Stichtelijke overdenking.
Psalm 29.
Als de Heere opwaakt in Zijne gerechtigheid, dan blijkt het hoeveel pijlen Hij heeft op Zijnen boog en h®e dwaas een mensch is, die zichzelf meent te beveiligen door allerlei middelen 't Is tegen den Almachtige niet uit te houden, en gelukkig een volk, dat dit recht komt in te zien en het leert opgeven.
Met wat lof voor bekwaamheid en handigheid en wat „gelukkig" samentreffen van omstandigheden, komt er niemand, en een veelbelovende aanvang is geen grond voor de verwachting van een goed einde.
Verzondigde en miskende goedheid Gods doet soms plotseling de hoop verijdelen en dan staan menschen daar te staren op hun onheil, wezenloos en stom, zonder raad en... zonder God; en dan wordt de mond tegen den hemel geopend en de handen uitgestrekt naar menschenhulp.
Wat is het een voorrecht, hoog en heerlijk, als er door genade opmerkzaamheid mag zijn op de wegen des Heeren en begeerte om recht werkzaam te mogen wezen met eigen nooden en anderer behoeften.
Van David lezen we, dat het hem verdroot, dat anderen trouweloos handelden en des Heeren woord niet onderhielden; ja zelfs, dat hij zeer weende, „omdat zij des Heeren wet niet onderhouden." Hij wist van 's Heeren gerechtigheid en kende het verband tusschen zonden der menschen en bezoekingen Gods,
De , wijze" menschen hebben dat in zijn tijd ook al ontkend en gezegd: acht^ de dingen staat niemand, in de omstandigheden is geen stemme te beluisteren, en daar is geen hand, die zich verhoogt in oorlog en vrede, in stormwind en lieflijke stilte, 't Is alles stom.
Wat maakt het ongeloof arm en troosteloos, al zoekt de mensch ook zekere i vergoeding in gemoedsstreeling en pogingen om zichzelven te troosten met overleggingen, welke een schijn van gods l dienstigheid hebben!
Ouder al de ernstige oordeelen en leidingen Gods verkeeren de meesten van ons geslacht (ik hoor dat van alle kanten!) in diepe zorgeloosheid: en dat gemis van de vreeze des Heeren mocht ons wel aan 't harte gaan. '
tWas een zeer oud spreekwoord: Hij is meest te beklagen, die zichzelven 't minst beklaagt.
Onder ons schikte sparende goedheid Gods nog veelvuldigen voorspoed. De twist tusschen machtige volkeren bracht ook bij ons in sommige kringen groot nadeel, doch stoffelijk profijt werd anderen in den schoot geworpen. Wij hadden reden in Nederland om den Heere te zoeken, te erkennen en te prijzen, en Hem te danken voor voorzichtige wijsheid en beleidvolle gematigdheid aan onze geëerbiedigde Koningin en den raadslieden van de Kroon geschonken.
En daar wordt op eens op onze kusten, niet 't kanongebulder gehoord, maar het loeien van den stormwind, en worden de wateren opgezweept tot eene in jaren niet gekende hoogte en de dijken gebeukt met een geweld, waaraan ze geen weerstand konden bieden. Gansche streken liepen onder. Duizenden menschen uit hunne huizen verdreven. Gansche kudden vee opgeschrikt en voortgedreven naar hooger gelegen terrein; of ook omkomende in de snelle wateren.
Wie had dit verwacht? Maar ook: wie treurt niet, als hij aan de ellende van zoovelen gedenkt en aan het, zoo noode, geleden verlies, in dit dure wintertij ? Reeds werden op vele plaatsen comité's opgericht om hulpe te bieden aan duizenden en daaronder velen, die al hun goed verloren.
De watersnood van Januari 1916 zal in herinnering blijven vooral in Noord-Holland boven 't IJ. Zal er ook méér onder de aandacht komen? Zal ook geluisterd worden naar de stemme des Heeren? En zal er gevraagd worden, dat, onder genadige en machtige werking van den Heiligen Geest, er geestelijk voordeel kome uit deze donkere bedeelingen ? Zal er gesmeekt worden: Heere, wat hebt Gij mij, wat hebt Gij ons te zeggen ? 't Is zoo noodig, als gewenscht.
