade en Hij wil lokken tot het toevluchtnemend geloof om met al den nood der ziele tot den Heere zich t^ wenden en Hem om genade te smeeken, aanroepende den name van den Zone Davids.

Zonder genade, zonder vergeving, zonder verzoening, zonder üitdelging van schuld kan de ziele niet tot rust komen. En nu gevoelt de psalmdichter zoo diep, dat, als de Heere het oog wendt op de ongerechtigheden, de dood en het oordeel volgen moeten. Maar om dan aan te loopen op den Heere, die een Middelaar en Losser en Voorspreker gaf in Zijnen lieven Zoon, door Wiens vloek zegening en door Wiens bloed verzoening is aangebracht voor een arm zondaarsyolk.

En o, daar nu het oog op te leeren slaan en door genade een worstelaar te worden voor Gods genade troon, dat is het voorrecht, dat de Heere nog bereiden wil aan oprechte harten. Want ja, 't is wel waar, dat de ziele die waarlijk diep mag inzien in den staat van hatelijke zonde en verdoemelijke verlorenheid, niet op genade durft hopen. Men vlucht en zucht, maar men kan nergens heen en vindt geen vertroosting. Men schat zich geheel verloren. Men kan niet anders dan zucht op zucht slaken en klacht op klacht loozen. Maar dan wil de Heere zelf uittrekken om te zoeken wat verloren is en Hij wil troosten wat bedroefd van harte is en Hij wil spreken van sieraad voor asch, vreugdeolie voor treurigheid en een gewaad des lofs voor een benauwden geest. Hij wil spreken van Zijne genade en barmhartigheden. En allen, die in het stof liggen neergebogen, wil Hij bepalen bij de uitkomsten, die bij Hem zijn ; Hij wil spreken tot de ziele, zeggende: „Kom laat ons tezamen richten en al waren uwe zonden rood als bloed, Ik zal ze wasschen en maken witter dan sneeuw".En de Heere zelf wil de ziele dan geven vrijmoedigheid in het roepen en sterkte bij het aanhouden. Hij zelf komt om dpor de wondere werking en leiding des Heiligen Geestes der ziele den 'weg te leeren. Waarna de ziele ervaren mag, wat de dichter van Ps, 116 aldus vertolkt: „de banden des doods hadden mij omvangen en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis. Maar ik riep den naam des HEEREN aan, zeggende: Och HEERE, bevrijd mijne ziel. De HEERE is genadig en rechtvaardig, en onze God is ontfermend.

Daar is 't den Heere om te doen, dat het harte zal komen tot de kennis van den algeheelen verloren staat voor God, ' om met oprecht schuldbelijden op den Heere aan te loopen en Hem om genade te smeeken en vervuld te worden met' gedachten, die doen hopen op 's Heeren genade en doen zeggen: „Heere, ik laat U niet los, vóórdat Gij mij gezegend hebt, " Dan wordt het harte ontsloten, om als een schuldige en ellendige tot den troon der genade toe te gaan, tot Christus en Zijn bloed.

Dat is het begin. En dat weet de Heere te onderhouden, te sterken en te voleindigen, om met blijde verzekerdheid des geloofs te mogen zeggen: „zop is er dan geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, "

III. Opdat Gij gevreesd wordt.

Juist omdat dit alles niet in algemeenheden blijft hangen, maar diep door eigen ziel moet gaan, weet degene die bij aanof voortgang uit zondekennis, schuldbelijdenis en gevoel van ellende tot de schat van Gods genade komen mag, dat het alles onverdiende zegening is, dat het alles buiten den mensch ligt, dat het alles in Christus' gerechtigheid ligt en dat het alles vastligt in Gods eeuwige, vrije, ongeboudene liefde.

En dat roept den mensch tot zoo hóoge verplichting. Tot déze verplichting, dat het kind van God vervuld zij van die eerbiedige en kinderlijke vreeze Gods, om ootmoedig en onderworpen, afhankelijk en vol kinderlijk vertrouwen op den Heere te leunen en te steunen, bekennende: „Bij U, Heer' is de levensbron; Uw licht doet, klaarder dan de zon. Ons 't heuchlijk licht aanschouwen. Wees die U kennen mild en goed, En toon d'oprechten van gemoed Uw recht, waar z' op ver­trouwen."

