De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Van verborgen omgang.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van verborgen omgang.

18 minuten leestijd

XXXV.

Zoo heeft dus de inwonende Heilige Geest in het leven van Gods kinderen eene alles overtreffende werksaamheid, waardoor niet slechts dat leven in zijn eersten oorsprong wordt verwekt, maar ook wordt onderhouden, zoodat als het dreigt te versterven, de Heere met nieuwen moed het west te sterken. Hij houdt het in stand, zoodat het kind des Heeren in al sijne wegen op dikwijls wondere en verborgene wijze bewaard wordt in den genadestaat. Maar het is er verre van af, dat dese werking des Geestes de eenige zou zijn in de harten van Gods kinderen.

Niet slechts eene onderhoudende, sterkende werking gaat van Hem uit, maar ook zulk eene, waardoor Hij bijzonderlijk in het licht treedt als de Geest der heiligmaking. Als zoodanig heeft Hij allereerst eene beteugelende werking. In het kindschap Gods is ook eene inpsrekende genade bereid evenals in het natuurlijke kindschap ook de invloed van den vader zich doet gelden op het kind, niet alleen doordat de vader zorgt voor de voeding en kleeding van het kind, maar ook door de opvoedende kracht, die hij aan het kind ten koste legt. De vader onderwijst zijn kind door voorlichting, door vermaning, door overreding, door afmaning en alzoo gaat er in de opvoeding eene beteugelende macht en invloed uit op het kind, tengevolge waarvan het zonder meer niet kan toegeven aan elke neiging, die het in zich voelt opkomen. En dergelijke lessen, in den loop des levens ontvangen, blijven bij dikwijls is lengte van jaren en oefenen het gansche leven door nog macht over ons uit. Immers, er zijn er maar weinigen, die zich niet herinneren de vermaningen door vader of moeder gegeven. Zoo werkt de kracht der opvoeding door en wordt zij inderdaad eene opvoeding.

Op dezelfde wijse doet zich nu ook de Heilige Geest gelden in het hart van Gods kinderen. Hij maakt daar woning.

Hij is daar altijd, wijkt nimmer van de zijnen. Zijn zetel is nooit ledig en zijn arbeid is nooit rustende. En daartoe behooren ook die beteugelende krachten, die van Hem uitgaan in het hart zyner kinderen. Allereerst is Hij het, die in het proces der bekeering de trekkingen doet uitgaan om don zondaar te brengen uit de duisternis tot het licht. In de worsteling des levens komt het maar al te dikwijls voor dat er als een samenspraak gevoerd wordt in de ziel van Gods kind.

De zondaar staat voor zijne zonde met zijn ongeloof. Hij zou de gaven der genade willen smaken, hij zou de vreugde des heils wel willen genieten, maar het schijnt hem te ontgaan. Er zijn er onder Gods kinderen, die doen denken aan den kranke in Bethesda, die acht en dertig jaren krank gelegen had, die altijd een ander zag voorgaan, als het water beroerd werd.

Zij smachten naar zekerheid en zij ontvangen niet. Maar in dien weg treedt nu de Heilige Geest in hen op om ze te leiden tot de stroomen des levenden waters. Hij is het, die begint met den Heere Jezus in zijne heerlijkheid aan de zijnen voor te stellen, opdat de begeerte zal opwaken. En zij waakt op en het heimwee wordt in de ziel geboren naar de daden zijner genade. Maar dan stellen zich daar telkens weder voor het zielsoog de zonde en de ongerechtigheid, waarover de ziele klaagt en het gemoed verschrikt wordt.

En hoe zou er dan vrijmoedigheid des geloofs zijn en hoe zou er dan hoop kunnen wesen, dat de Heere Jezus nog eens zou zeggen: „Sta op en wandel."

Neen, zegt de zondaar in zijne twijfelmoedigheid, voor my zijn de genadegaven niet. Zulk een als ik ben, mag niet verwachten te zullen hooren, dat mij mijne zonden vergeven zijn. En dan, in zulk een ure is het, dat de Heilige Geest, die toch in zulk een ziel woont, Zijn woord doet uitgaan om het ongeloof te teugelen.

