Van verborgen omgang.
XXXIV.
Zoo is dus verlichting des verstands eene eerste vrucht van de inwoning des Geestes. Daarom verkrijgt Gods kind in den weg der ontdekking allereerst eene kennis van Gods heilige wet. Van te voren zag hij die uitwendig en spande hij zich in haar even uitwendig te volbrengen en hij zocht daarin zijne kracht en eere in het gunstigste geval. Maar de diepte der wet ontging hem. Eerst toen de Geest kwam om hem in alle waarheid der wet te leiden, schouwde hij hare geestelijke diepte. Daarom valt hij dan ook als een schuldenaar voor de wet, zoodra de Heilige Geest zijn licht laat opgaan. En zooals het nu met de waarheid der wet is, zoo is het ook met die van het Evangelie en met de kennis van elk stuk van Gods Woord. De apostel zegt van God8 kinderen: gij hebt de zalving van den Heilige en gij weet alle dingen", want het is de taak van den inwonenden Geest Gods om alle waarheid Gods levend te maken aan de zielen zijner kinderen. Daarom staat er ook geschreven: Ende zalving, die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en gij hebt niet van noode, dat iemand u lere maar gelijk dezelfde zalving leert van alle dingen, zoo is zij ook waarachtig en is geene leugen, en gelijk zij u geleerd heeft, zoo zult gij in haar blijven" (1 Joh. 2:27). Die zalving is de vrucht des Geestes, is zijn goddelijk onderwijs, is zijne leiding in de kennis der waarheid. En het is merkwaardig, hoe Hij daarbij te werk gaat met Gods kinderen, als Hij hen de waarheid kennen leert. Als zijn licht opgaat, dan verschijnen de dingen van Gods Koninkrijk allereerst in hunne schoonheid, in hunne begeerlijkheid, in hunne uitnemendheid, zoodat er in de ziel een onuitroeibare drang wordt geboren om ze te mogen ontvangen, om er in te mogen deelen. Daar kan. ala een heimwee wonen in het hart van menigeen, die van verre staat. De zacht kan opgaan om toch ook eens van groote, machtige daden der genade te kunnen getuigen, om toch ook eens volstrekt zekor te mogen wezen van het heil aan ons geschied. Met jaloerschen blik kan gezien worden op het groote goed, op de zalige bevinding, op de levende kennis van anderen, op hetgeen zij kunnen verhalen over groote daden Gods. Zg kunnen doen denken aan de hondekens, die met begeerig oog staren naar de spijze der kinderen. En zij meenen te worden voorbijgegaan. En toch is het niet alzoo, want in die teedere begeerte is toch nog een werk van den Heiligen Geest, is een straal van zijn licht over de goederen des heils, die Hij heeft voorgesteld in hunne kostelijkheid en begeerlijkheid. Die drang naar het heil, opgewekt door de «choonheid van Gods gaven, is een werk van den inwonenden Geest, die een glans van heerlijkheid werpt over elke nieuwe, ons vroeger aiechts bij name bekende waarheid^ en die daardoor begeerlijk wordt gemaakt voor de ziel. Dat is dus een werk van den Heiligen Ggisst, als ons oog heerlijkheid ontdekt in de goederen des heils, als in ons wordt opgewekt de honger en de dorst om er van te mogen genieten. Immers van nature ziet niemand er iets aantrekkelijks in. Van nature geldt het van alle genadegaven Gods, wat de profeet gezegd heeft van Christus: ij had geene gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zoo was er geene gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben. Hij was veracht en de onwaardigste ouder de menschen, een man van smarten en verzocht in krankheid en een iegelijk was ais verbergende het aangezicht voor Hem, Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht. Diezelfde minachting, die de wereld koesterde jegens den Middelaar, koestert zij ook tegenover alle gaven der genade Gods. De natuurlijke mensch ziet er niets begeerlijke in, wenscht het zelfs niet, meent dat het maar lastige vragen xijn, waarover men het zich vooral niet te moeilijk maken moet. Maar waar de Heilige Geest inwoont in het hart, daar openbaart zich een teedexe begeerte en diep gevoelde behoefte, een heimwee naar de geestelijke goederen, die zij het eigendom ïien en weten van het ware volk (les Heeren. Wij zien dan ook dat zich in de heiligen die begeerte omzet in een vurig gebed. Daarom lezen wij bij de» psalmdichter: edenk mijner, o Heere! naar het welbehagen tot uw volk, bezoek mij met uw heil, opdat ik aanschouwe het goede uwer uitverkorenen. De ziel, waarin de Heilige Geest zich woning verkoren heeft, ziet een groote heerlijkheid in de genadegoederen des Volks. En dat is zoo, omdat de Heilige Geest over al die gaven zijn licht doet opgaan. De Heilige Geest Iaat de bekoorlijkheid er van zien^ opdat er bij Gods kind een behoefte geboran zal worden, die Hij wekt, opdat zij nu ook zal worden vervuld. Dat is dus de eerste vrucht der verlichting, die van den inwonenden Geest uitgaat.