Door Gods genade zullen dus de beginselen van zelfmishaging in het harte moeten wezen; om met veroordeeling van zichzelf tot den Heere te vluchten en onder Zijne vleugelen te schuilen en dan in woord en daad, in handel en wandel belijdende: „het is mij goed, nabij God te wezen, ik zet mijn betrouwen op den Heere HEERE, om alle uwe werken te vertellen, " (Ps. 73)

OI het gaat zoo wonderlijk toe in Gods Koninkrijk, Want de weg van opzoekende liefde is een weg van vernederen en verteederen, van ontblooten en neerwerpen — maar ook een weg van lokken en trekken, van troosten en zaligen, om dan in den weg van wedergeboorte en bekeering te vernieuwen en de hope op den Heere te vestigen.

Zijne goedertierenheden komt de Heere lieflijk maken aan Zijn Sion.

En Gods kinderen hebben zich wel te beproeven of zij alles in den Heere zien en zoeken. Of zij in levende gemeenschapsoefening met hun God wandelen en handelen.

Want er kan dikwijls een toestand zijn, dat het harte zoover van God leeft. En dan wordt er wel gepraat, gezucht, geklaagd. Maar men dpet geen afstand van de ongerechtigheid. Mén laat niet los en zal niet niet losgelaten worden. Men nadert wel met de lippen, maar het harte is zoo ver van God af.

En ziet, daarom zioeke het volk des Heeren in een weg van schuldbelijden met zondekennis de genade des Heeren in Christus te mogen ervaren, om dan dicht bij God te mogen leven en in nieuwigheid des levens te wandelen.

Want de Heere wil gevreesd worden. En Hij wordt niet gevreesd, men wandelt niet in liefde, in kinderlijk vertrouwen, in blijdschap en vrede — als men niet anders weet te spreken dan over 'tgeen vroeger misschien wel eens ervaren is, terwijl inen nu doodig, in vleeschelijk betrachten der dingen z'n weg voortzet. Dan ligt er een breuke tusschen de ziel en den Heere. Dan is er verwijdering, verkoeling, vervreemding, verarming. En men zit op den ouden droesem, terwijl er geen afstand van ongerechtigheid gedaan wordt.

Volk des Heeren, onderzoek uw weg, uw hart en wandel nauw, of gij ook vér van God leeft en leer Hem vreezen. Hij die in Christus de zaligheid besteld heeft om niet.

In Christus den Vader te mogen kennen en in Zijne liefde te deelen, dat doet schuilen onder Zijne vleugelen en Zijne goedheid prijzen van nu aan tot in eeuwigheid,

O, wat moet dan de inwonende en aanklevende zonde geduriglijk tot droefheid zijn.

En wat moet het dan bij voortduring de bede wezen, om de hulpe des Heiligen Geestes te mogen ervaren en door dien Geest te mogen worden geleerd en geleid.

Dat de Heere ons onderzoeke of bij ons een schadelijke weg zij en geve Hij ons genade, om in Zijne kracht tegen de zonden te mogen strijden, waarbij onze ziele moge getroost worden door de gerechtigheid en de heiligmaking, die in Christus is voor al Zijn gunstgenooten en zonder welke geen vrede is en zonder welke niemand den Heere zien zal.

Dat gestreden mag worden in de kracht Gods tegen allerlei zonde en ongerechtigheid. Dat er een biddend leven mag worden gevonden bij Gods kinderen. Dat men den Heere vreeze. Dat 't vleesch gekruisigd worde. Dat men den Heere aanhange. Dat men in oprechtheid en eenvoudigheid voor des Heeren aangezichte wandele. Dat de Kerke Gods groeie en bloeie. Dat er weer nieuw leven uitspruite. Dat men Gods huis beminne, Gods Woord zoeke, rondom de Sacramenten vergadere, dat men verborgen, levende, zaligen omgang met den Heere mag kennen.

O! de Heere brenge ons, ieder voor zich, maar in de schuld! En leide onze ziele aan de stille wateren Zijner schuldvergevende genade in Christus. Vernieuwe Hij in ons de keuze en de begeerte, de vleeschelijke begeerlijkheden te verzaken en de vleeschelijke heiligmaking los te Jaten, om naar Zijn wil te wandelen, met de troostrijke verzekering, dat, hoe zwak en gebrekkig en klein dit alles ook nog bij ons zij, de Heere óns nochtans gewisselijk in genade wil aannemen en ons van het eeuwige leven wil verzekeren.

Dan zullen we hier getroost en gesterkt en bemoedigd worden, om van kracht tot kracht voort te gaan.

En weldra zal de poorte van het Sion flat boven is zich ontsluiten voor alle vermoeide pelgrims, die leunend op de staf van Gods beloften komen aanwandelen, om dan den Heere te mogen aanschouwen van aangezicht tot aangezicht en dan verzadigd te worden met Gods deugdenbeeld en Hem te loven en te prijzen tot in eeuwigheid.

.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's