Want Hij spreekt dan, vermanend soms en dan weer vleiend, dat er toch gehoor sal worden gegeven aan de stem van Hem, die gezegd heeft: „Kom tot Mij, gij die vermoeid en belast zijt." Ja, de Heilige Geeat herhaalt het in de wondere, geheimnisvolle diepte des gemoeds: „ Zondaar, kom toch tot Jezus, kom toch en laat u zaligen, " „O", zegt gij, „maar mijne zonde dan, zal Hij zich mijner ontfermen? " „Zie op Jezus", zegt de Heilige Geest, „en leg af allen last en de zonde, die u lichtelijk omringt. Geef u over", zoo roept Hij, „kom, geef u over, waag het op Hem, op zijn werk, op zijne gerechtigheid." „Maar Hij zal mij zoo niet aannemen", klinkt het dan weder, „mijne zonde is te machtig, te moedwillig, te gruwelijk, te groot." De zondaar wil zichzelven dan reinigen om geschikt te worden tot het ontvangen van genade. Dan weet hij mog niet, dat het niet is desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods. Doch dat leert hem de Heilige Geest ook, want Hij komt weder met de aanmaning en zegt: „kom, geef u over zondaar, geef u over zooals gy zijt. De Heere kent uwe zonde, uw nood, uw dood. Geef u over, laat los, laat alles los en drijft op de kurk der genade van Christus alleen." Zoo leidt de Heilige Geest tot Jezus met koorden der gosdartierenheid en Hij gaat voort zoolang, totdat Hij uit 's Heeren mond selven beluisteren mag: sta op en wandel.

En al is het dan, na lange jaren en na bangen strijd soms, de vreugde zal toch ongekend en wonderlijk zijn. Zoo heeft dus de werking des inwonenden Geestes de strekking om den Christus in zijne reddende en zaligende kracht te openbaren aan de zielen zijner kinderen. Zoo bovenal is Hij de Trooster des volks, de Paracleet, die bij de zondaarsziel de liefde van Jezus bepleiten komt, opdat Hij toone, hoe Hij gekomen is om te zoeken en zalig te maken wat verloren is. Zoo is Hij het, die het door den Middelaar verworven heil toepast aan de zielen zijner kinderen en wiens werk daarom geheel onmisbaar is tot zaligheid en zonder Wien niemand het Koninkrijk Gods zal zien. Doch zooals nu de Heilige Geest de geloofsverzekerdheid opwekt door ons te lokken tot den Borg en Middelaar onzer zielen, zoo is Hij ook op den weg des leven» om zijne kinderen te overtuigen, te waarschuwen, te vermanen met betrekking tot zooveel, dat een struikelblok en een hinderpaal kan zijn. De sonde ligt aan de deur. Van haar gaat een wondergroote bekoring uit.

Gods kind kan nog soms diep vallen, diep modder, waar men niet kan staan." Zij komen ook na ontvangene genade soms nog in diepe wateren, en de vloed overstroomt hen. Wie staat, ziet toe, dat hij niet valle. Het gevaar is er steeds. En ook met het oog daarop heeft de inwonende Heilige Geest in de harten van Gods kinderen een beteekenisvolle, heilrijke taak te volbrengen. Zooals Hij het ongeloof aan banden leggen wil om ons tot Jezus te lokken, zoo weet Hij ook de uit den afgrond opdoemende draken der ongerechtigheid in boeien te slaan.

De zonde in het menschenhart is als de honderdkoppige hydra, waarvan de oudheid verhaalt, welks afgehouwen hoofden steeds weder «nel aangroeiden, Pas verdelgd en weder was een ander daar. Zoo ook de zonde. De eeneschgnt overwonnen en de andere doemt weder op. Het woord van den profeet wordt bevestigd: eer zal de moorman zijn huid, de luipaard zijn vlekken veranderen, dan dat gij, die geleerd hebt kwaad ie doen, leeren zult goed te doen. En als Gods kind in de diepte van zijn eigen zondige ziel schouwen moet, dan wordt hem zijn leven een wonder daardoor, dat hij nog is, die hij is, dat hij den Naam des Heeren nog niet openlijk te schande heeft gemaakt En ja, dat zou geschied zijn, indien de Heere door sijnen Heiligen Geest niet over zijn kind de wacht hield. De Heilige Geest legt den teugel aan zijner vermaning, zijner afmaning, ziijner bewaring. En ala het noodig is, dat het pad door de diepte gaat, dan houdt Hij niet op, voordat .Hij Zijn arm kind weder gevoerd heeft in de grazige weiden zijns Woords en zijner vertroosting. Hij is het die dan, als de bekoring der zonde machtig wordt en als hare lokstem gehoord wordt en hare vleiing wordt ervaren, ons voorhoudt wat het gebod des Heeren zegt, de sprake Gods doet weerklinken in de ziel. Hij predikt aan zijn kind, dat het toch den Heiligen Geest geen smarten zal aandoen, dat het toch de liefde van Christus niet zal versmaden, dat het toch den Naam, de eere en de heerlijkheid zijns Gods niet sal vergeten. Of ook de Heilige Geest spreekt van hetgeen er met de zonde verbonden is aan vloek en straf.