Daarbij sluit nu van zelf aan, dat er van dien Geest ook een prikkeling uitgaat op de ziel van Gods kind, waardoor het leert begeeren, dat die schoone gaven nu ook in hem zullen zijn. Het wil die voorgestelde waarheid in zichzelf nu ook werkelijk en levend hebben. Het is niet genoeg de schoonheid ervan te zien, niet genoeg te zeggen, dat het een begeerlijk goed is, maar het wil ook, dat dp dag zal aanlichten en de morgenster opgaat in hunne harten. Daarom gaat er van dien inwonenden Heiligen Geest dan ook nog kracht uit om zich te strekken naar de ontvangst dier geestelijke goederen. Er is daarom een voortgaan in de kennis van stuk tot stuk, eene ontsluiting des, harten en eene opening des verstands voor telkens nieuwe isvenswaarheden, die het volk des Heeren prasticaal leert kennen. Zoo leidt de Heilige Geest Gods kind niet met geweld, maar toch onwederstapdelijk door eene onderwerping van het gansche ik en een® nederwerping van alle hoogten, die zich tegen de kennis van Christus verheffen, opdat het ten laatste zal worden vervuld: „die door de vlakke velden rijdt, sijn Naam ie Heer der Heeren." Zoo blijkt dus reeds dat zoekende leven, dat de bekommerden zoo dikwijls kenmerkt, een vruchtgevolg van de inwoning des Heiligen Geestes. De bekommerde, die in donkerheid ronddwaalt, zich niet bewust van het groote geestelijke goed, dat hij deelachtig is. Het wordt niet door hem beseft, dat er van geene bekommernis, van geene begeerte, van geen den minsten aandrang naar de gaven Gods sprake kan zijn, indien de Heilige Geest in hen niet was en werkte. Zij verstaan het niet, dat wat God« hand begon, ook door Hem voleindigd worden zal. Dit is een vrucht van het ongeloof niet alleen, maar ook van de onkunde in Gods Woord, een vrucht vooral van de dwaze gewoonte om het licht te zoeken waar het niet is. Sommigen lezen in allerlei boeken om de wijsheid te vinden, die in Gods Woord is uitgestald. Zij spreken met allerlei vromen om een woord te mogen opvangen, waaraan zij zich zouden kunnen vastklemmen. Zij luisteren naar de wijsheid, die ten beste wordt gegeven door menschen en gaan voorbij aan de eenvoudige waarheid van Gods getuigenis.
Zoo staat menigeen zichzelven in den weg en ook anderen. Het; licht schijnt wel in de duisternis, maar de duisternis heeft het niet begrepen. En het is dan ook uitsluitend aan Gods wonderbare genade te danken, dat de Heere trouw blyft en zijne kinderen door al die klippen en struikelblokken heen blijft leiden, totdat zij veilig zijn gekomen in zijn Vaderhuis. En daarom zooals de Heere Jezus ons geleerrd heeft te bidden om den Heiligen Geest, zoo is het ook noodig den Heiligen Geest te smeeken, dat Hij toch met ons zal doorwerken om ons uit te brengen tot het licht, zoodat er van een rusten in Gods waarheid sprake komt, van .een rusten in zijn Woord, in zijne beloften en toezeggingen, die alle in den Heere Jesus Christus , ja en amen" zijn.
