Onze Belijdenis.
Art, 15c. Zij is ook zelfs door den Doop niet ganschelijk te niet gedaan, noch geheel uitgeroeid, aangezien de zonde daaruit altijd als opwellend water uitspringt, gelijk uit een onzalige fontein; hoewel zij nochthans den kinderen Gods tot verdoemenis niet toegerekend, maar door Zijne genade en barmhartigheid vergeven wordt".
LXI.
De zonde is ongerechtigheid. De zonde is dus in de eerste plaats schuld die betaald moet worden, maar de zonde is ook een gebrek dat genezing behoeft. Geen van beiden mag uit het oog worden verloren, want als we dat doen, dan moet onze beschouwing van de zonde wel een eenaijdige zijn.
De zonde schuld en smet. En dat geldt niet slechts van die zonden die door den mensch zelf in gedachten, woorden en ^ werken bedreven worden. Maar dat geld ook, ja dat geldt in de eerste plaats van ö die zonden die gewoonlijk erfzonde worden genoemd. De erfschuld is de zonde van Adam die ons wordt toegerekend, en dé erfsmet is die inklevende verdorvenheid die wij met ons omdragen van onze geboorte, ja van onze ontvangenis af.
Nu wordt van die erfzonde inhetdesbetrefi'end artikel onzer Belijdenis iets gezegd, dat menigeen ietwat vreemd in de ooren klinkt. Vandaar dat er dan ook over dat gedeelte van dit artikel menigmaal groot verschil van gevoelen bestond.
Die ietwat vreemde uitdrukking is deze dat de erfzonde ook zelfs door den Doop niet ganschelijk te niet gedaan, noch geheel uitgeroeid is. Nu schijnt deze uitdrukking in den oorspronkelijken Waalschen tekst van onze Belijdenis niet zóó gestaan te hebben. Daar stond alléén dit: „en wordt zelfs door den Doop niet weggenomen". Later heeft men er bijgevoegd: „noch geheel uitgeroeid". Eerst in een vertaling echter die in 1611 te Middelburg werd uitgegeven, schijnt de uitdrukking „niet ganschelijk te niet gedaan, , noch geheel uitgeroeid" te zijn voorgekomen en blijkbaar is deze uitdrukking door de Synode van Dordrecht in 1618 m en '19 goedgekeurd. fei en
Nu zijn er velen die zich aan die uit-, drukking gestooten hebben en het komt | niet zelden voor dat men er nog aanstoot U aan neemt. Immers „niet ganschelijk te| niet gedaan, noch geheel uitgeroeid", dat wil dus zeggen, zoo luidt dan de tegenwerping van velen, dat de erfzonde door den Doop dan toch wel gedeeltelijk is te niet gedaan en eenigermate is uitgeroeid. En wordt door die leer, zoo vraagt men dan, niet teveel waarde toegekend aan den Doop ? Als wij leeren dat de Doop | de erfzonde gedeeltelijk kan wegnemen, !' al is het dan ook maar nog zoo'n klein | gedeelte daarvan, komen we dan niet op i de lijn van de Roomsche Kerk, hebben i we althans de eerste schrede niet gezet " op den weg van hen die leeren dat er» door den doop iets in den mensch gelegd, iets in den mensch geboren wordt, wat er te voren niet was? ^
Nu kan dit zeer zeker het geval zijn, f wanneer wij n, l, niet het rechte onder scheid kennen tusschen teeken en be' teekenende zaak van het Sacrament, In de Roomsche leer werden die beiden met elkander verward, of liever met elkaar vereenzelvigd. Vandaar dat de J Roomsche Kerk op het bekende Concilie van Trente, dat in 1563 geëindigd w was, ook had vastgesteld dat de mensch door den Doop gerechtvaardigd en geheiligd wordt en dat door den Doop de m erfzonde ook volkomen te niet wordt *
aan. Staan wij nu op dat Roomsche standpunt dat de Doop op zich zelf een wezenlijke verandering in den mensch werkt, dan is het natuurlijk consequent als gij leest dat de erfzonde niet gedeeltelijk, maar wel geheel en al door den Doop is te niet gedaan, en dat er dus in den gedoopte niets meer noch van eenige erfschuld, noch van eenige erfsmet is overgebleven. Op dit standpunt staande zou de leer van het niet gansehelijk te niet doen van de erfzonde door den Doop, een ongenoegzaam achten van het bloed des Heeren zijn.
