Uit de Pers.
Bediening van den H. Doop.
Ds, J. J, Knap, Herv, predt, te Groningen schrijft in No, 17 van het weekblad Oude Paden het volgende stukje over het bovenstaand onderwerp, 't welk wij hier gaarne overnemen, omdat het niet kwaad is deze zaak onder de oogen te zien:
„In een der jongste circulaires vestigt de Synode der Ned. Herv. Kerk de aandacht der Kerkeraden op enkele teleurstellende; resultaten van de laatst gehouden persoonlijke kerkvisitatie. Uit de ingediende rapporten blijkt onder meer, dat het aantal kinderen, waaraan de H. Doop wordt toebediend, aanmerkelijk achteruitgegaan is. Ofschoon het ledental der kerk klom, daalde dat der gedoopte kinderen, iets wat de Synode en allen die het wel met de kerk meenen met zorg vervult, omdat de toekomst der kerk er mee gemoeid is. Wie in een boomgaard komt en op den daartoe gezetten tijd alles in vollen bloei ziet staan, voelt de hoop levendig worden dat veel van dat bloeisel zich tot vrueht zal zctt«n en straks een ruimen oogst zal geven. Maar de plukkers weten van te voren dat er geen werk voor hen zal zijn, indien tak en twijg niet met bloeisel getooid zijn. Niet anders gaat het in de kerk toe. Wij herinneren ons uit onze jeugd, hoe er van dertig'tot veertig en vijftig kinderen in een betrekkelijk kleine stadsgemeente de kerk werden ingedragen in de maandelijksche Doopbeurt. En als wij nu onze ervaring van ongeveer twintig jaren in een groote stadsgemeente raadplegen, staat het er niet al te best voor.
Op Paschen en Pinksteren mag men nog den indruk ontvangen van een bloesem-pracht zooals in vroeger jaren maandelijks, en soms wel wekelijks gezien werd, maar in de andere Doopbeurten is het meestal treurig gesteld wat het aantal betreft en men komt dan op de gedachte dat de gemeenteleden de kinderen eenvoudig voor die hooge feestdagen opsparen, niet om bepaalde redenen, maar omdat het gebruik is op Paschen en Pinksteren meer dan anders den Doop te vragen.
Wij hebben hier te doen met een zeer ernstig verschijnsel, want een kerk die geregeld geen nieuwen toevoer van gedoopten krijgt, is, zoo het kwaad niet gestuit wordt, ten doode opgeschreven.
Het eenmaal volwassen geslacht sterft uit, de nieuwe belijdende lidmaten worden gerecruteerd uit de doopleden en wanneer deze niet gedurig vernieuwd worden, kan een kind becijferen dat binnen niet kl te langen termijn de kerk haar tijd heeft gehad. Wordt in de heidenwereld een gemeente gesticht, dan komt de toevoer niet alleen uit de kinderwereld voor zoover zij gekerstend is, maar ook uit den kring der volwassenen, die zich bekeeren en laten doopen. In de eenmaal gevestigde Christelijke kerk is dit laatste slechts bij uizondering het geval. Een enkel maal mag men hooren dat een buitenstaander overkomt, en in dagen van geestelijke opwaking mag dit aantal zelfs tamelijk hoog klimmen, maar in het normale leven moet de kerk het bijna uitsluitend van de Doopvont hebben, en als deze verlaten staat, is haar lot bezegeld.
We hebben dit feit in al zijn naaktheid onder de oogen te zien. Het gewicht er van wordt nog verzwaard door de overweging dat de mindering van het getal der gedoopte kinderen nu aan toevallige omstandigheden toe te schrijven is, zooals onwillekeurig verzuim, maar dat het een verschijnsel is, hetwelk samenhangt met andere bedenkelijke verschijnselen. Het is een schalm in een geheele keten, één symptoom van een ziekteproces dat reeds lang geleden ingezet werd en zich nu al verder ontwikkelt. Het begon met de verwaarloozing van het H. Avondmaal.
