Uit het kerkelijk leven.
Dat zou beter zijn!
Men heeft ons gevraagd hoe wij denken over het catechiseeren op de Openbare Scholen.
Ons antwoord kan kort zijn.
Wat men met opzet, stelselmatig, dag aan dag op de Openbare School bij alle onderwijs wil weren, zou de predikant of de godsdienstonderwijzer er in één uur, buiten alle verband met het onderwijs om, kunnen inbrengen?
Immers neen!
Wie eenigszins logisch denkt, voelt het onmogelijke, het gedrochtelijke van een dergelijke voorstelling.
Waar dan nog.dit bijkomt.
Met opzet, krachtens beginsel en stelsel, wil men het onderwijs, de School, godsdienstloos maken.
Déarom geen Bijbel, geen gebed, geen psalmvers, geen catechismus.
Dat doet men welbewust zoo.
Omdat men het zóo beter vindt:
Maar... nu zijn er altijd nog ouders, die, om welke oorzaak dan ook, hun kinderen naar de Openbare School zenden en niet zoo tegen den Bijbel, tegen den godsdienst, tegen gebed en vragenboek zgn.
Dat weten de heeren van de Openbare School óok wel!
Welnu. Men richt de School in om alle onderwijs welbewust in te richten naar het godsdienstlooze systeem der moderne neutraliteit. En dat beginsel der moderne neutraliteit legt men als een zout in het onderwijs, dat 26 uren in de week gegeven wordt. Terwijl dan de predikant of de godsdienstonderwijzer één uur in de week in een klas mag gaan staan en met enkele, kinderen mag spreken uit den Bijbel.
Dan zijn ook die ouders, die nog niet zoo tegen den Bijbel zijn, tevree. En het mes sngdt van twee kanten ten voordeele van de Openbare School, die haar modern neutraliteitsbeginsel heerlijk kan ontplooien.
Wat in-droevig is deze toestand eigenlijk. Want dan wordt door de ouders gevoeld, dat de godsdienst niet gemist kan worden en dat de Bijbel moet worden geëerbiedigd. En in plaats dat zij zelf dan de plaats aanwijzen voor Gods Woord, om als de lampe des Heeren te lichten over èlle onderwijs en als het zout ingelegd te worden bij alles wat wordt verhandeld, laten zij het kalm toe, dat door de onderwijzers deze dingen in een hoekje worden gezet en over deze dingen alleen een uurtje in de week mag worden gehandeld door iemand, die buiten de School staat, liefst ook buiten de schooluren.
Men moest het niet dulden dat die beleediging den Bijbel en onzen godsdienst werd aangedaan!
't Godsdienstonderwijs blijft dan ook alzoo een vreemde eend in de bijt.
't Is als een zaaien op een akker, die met opzet niet geploegd en niet geëgd wordt. "
Men moest het listige en het onbehoorlijke van deze dingen voelen.
Neen — de opvoeding en het onderwijs van onze kinderen moet niet ingericht worden naar den voorslag van de wereld, die met Gods Woord geen rekening houdt — maar die het nog wel eens op eén accoordje werpen wil met den Christen om ook hém te vangen en intusschen toch niet al te veel last hebben van Bijbel en Godsdienst.
Christen-ouders moesten beter weten. Héél de opvoeding en héél het onderwijs moet doortrokken zijn van den geest der waarheid, die naar de Godzaligheid leidt.
En daarom — och, neen! wij willen volstrekt niet zeggen, dat niet gecatechiseerd moest worden op de Openbare Scholen.
Laat men dat niet uit deze onze woorden disteleeren!
Want we willen alles doen wat mogelijk en geoorloofd is om de zaden des.evangelies uit te strooien en het brood uit te werpen op alle wateren.
Maar waar ons protest tegen gaat is tegen de redeneering: dat het aardig wel in orde is, als ons kind op de Openbare School gaat, waar gecatechiseerd wordt.
En meer nog tegen de meening van menig predikanten ouderling, van menige Kerkeraad en menige gemeente die zeggen en oordeelen, dat er geen behoefte is aan Christelijke Scholen, een School met den Bijbel, als er een Openbare School is, waar gecatechiseerd wordt door den domine of door een Godsdienstonderwijzer.
Ziet, de Kerk moest toch eigenlijk flinker zijn!
De Kerk moest den Ouders toch eigenlijk een béteren weg wgzen, dan een School zonder gebed en Bgbel met een uurtje catechetisch onderwijs er aangeknoopt.
De Kerk moest de Ouders wijzen, voortdurend wijzen, op het allernoodzakelijkste van Christelijk Schoolonderwijs.
En men moest meer de handen uit de mouwen steken, meer aanpakken, flinker voor den dag komen, om overal het stichten en het onderhouden van Scholen met den Bijbel te bevorderen.
In stad en dorp is de weg gebaand. Als men maar wil.
Als men maar luisteren wil naar Gods bevel en als men maar wandelen wil naar Zijn Woord.
Dat gaat niet.
Toen de gebroeders A. W. F. A. Faure, Herv. predikant te Hemmen (1880) en L. H. F. A. Faure, Herv. predikant te Rheden (1894) lieten blijken, dat zij veel sympathie voelden voor de Irvingianen, of liever voor de Apostolische Kerk, toen mochten zij geen predikant blijven in de Herv. Kerk.
Waarom niet?
Zij verkondigden vreemde ideeën in betrekking tot de profetische geschriften, bizonderlijk wat aangaat het z.g.n. duizend-jarig rijk en de wederkomst van Christus op de wolken. Zij voelden veel voor een eeredienst die anders is dan bij ons; voor een liturgie die een mengsel is van anglicaansche en roomsche elementen; voor wijwater en eucharistie — terwijl zij met de Apostolische Kerk geloofden, dat de ambten waren: apostelen, profeten, evangelisten, herders en leeraars; waarbij dan voor de afzonderlijke gemeenten nog komen de ambten van engel of bisschop, presbyters of priesters en diakenen. Een héél andere opvatting hadden zij dus van allerlei dingen, dan de Herv. Kerk voorstaat.
Zij hechtten niet veel aan Gods Wooid, — veel meer aan de nieuwe openbaringen der z, g.n, apostelen, die onfeilbaar zijn. Zij keerden de rechvaardigmaking en de heiligmaking om.
Zij dachten anders over doop en avondmaal.
En toen moesten ze er uit.
Ze konden in de Herv, Kerk niet blijven.
Ze gingen heen.
Maar de meest radicale modernen, die anders denken over de Schrift, over God en Christus, over ambt en profetie, over doop en avondmaal, over dood en eeuwigheid — die héél anders denken over de grondwaarheden van het aloude christelijke geloof, die mogen blijven.
En die denken er niet over om heen te gaan. Socialist en Boeddhist, spiritist en theosoof, materialist en anarchist zitten rustig in ons midden.
En denken er niet aan heen te gaan.
Is het niet een beetje vreemd?
Is het niet onrechtvaardig?
Is het niet karakterloos voor onze Gereformeerde Kerk?
Want er moet toch gehandeld en gewandeld worden naar den regel van Gods Woord en het beginsel onzer belijdenis?
En men doet niets bij alle afwijking. Of als men wat doet, dan meet men met twee maten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 januari 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 januari 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's