Zoo is dus van die inwoning des Geestes eene verlichting het gevolg, waardoor over wet en evangelie die klaarheid opgaat, die de zekerheid des heils in zich sluit. Maar om die zekerheid wordt gestreden. Niemand is er zoo mee klaar en niemand is er te allen tijde mede klaar. Het leven van Gods kind is een strijd, een worsteling, die doorgaat tot het einde. Het is een geestelijke strijd, waarvan reeds de Catechismus ons leerde bidden: dat wij in dien geestelijken strijd toch niet onderliggen mogen. En ook in die worsteling heeft nu de inwoning des Heiligen Geestes beteekenis. Er gaat van den Heiligen Geest niet slechts een leiding, maar ook eene ondersteunende kracht uit. Zoo is het Gods Heilige Geest in den Middelaar, waarvan de Heere beloofd heeft: Ziet, mijn knecht, dien Ik ondersteune, mijn uitverkorene, in denwelke mijne ziel een welbehagen heeft. In den groeten strijd, dien de Heere Jezus gestreden heeft om ons uit Satans macht te verlossen, werd Hij gesteund door den Heiligen Geegt. Daarom luidt het van den komenden Messias; „De Geest des Heeren is-op mij", Hij is gezalfd met dien Geest, opdat Hij de blijde boodschap zal kunnen brengen aan de zachtmoedigen en dus zijn verlossingswerk zal kunnen doen. Zooals nu de Heilige Geest den Middelaar in zijne groote worsteling om het heil van Gods volk heeft gesteund, zoo is het ook de inwonende Geest, die aan Gods kinderen steun biedt in hun levensstrijd. Van nature is ook Gods kind zwak, tot hinken en tot zinken ieder oogenblik gereed. Des Heeren volk is van nature een aamechtig volk. Van nature bezwijkt vleesch en hart o zoo spoedig. Gods kind weet maar al te zeer hoe zwak het is. Daarom, Gods ware kinderen zijn het meegt bevreesd voor zichzelven. Daar»door onderscheiden zij zich van de kinderen der wereld, die voor den vijand daarbinnen blind zijn en niet beseffen, dat de booze machten heur krachtigsten bondgenoot hebben binnen in den mensch zelven.
En daarom als Gods kind ziet op zichzelf en op hetgeen het nog heeft en is, dan is het hem een wonder dat hij nog is, die hij is. En als dan de vraag opkomt, waarom ze nog niet verzonken zijn in den afgrond der ellende, in de kolken der ongereehtigheid nog niet ver-zwolgen werden en nog niet voor het oog der wereld gebrandmerkt werden, dan is het alleen, omdat de Heilige Geest in hen woont en op verborgene wijze hen vasthield, „Gij hebt mijne rechterhand gevat", zong de dichter, öij hield vast, ook al zagen zij Hem niet. Hij steunde, ook al voelden zij dien steun niet. En zoo ook, als Gods kinderen in den strijd des levens worden geleid in donkere wegen van zondebesef en schuld, als het hun bange wordt vanwege de zonde hunner ziel en zij dreigen onder te gaan onder de golven en de baren der oordeelen Gods, dan leert ons David in den 51en Psalm, dat zij een Inroep mogen doen op den Heiligen Geest, die van zijn kind niet wijken zal,
Het kan donker worden in de ziel van het strijdende Gods kind. De Heere moet de zijnen wel met donkerheid dikwijls regeeren, opdat zij van achter Hem niet zullen afwijken. Hij moet wel bange wegen met hen volgen, opdat jiij klein blijven voor zijn aangezicht. Ja, het is waar, dat menige ziel een ontzettende worsteling heeft te doorstaan. De een meer, de ander minder, maar zij kennen allen naast de glansen der blijdschap, de donkere wolken van een zjelestrijd, die heel hun wezen aangrijpt. In dien kamp waakt het gebed op. soms klimt het tot een machtig smeeken om toch Gods aangezicht weder te mogen aanschouwen en zich weder te mogen verblijden in zijne gemeenschap. Er wordt een gebedsworsteiing geboren. En de Schrift leert ons, hoe ook daarin de inwonende Geest des Heeren een beteekenisvolle taak vervult.