Maar op dat standpunt staat onze Belijdenis niet. Integendeel, zooals later uit de behandeling van de Sacramenten, met name uit artikel 34, blijken zal, wordt door onze Belijdenis wel terdege onderscheid gemaakt tusschen teeken en beteekenende zaak van den Doop, en dan blijkt wel dat het volstrekt "de bedoeling niet is dat door het uiterlijk waterbad zelf ook maar eenige verandering in den mensch zou aangebracht worden, dus ook niet dat daardoor op zich zelf ook maar iets van de erfzonde zou worden te niet gedaan. Integendeel „al wiescht gij u met salpeter en naamt u veel zeep, zoo is toch uwe ongerechtigheid voor mijn aangezicht geteekend, spreekt de Heere Heere". Met dit woord van den profeet Jeremia (2 : 22) is natuurlijk ook onze Belijdenis het van harte eens, en vandaar dat er ook geen sprake •van is dat zij de genade Gods of geheel of gedeeltelijk aan het uitwendig teeken van een Sacrament zou hechten.
Dit moet dan ook voor alles worden bedacht dat hier geenszins bedoeld wordt dat de Doop zelf iets van de erfzonde zou uitroeien of te niet doen, zonder een daarmee gepaard gaande werking van den Heiligen Geest in het hart. Wanneer hier over den Doop gesproken wordt, dan moet gij natuurlijk streng vasthouden aan de Sacramenteele beteekenis daarvan, en deze beteekenis waarop we nu in dit verband niet nader kunnen ingaan, zal aan de hand van artikel 33 later vanzelf breeder moeten toegelicht worden. Daarom kunnen we hier volstaan met er op te wijzen dat hier van den Doop sacramenteel wordt gesproken en dat dus gedoeld wordt op datgene wat door den Doop door God aan Zijn Kerk beteekend en verzegeld wordt.
Ea als het nu zoo wordt genomen, als we dus letten op de belofte die de Heere in den Heiligen Doop aan de geloovigen en hun zaad heeft verpand, dan ligt in dien Doop immers de verklaring van Gods wege aan Zijn volk dat Hij hun al hunne zonden om der wille van het bloed van Christus vergeeft. Natuurlijk dat, zullen we voor ons zelve uit die belofte troost kunnen putten, dat zij dan door den H. Geest aan het harte toegepast en verzegeld moet worden, maar van Gods zijde ligt in den Doop o.m. deze verzekering dat „wij van al onze zonden bevrijd en rechtvaardig voor God gerekend worden" en dat „de Heere ons wil toeëigenen hetgeen wij in Christus hebben, n.l. de afwassching onzer zonden en de dagelijksche vernieuwing van ons leven" (zie ons Doopsformulier).
En nu gevoelt gij immers wel dat als alle zonden in dien zin door den Doop sacramenteel worden weggenomen, de erfzonde, waarin wij ontvangen en geboren worden, daar ook onder begrepen is. Ook van die erfzonde geldt het dus „Hij schouwt niet aan de ongerechtigheid in Jacob, ook ziet Hij niet aan de boosheid in Israël" (Num. 23:21) en „de misdaad uws volks hebt Gij weggenomen, Gij hebt al hunne zonden bedekt". In dien zin kan onze Belijdenis dus zeggen dat ook de erfzonde den kinderen Gods tot verdoemenis niet toegerekend, maar door Zijne genade en barmhartigheid vergeven wordt. En niet alleen van de rechtvaardigmaking, maar wij weten dat de Doop ook een teeken en zegel bedoelt te zijn van de heihgmaking van Gods volk. Vandaar dat zij, zooals ons Doopsformulier het uitdrukt, van God door den Doop' vermaand en verplicht worden tot een nieuwe gehoorzaamheid.