Hij kan de zonde met hare bekoring stellen in het licht der waarheid, soodat zij gezien en gekend wordt gelijk zij is.

Daar staat wel de bekoorlijkheid der ongerechtigheid, maar de Heilige Geest laat zien, hoe achter die schoone glanzen, die haar als goud doen blinken, de schaamte en de schande staat van de kinderen der wereld zelfs. Hij laat zien, hoe in hare vrucht de giftige angel des verderfs schuilt. Hij spreekt van de bittere teleurstelling, die zij toch in de uitkomst baren zal, van den vloek, die op de conscientie zal drukken, van het ploegijzer der smart, dat daarna diep door de ziel zal gaan en van het diepe zieleleed, dat geboren aal worden uit de verlatenheid en de eenzaamheid, die zullen overblijven als de Heere zal schijnen terug te wijken en van zijne oordeelen en straffen, van dood en eeuwig verderf en van zoo veel, waar voor het kind des Heeren een ontzettende vreeze heeft, omdat het eenmaal, toen het geleid werd tot Jezus door een weg van wedergeboorte en bekeering, al die diepe afgronden heeft gezien, waaarin het moest nederbiikken, toen zij dreigden te verslinden. En daartegenover wijst de Heilige Geest nu ook nog op de zaligheid eener geruste en reine conscientie, op de schoonheid en de grootheid van het goed der kinderen Gods, op den zegen van een goeden naam en van een eerlijken wandel. Hij brengt hem in gedachtenis zoovele vermaningen uit het Woord, die getuigen tegen de zondedaad. En alzoo legt de Heilige Geest een heilige vreeze in hun gemoed, waardoor ze worden teruggehouden van de paden des verderfs en de neiging wordt beteugeld, die zich reeds machtig deed gevoelen. Hij vervult alzoo de belofte: Ik zal maken, dat zij van achter Mij' niet afwijken. Bovendien wekt Hij niet slechts een afkeer van en een terugschrik van de zonde, maar Hij roept ook eene teedere liefde voor Gods wet op in de ziel zijner kinderen. De Heere heeft het oudtijds reeds gezegd, dat Hij met zijn volk een verbond zal maken, waarbij Hij zichzelven, verpand heeft om zijne wet te geven in hun binnenste en die te schrijven in hun hart. En zijn volk zal zeer gewillig zijn op den dag Zijner heirkracht. Vooral in den 119en Psalm wordt het openbaar welk een liefde de Heilige Geest schept in de ziel van Gods kind, een liefde waardoor het gansche hart zich strekt nsar de geboden en de inzettingen des Heeren. „Zie aan" zegt de dichter, „dat ik uwe bevelen liefheb, " En dat deze liefde zich niet slechts strekt tot het uitwendige en tot vormendienst, maar tot de geestelijke diepte der wet, blijkt uit zijne bede: „O Heere, maak mij levend naar uwe goedertierenheid, " De dichter wordt wel van die liefde gewaar, maar hij kent ook eigen onbekwaamheid en roept juist daarom de levendmakende daden Gods over zich in. Daarin nu is de trekkende, de leidende werking des Heiligen Geestes, die alzoo de ziel, waarin Hij zich woning maakte, voert tot een willig, vreugdevol wandelen in de paden des Heeren, .