Psalm 29 worde door ons opgeslagen. Deze psalm is menigmaal besproken en er zijn schoone woorden over gezegd. Velen bleven bij de letterkundige schoonheid van dit lied staan; anderen gevoelden iets meer van de verhevenheid van dezen psalm, en betrekkelijk weinigen hadden door 't geloof krachtige versterking in moeielijke dagen, dewijl ze zich verootmoedigden onder de krachtige hand Gods.
„Alles in dit lied is de hoogste kunst en tegelijk de verhevenste natuur." 't Is meer dan dat; 't is ook getuigenis van de heerlijke werking der genade, welke eene menschenziel ootmoedig-dankbaar den Heere doet erkennen, eerbiedigen en stille zijn.
Van verre komt over de breede wateren der Middellandsche zee een geweldig onweder opzetten, 't Komt snellijk naderbij. Vreeze overvalt; de gedachten worden onrustig. En als de God der eere dondert, „beeft 't schepsel en staat verwonderd."
In 't geluid des donders is zulk eene majesteit, welke ons oproept en in hernnering brengt de „stem des Allerhoogsten." In 't boek Job wordt de macht van Gods stemme bij den donder verge a eken en van Hem wordt gezegd, „dat Hij groote dingen doet, die wij niet begrijpen."
Nu hoort David de stem van den levenden God in dat geluid en merkt op de heerlijkheid van zijn Verbonds-God.
Dat is meer voorgekomen, dat er van des Heeren kinderen verkwikt werden, als van de stem des Heeren op de wateren was en de God der eere donderde, en den Heere op groote wateren was; — 't is meer voorgekomen, dat de ziele verblijd werd bij de gedachte: en die machtige God is, om Zijns Zoons Christus wille. mijn God en mijn Vader.
De dichter gaat voort van de kracht en de heerlijkheid (de schitterende glans) te spreken van de stemme des Heeren, en dat laatste heeft sommigen op de gedachte gebracht, dat ook de bliksemstralen mede weerglans waren van de Majesteit Gods.
Als donderslagen klateren door't luchtruim en bliksemstralen uit de wolken schieten, gebiedt de Heere meestal ten zegen de winden om uit te gaan. Ook op ditmaal zijn ze uitgegaan en grijpen de cederen aan en breken ze de cederen van den Libanon en-Sirjon (Hermon), niet met een forschen ruk, doch zij buigen en richten zich op en buigen weder en, schijnen wel te huppelen als een kalf, of machtiger, als buffel of eenhoorn. De' aarde schijnt te beven. Vooral de woestijn, de woestijn Kades zuidoostelijk gelegen, ' wordt geteisterd en beeft. De schuwe hinde werpt ontijdig haar jong. En de stemme des Heeren velt de woudreuzen en vernielt 't woud in korten tijd. Slagregen ploft neer, door de kracht der winden geweldiger. Woeste bergstroomen voeren alles mee; de valleien worden overstroomd; maar, de Heere heeft gezeten over den watervloed; ja, de Heere zit, Koning in eeuwigheid.
Dat woord geldt nog; en heeft wat te zeggen; en zegge het!
En dan zegt het wel eerstens, dat Gods hoog bestuur gaat over alle dingen. Op één wenk des Almachtigen gaan de winden uit, verheffen zich de wateren. Hij bepaalt het al; zoowel de duur van den storm, als de hoogte der vloeden. Zij alle zijn Zijne knechten. De gangen der eeuwen zijn Zijne. In Zijne eeuwige liefde is alles geregeld. Naar Zijne gerechtigheid gaat het. Al warrelt en jaagt het alles dooreen, als de wilde wolken bij storm, elk wolkje, ook dat „als eens mans hand", is zijn weg voorgeschreven, bestiering en weerhouding is van Hem. Bewaring en tuchtiging komen uit Zijne hand.
Deze overweging, aan 't harte geheiligd, zij middel om den Heere de eere en sterkte te geven en Hem te aanbidden in Zijn heiligdom (in feestelijk gewaad). Almacht en vrijmacht roept om aanbiddend neer te vallen en na eiken vloed een altaar.te bouwen voor dien God, die van de wolken Zijne wagenen maakt en op de vleugelen des winds wandelt.
's Heeren gunstgenooten worden telkens opgewekt om hunnen God te verheerlijken, die in storm en water vloed Zijne Majesteit toont en ook deze dingen bestelt, tot Zijnen roem, tot zaligheid Zijns volks en tot tuchtiging van een volk, dat naar Hem niet vraagt.