In Rom. 8 : 23 en 24 karakteriseert de apostel het leven van Gods kinderen als een zuchten in onsselven, wijl er de verwachting is der aanneming tot kinderen, die in volle klaarheid zal gekend worden ls de verlossing des lichaams plaats rijpt. Het is een leven in hope, waarin de lydzaamheid zich doet gelden als een vrucht der godzaligheid. Maar omdat zulk een lijdzaamheid en verwachting uit menig oogpunt strijdt met het vleesch, is er maar al te veel gevaar van telkens op nieuw overmeesterd te worden door de vleeschelijke neigingen en de natuurlijke verdorvenheid des harten. En nu wijst de apostel op de ondersteunende werkzaamheid, die van den Heiligen Geest daartegen uitgaat. Desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp. Hij is het die zijn arm wankelend kind sterkt en de slappe knieën weder opricht. En dat doet Hij vooral in het gebed. Met Gods kinderen is het maar al te vaak zoo droevig gesteld, dat van hen moet gelden: want wij weten niet wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest zelve bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen". Daar verschijnt dus de in Gods kinderen inwonende Heilige Geest als de voorbidder, als die de nooden van Gods kind ziet, zijne onbekwaamheid bespeurt en nu tusachen beide treedt om voor dien armen, in zichzelven zuchtenden klager het woord op te vatten. Zijne werkzaamheid als zoodanig moet echter wel onderscheiden worden van de voorbiddende werkzaamheid van den verheerlijkten Middelaar in den hemel. De voorbidding des Heiligen Geestes geschiedt niet buiten, maar in Gods kind zelven. Zijne werkzaamheid als voor bidder is het best te vergelijken met wat onder ons geschiedt. Denk u een kranke, die daar neerligt voor de poort der eeuwigheid, een kranke, die sterven gaat en in donkerheid verkeert. En nu komt de dienaar des Woords, die tot hem spreekt van de belofte Gods, die in Christus Jezus „ja en amen" zijn en wijst op de bereidwilligheid des Heeren om aan een arm verloren zondaar de gaven zijner genade te schenken. En hoe menigmaal gebeurt het dan niet, dat de dienaar des Woords wordt verzocht om met dien lijder des Heeren aangezicht te zoeken. En kan het dan niet dikwijls worden opgemerkt, dat de kranke poogt het gebed des dienaars na te lispelen? Hij poogt woord voor woord na te zeggen, wat hem aldus voor gezegd wordt, opdat niets van het gebed hem zal ontgaan. Hij stamelt het na, want het is hem, alsof die voorbidder beter het woord kan vinden, dat de nooden zijner ziel uitdrukt. Zoo doet nu ook de Heilige Geest, die in het hart van Gods kind inwoont. Hij ontwaart de onbekwaamheid tot het gebed, schouwt aan de zielenood, de innige behoefte des harten, den drang tot het gebed en nu is Hij het, die voorbidt, die de onuitsprekelijke zuchten voor Gods genadetroon neerlegt. Zoo ondersteunt Hij het kind Gods in zijne ge bedsworsteling en doet ervaren, dat Hij den hemel ontsluit voor de klachten, die opgaan. Zoo schraagt de Geest de zijnen in hun zielenooden en onder den druk hunner lasten. Daarom komt Gods kind niet om, wijl het door wondere en verborgene krachten wordt gesterkt. En als het dan ook op dat leven vol strijd terug ziet, dan is er ook de dankbare erkentenis van de hulpe Gods op, dien kruisweg ondervonden. Zij zingen met den Psalmist: Zoo ik niet had geloofd, dat ik het goede des Heeren zou zien in het land der levenden, ik ware vergaan".