Ligt in den Doop dus eenerzijds de belofte Gods dat de schuld der zonde, dus ook de erfschuld is geboet, en anderzijds de belofte Gods dat ook de smet der zonde, dus ook de erfsmet in het bloed van Christus is gedelgd, zoo mag dat toch niet leiden tot deze conclusie — en vandaar nu deze uitdrukking „niet gansehelijk te niet gedaan, noch geheel uitgeroeid" •— als zou een kind van God, d.w.z. iemand die waarlijk gedoopt is, niet alleen met water, maar ook met het bloed en den Geest van Christus, van de zonde geheel en al verlost zijn en dus ook met de erfzonde niet meer te rekenen hebben.
Wel is dat het geval met de schuld, dus met de zonde van Adam die ons wordt toegerekend. Die schuld is door de toegerekende gerechtigheid van den tweeden Adam volkomen weggenomen. Een ieder die de genade en de barmhartigheid Gods in Christus, waarvan Zijn ^oop het teeken en zegel was, aan eigen hart erraren mocht, die is van zijn schuld, dus ook van zijn erfschuld, volkomen bevrijd.
»Zoo ver het Oosten is van het Westen, zoo ver doet Hij onze overtredingen van ons". Maar de smet der zonde, de inklevende verdorvenheid dus, is na ontvangene genade niet weg. Integendeel, die smet der zonde blijft Gods kinderen altoos aankleven. Die inklevende verdorvenheid is de oorzaak dat zij tot hun dood toe gedurig weer reden hebben om het den apostel Paulus na te zeggen: „ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen? "
Wel wordt het gif der zonde zóó door het tegengif van Gods genade getemperd dat het niet doorwerken kan tot den dood. De zonde blijft in ieder van Gods kinderen altoos een slang met een verwonden kop. Maar ook al is daar een vermaak in de Wet Gods naar den inwendigen mensch, ook al is daar een lust tot alle gerechtigheid en een ernstig voornemen om niet alleen naar sommige, maar naar alle geboden Gods te beginnen te leven, toch neemt dat niet weg dat ook de allerheiligsten, zoolang zij in dit leven zijn, maar een klein beginsel der ware gehoorzaamheid hebben en dat het woord van Jacobus „wij struikelen allen in velen" gedurig zijn bevestiging viudt. Ja, hoewel het Gods kinderen niet tot verdoemenis wordt toegerekend, zoo blijft toch, het gansche leven door, de inklevende verdorvenheid de onzalige fontein, waaruit het water der zonde altijd blijft opwellen.
„Gelijk een bornput zijn water opgeeft, alzoo geeft het zijn boosheid op" (Jerem. 6 : 7). De Heere Christus heeft het aldus uitgedrukt: een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen" (Matth. 7:18). Neen, een goede boom brengt geen kwade vruchten voort. Vandaar dat ieder die door waarachtige wedergeboorte een kind van God is geworden, en bij wien dus alles nieuw is geworden, zelf niet meer zondigen kan. Een iegelijk die uit God geboren is, die doet de zonde niet; want zijn zaad blijft in hem en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren" (1 Joh 3:9). Maar daar staat dan ook tegenover: en kwade boom brengt geen goede vruchten voort. Vandaar dat de verdorven natuur van den mensch altijd weer de zonde doet, vandaar dat de wet, welke strijdt tegen de wet huns gemoeds, Gods kinderen gevangen neemt onder de wet der zonde die in hunne leden is (Rom, 7 : 23) en dat het dus voor een wedergeboren zondaar noodig blijft om gedurig weer met David te bidden:
Herschep mijn hart, en reinig Gij, o Heer', Die vuile bron van al mijn wanbedrijven; Vernieuw in mij een vasten geest, en leer Mij aan Uw dienst oprecht verbonden [blijven.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 januari 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 januari 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's