Tal van lidmaten zaten bij het afleggen van hun belijdenis éénmaal aan den heiligen disch aan, maar lieten er zich verder niet zien en verzuimden bij voorkeur den dienst waarin het Avondmaal gevierd werd. De tweede schrede op den weg van het verval was het eerst nog ongeregeld aangehouden, maar daarna veelal geheel opgegeven gewone kerkbezoek, waardoor geen herderlijke vermaning meer hielp, al verontschuldigde men zich gaarne roet het overbekende verwijt, dat men zoo zelden een leeraar op huisbezoek kreeg. Eén band met de kerk bleef echter nog altijd bestaan, namelijk de H, Doop. Wel waren er met name onder de mannen niet zoo weinigen, die ook d^t sacrament zonder gewetensbezwaar zouden prijsgeven. Maar de vrouwen hielden er veelal de hand aan, en anders waren er nog grootouders of andere familieleden, die er op stonden dat de kleine gedoopt werd. Zwak was die band aan de kerk zeer zeker, — weinig meer dan een brooze draad; en de vraag is gerechtvaardigd of men wel steeds voldoende waarborgen eischte voor een geloovige opvoeding der kinderen alvorens den Doop te bedienen; maar die gezinnen waren dan toch nog niet geheel los van de kerk en menige kerkeraad huiverde er voor terug ook den laatsten band door te snijden door den Doop te weigeren.
Thans is hij echter bij vele gezinnen gebroken.
Nu is dit, zooals iemand met wien wij de zaak bespraken terecht opmerkte, in zekeren zin tucht. Een tucht, die buiten het ambt omgegaan is, doch rechtstreeks door den Koning der kerk geoefend werd. In de gelijkenis van den wijnstok staat geschreven van de ranken die geen vrucht dragen, dat de hemelsche landman ze wegneemt. En inderdaad zuivert Hij op Zijne wijze de kerk van die leden welke toch innerlijk al los van haar waren en nu eiken samenhang met haar verbreken. Het verwordingsproces is tegelijkertijd een reinigingsproces. Hiervoor moeten wij allereerst oog hebben. Wij zullen dan niet trachten door middel van allerlei kunst-en vliegwerk in de kerk te houden wat er geestelijk van vervreemd is, doch veeleer trachten den voortgang der vervreemding te stuiten door onder de kerkleden gezonde kennis te verspreiden van den H. Doop.
De bijzondere kerkeraad onzer gemeente (Groningen) heeft zich hiermede onlangs dan ook bezig gehouden. Middelen werden beraamd om het inzicht in het Sacrament te verhelderen. Men voelde zoo, dat vele lidmaten geen juist begrip meer hadden van de rijke Verbondsgedachte, waarop de H. Doop rust, en dat het er vóór alles op aankwam deze gedachte weder meer ingang te doen vinden. Eén der voorstellenlijkt ons van zooveel algemeen belang dat wij het hier mededeelen, daar het ook voor andere gemeenten van dienst kan zijn. Gevraagd werd namelijk of het niet wenschelijk zou zijn om bij de aangifte voor den H. Doop namens den kerkeraad een eenvoudig geschriftje uit te reiken en er op aan te dringen dit aandachtig vóór de bediening van het Sacrament te lezen. Dit geschriftje zou dan, helder gedrukt, moeten bevatten een aller-eenvoudigste uitlegging van het Doop-formulier. Zoo kort mogelijk. Alleen de hoofdgedachten naar voren brengend. Het aan den herder en leeraar overlatend in den dienst de zaken breeder te ontvouwen. Werd dit algemeen gedaan en de prediking dan ook werkelijk op het Sacrament ingericht, zooals het immers ook bij het H. Avondmaal gebruikelijk is, misschien dat er dan met Gods zegen iets te bereiken viel. Nu is de Doop in sommige gemeenten te veel een aanhangsel.
De gemeente voelt er niet voor, omdat zij er de rijke beteekenis niet meer algemeen van verstaat. De sleutel der kennis is zoek en dit euvel moet het eerst hersteld worden, wil men niet rnet looze kalk pleisteren, maar het kwaad in zijn diepste bron bestrijden en genezen».
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 februari 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 februari 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's