De wijze, waarop de Heilige Geest dien steun doet toekomen, is tweeërlei. Allereerst kan hij het onmiddellijk doen doordat Hij de vonk, die dreigt te versterven, opnieuw aanblaast tot een gloed des levens. Hij is machtig het geloof te sterken, de geloofskracht te doen opwaken. Daarmede herleeft de moed, de lijdzaamheid en de hope. Zooals de moede reiziger machteloos neerzittend aan den weg, zijne kracht herleven voelt, als de boodschap komt, dat na een korte spanne tijds het oord der ruste bereikt is, zoo kan ook Gods kind ervaren, dat Hij den moede kracht geeft en de sterkte vermenigvuldigt dien, die geene krachten heeft, De TJeere weet zijn kind op te wekken, zoodat het staande blijft. Hij sterkt met nieuwe kracht zijn leven. Eu al Gods kinderen hebben te midden der beproevingen, te midden van donkerheid ervaren, dat de Heere machtig is om een psalpa te geven in den nacht. Hoe die opleving bij hen plaatsgrijpt, dat kunnen zij zichzelven niet verklaren, maar den sterkenden invloed, de verlichting in hun smart, de vertroosting in hunne droefenis verkwikt niet te min hunne ziel, zoodat zij opnieuw de blijdschap van Gods volk mogen smaken.
Maar behalve die onmiddelijke sterking des Geestes is er nu ook nog eene middellijke, zulk eene, die zich bedient van de beloften des Heeren. De werking van den inwonenden Geest is maar al te vaak die der indachtigmaking. De Heere Jezus heeft daarom zijnen discipelen den Trooster beloofd, die bij hen blijven zou en die hen indachtig zou maken hetgeen Hij tot hen gesproken had. Joh. 14; 26. De Heere had den zijnen vele dingen gezegd en beloofd, opdat daardoor hun hart gesterkt zou worden. Maar het was Hem niet onbekend, hoezeer als de nood klemmen gaat, Gods kinderen de neiging hebben zijne beloften te vergeten en zich te laten overweldigen door het dreigend gevaar. Zij weten maar al te dikwijls nog wel, dat Hij vele schoone woorden sprak, maar zij hebben geen vat op hunne ziel. Het laat hen koud en onaandoenlijk. En als het woord Gods geen macht heeft over hunne «leien, dan zonden zij gewisselijk afdolen en zijn als degenen tot wie geene belofte is uitgegaan. En dan is het noodig, dat dé Geest opwaaktom het Woord weder levendig te maken aan hunne ziel, om hen waarlijk indachtig te maken, zoodat zij weder vat krijgen op des Heeren toezeggingen. Hij werkt met het Woord in de zielen zijner kinderen en weet het toe te passen zoo, dat aan hen vervuld wordt wat de Psalmdichter bad, toen hij zong; maak mij levend door uwe toezegging. Hij komt dan om ons zijn getuigenis te binnen te brengen en daardoor de hope en den moed te verlevendigen.
Er is een groot onderscheid ook hierin tusschen hetgeen uit God is en uit den mensch. Bij Gods kinderen kan er eene begeerte zijn om de vertroostingen te ontvangen, zoodat er eigenmachtig naar gezocht wordt. Dan is er een valsche kunstmatigheid, die zich uit in het streven naar ijdele vroomheid, in het jagen naar geestelijke gaven en teedere bevindelijkheden, die ons ten laatste toch ledig laten. Er is ook een genomen goed en een eigen gemaakte zegen en geestelijke ervaringen, die vruchten zijn van den natuurlijken akker. Wie zal het zeggen, hoeveel schijngoederen en geestelijk klatergoud er voor echte waar wordt aan den mam gebracht. Er wordt gezocht naar lafenis, die toch niet wordt verkregen, gedaan alsof er iets genoten werd, terwijl er toch niets werd ontvangen.
Maar hoe gansch anders wordt zij gekend in de volheid des levens en de heerlijkheid des heils, die zij in zich vervatten. En dan openbaart zich de Heilige Geest als de Trooster, als de eenige Trooster, want Hij spreekt niet alleen schoone woorden, maar Hij heeft ook macht ze levend toe te passen aan de zondaarsziel, zoodat er ook troost uit wordt genoten. Hij troost niet alleen met woorden, maar met daden. Hij zegt niet slechts toe, doch Hij geeft; belooft niet alleen, maar vervult. Daarom, de Trooster, de Heilige Geest, die in Gods kinderen inwoont, is de trouwe vriend, die het neemt uit Jezus' volheid om hun te geven teerkost op de rèize naar de eeuwigheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 februari 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 februari 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's