Maar desalniettemin kan de verzoeking toch zeer machtig worden. De listige omleiding van Satan, de verraderlijkheid der inwonende zonde, de bedriegelijke invloeden van eigen vleesch kunnen een dikwijle overweldigenden invloed oefenen op de zielen van Gods arme kinderen in deze wereld. Wie zal zeggen, hoeveel bangen strijd door hen gestreden wordt, hoeveel benauwdheden zij doorleven. Lees slechts van Gods heiligen in de Schrift en allen zonder onderscheid hebben zij getuigenis gegeven van het diepe zieleleed, dat zij gekend hebben. Zij weten te spreken van de groote daden des Heeren, van de wandeling in het licht, maar ten dage der benauwdheid kon het zoover gaan, dat hunne ziel weigerde getroost te worden. Als zij aan God dachten maakten zij misbaar en hunne ziel werd maar al te dikwijls overstelpt. En dat is altijd zoo, als „hun hart was opgezwollen, als zij in hunne nieren geprikkeld werden", zoodat zij dan ook later als het licht des Heiligen Geestes klaar over hunnen toe stand opgegaan is, moesten belijden, dat zij onvernuftig waren en niets wisten, ja zelfs beleden zij: ik was een groot beest bij U. In de zonde schuilt eene geweldige trekking. En daarom is er steeds het gevaar om uit dea Heeren gemeenschap te dwalen, zoodat zij bij tijd en wijle allen belijden: ik heb gedwaald als een verloren schaap. Maar ook dan laat de Heere hen niet over aan het goeddunken huns harten, maar Hij houdt zijn oog op hen gevestigd en Hij zegt: wees niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit. En dien toom en dat gebit legt Hg dan aan door zijnen Heiligen Geest doordat Hij in zulke tijden ontdekkend optreedt. Hij leidt door hun op het hart te binden, hoe de weg verdorven en de genade verzondigd wordt.

Hij legt opnieuw aan de conscientie de vraag voor, waarheen gaat gij ? Wat doet gij ? En Hij geeft een oog voor het einde van dien weg, die voert van zonde tot zonde, maar ook van ellende tot ellende.

Hij kan het doen beseffen, hoe de dienst der zonde voor henzelven een schande, maar ook voor den Naam en de zaak des Heeren een smaadheid wordt. En zoo is Hij het, die de glansen der wet Gods weder doet blinken voor hun oog en daardoor hen weder terug brengt tot de erkenning van Gods weg. De menschen dezer wereld zouden zeggen, dat op deze wijse het goede over het kwade triumpheert, het beter ik over het slechte de zege wegdraagt. Maar in Gods kind is het de leidende kracht, die van den Heiligen Geest uitgaat, die zijn kind terugbrengt tot den liefdedienst, die uit de wondere genade Gods zelve voortvloeit.

Zij komen weder onder het juk, dat zacht is en nemen weder op den last, die licht is, nadat zij eerst beproefd hadden deze van zich te werpen. Zoo zien wij dat de Heere door allerlei indachtig te maken aan zijne kinderen hen kan terughouden en terugleiden. Lezen wij niet, dat Petrus in den nacht, waarin de Heere Jezus voor het recht stond. Hem verloochende, maar toen hij werd aangezien, uitging en bitterlijk weende.

De blik des Heeren maakte hem indachtig aan zijn vroeger leven, maar deed hem nu ook verder zwijgen, zoodat hij het te benauwd kreeg in de rechtmal. Daardoor hield de Heere hem staande en bracht Hij hem terug en leidt Hem tot bekeering.

En zoo doet nu de inwonende Heilige Geest nog menigmaal. Als zijne kinderen afdolen, dan ziet Hij ze aan en het licht der ontdekking gaat over hen uit, zoodat ze terugschrikken voor zichzelven, voor hunne paden, voor hunne daden. Hij bepaalt hunne aandacht bij voorledene weldaden, bij vroegere daden van genade, bij vroegere benauwdheden, bij donkerheid en smart, uit de zonde geboren, opdat zij wederkeeren zullen, of als de daad nog moet geschieden zich sullen afkeeren. Hij legt beslag op hen, zoodat de aandriften der zonde zullen worden bedwongen. Een treffend voorbeeld van die afmaning van de zonde is ons gegeven in Davids worstelingen met Saul. Davids mannen zeiden tot hem: „Zie de dag, waarin de Heere tot u zegt: Zie, Ik geef uwen vijand in uwe hand." Maar van David wordt ons gezegd: „Doch het geschiedde daarna, dat Davids hart hem sloeg". En het einde van dien innerlijken strijd was, dat hij tot zijne mannen zeide: „dat late de Heere verre van mij zijn, dat ik mijne hand tegen hem sou uitsteken, want hij is de gezalfde des Heeren". De vreeze Gods overwon bij en in hem, doordat de Heere hem die daad liet zien in het licht van zijn recht en wet. En daarom hij trok zijne hand terug.