't Zal wel eens duidelijk worden, soms reeds hier, dat de Heere in de blijken Zijner Opperhoogheid een zegenende hand heeft om Christus' wil.
Want wij weten, dat Gods liefhebbers alle dingen ten goede medewerken, nl. dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn.
De Heere heeft een twist met de volkeren, als Hij opwaakt uit Zijne heilige woning, met tegenheid te zenden en wee! onzer, als Hij van ons wijkt. Nog is Hij des ontfermens niet moede, 't Is tijd om voor Hem te bukken in de erkentenis van sparende goedheid of van rechtvaarige tegenheid.
Job's besluit: Ik zal mijn Rechter om genade bidden, mocht wel ons besluit zijn
Wat staat ons en den volkeren te u vreezen, indien wij ons blijven afkeeren van dien, die in de Hemelen is! ? Indien wij weigeren ons schuldig voor Hem te kennen? De lijn Zijner „lange patientie" is straks afgeloopen. En dan ...
Is er vervolgens geen reden om Zijne lankmoedigheid over ons uit te roepen. voor zooverre Hij ons veiligheid schikte en Zijne lieflijkheid over ons een gulden dak spande? Daar mocht wel eene dankbare erkentenis zijn en behoefte om in te gaan in 's Heeren heiligdom met offerande des lofs (want lof betaamt den oprechten!) en hartelijke beê, dat de Heere van Zijn watervloeden nog eens „troostbronnen" make en doe zien, dat Zijn weg vaak gaat door diape wateren (en zilte!) doch omdat het Zijn weg ii, het einde goed is en 't „lest best" geldt van 'de leidingen Gods met al Zijne kinderen,
Jan Luiken rijmde een versje van dezen inhoud: Al is de afgrond zeer ontsteld En gaapt, om 't leven te verdrinken. Zoolang als Jezus ons verzelt En hebben wij geen nood van zinken.
Hij is getrouw in allen nood, En zal ons scheepken niet begeven; Maar voeren over hel en dood, Naar d' oever van het eeuwig leven.
Van een klein kind eener geloovige moeder las ik eens de vraag: „Moeder, kunnen wij ook door den vloed naar den Heere Jezus komen? " Op het toestemmend antwoord der moeder, . werd het kind gerust. Hoe ver dit ging bij dat lieve kind, weet ik niet u te zeggen; wel weet ik, dat er met een mensch heel wat moet gebeuren (of gebeurd zijn!) zal hij gerust zijn in de wetenschap: mijn God zit als Koning over den watervloed, zit als Koning in der eeuwigheid.
Dit gaat toch niet zonder heel wat er g Gew varing, van Gods goedertierenheid in Christus tegenover zoo groote schuld; zonder de gegronde hoop, dat vaderlijke goedheid „om onzes lieven Zaligmakers wille" over ons regeert en dat ons geen haar van ons hoofd vallen kan, zonder Zijnen wil; zonder de grondige bewusteid onzer nietigheid en geheele afhankelijkheid.
Als wij Gods stemme als Vaders stem ogen hooren en Zijne heerlijkheid in bliksemstraal en stormgeluid opmerken, an gelooven we het wel, dat Hij Zijn volk sterkte geven zal (want Hij is sterk, eere der heirscharen is Zijn Naam!) en dat Hij Zijn volk met vrede zegenen zal.
Bij genade-heerschappij wordt het stil, til als in 't Heiligdom; en van de lippen loeit in blijmoedigheid het loflied: Eere zij onzen God, en 't Lam, dat op den roon zit, en de zeven Geesten voor den troon!
Dan kennen we ons veilig in de Schuillaats des Allerhoogsten, en vragen we: wat heb ik met mijn God (en zoo'n trouwen God!) te vreezen? Die God tot Zijn God mag hebben, heeft alle schepselen tot Zijn knechten. En als dan die schepelen zoo vol majesteit zijn, hoe heerlijk moet Hij wezen, die 't zalig Deel is van Zijne kinderen, van kleinen en groeten te zaam.
Op dit laatste, en alles wat daarmee in verband staat, komt het aan.
Siddert een wereld en beeft zelfs de arde, dan moge het ons gegeven zijn, door genade, te zeggen: Die God der eere sprak tot mijne ziele: Ik, Ik ben uw God!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 januari 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 januari 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's