Zoo is er nu nog in de leiding des eestes zulk een macht der tempering, waardoor het kind des Heeren menigaal bewaard wordt voor een diepen val en als het dreigde af te dolen, wordt teruggeleid naar de rechte paden. De Heilige Geest is de Leidsman, waardoor zij worden gevoerd in de woestijn, maar die ook spreekt naar hun hart en alzoo hen wederbrengt naar de grazige weiden Zijns Woord»,

De inwoning des Heiligen Geestes heeft dan ook voor de dagelijksche bekeering en de dagelijksche vernieuwing des harten en dus voor het dagelijksche leven van Gods kinderen zeer groote beteekenis. Zij zijn nooit zonder Hem en Hij is in de zijnen ook altijd werksaam. Hij sterkt wat zwak is en verkwikt wat dreigt te sterven, Zooals de dorrende planting opleeft van de reuke der wateren en de doovende vlam weder opleeft van de olie, zoo is de Heilige Geest de altijd voedende bron voor het leven van Gods kind. Hg vernieuwt hunne kracht en sterkt hun leven. Hij laat hen verkwijnen, als zij andere heeren navolgen, zoodat zij opnieuw gaan vragen en Hij doet hen de eenzaamheid gevoelen, zoodra zij meenen zich met anderen te kunnen vergenoegen.

Maar Hij blaast ook het gebed aan, zoodra zij aamechtig nedervallen en Hij vervult hunne nooddruft met heerlijkheid, als zij denken om te komen. Hij wekt dat leven van gemeenschap met God en den Vader van onzen Heere Jezus Christus, waardoor Hij ook een Geest der heiligmaking zich betoont. Hij laat het licht opgaan over Gods heilige wet en doet voor het zielsoog blinken de heerlijkheid van het levensideaal, waarnaar Gods heiligen haken als naar het einddoel, dat hun voorgesteld werd. „Zonder Mij", zeide Jezus, „kunt gij niets doen". Die in Hem blijft, brengt veel vrucht voort.

En de Heilige Geest, die in Gods kinderen woont en werkt, is dezelfde, die ook in Christus is en die den levensband met Hem in onverbrokenheid handhaaft en daardoor de zijnen doet wortelen in Hem, die de tweede Adam, de Heere uit den hemel is, zoodat zij in Hem blijven. Zonder dat groote feit der genade, zonder dat inblijven in Christus zou slechts de verwelking van alle geestelijke levensplanting ons resten en zou alles in een oogwenk vergaan. Zoo is het dan ook met den mensch, die slechts een schijnleven deelachtig is. Het zaad, dat in de ondiepe aarde valt, kan wel snel opschieten, maar is even snel verdord.

Er is veel geestelijk leven, dat aan Jona's wonderboom doet denken. Soms zijn er groote Christenen, menschen met groote geestelijke vertooning, waaraan toch juist ontbreekt, dat het niet opkwam uit den levensbodem, die Gods kinderen in Christus hebben ontvangen. Zij spreken over groote dingen, over wondere zaken, betoonen een vurigen ijver, maar weldra blijkt deze te verslappen, de wondere zaken treden op den achtergrond, de wereldgelijkvormigheid neemt weder den boventoon en de groote Christen is weldra nergens meer te vinden. Voor een tijd bij Gods volk, waren zij toch slechts uitwendig daarbij en bleven zij behooren tot de wereld. Slechts uitwendige bekeering en verandering was er. Zij leefden niet uit Christus en de Heilige Geest woonde in hen niet. En daarom was het ook met hun leven en hunne levensverschijnselen wéldra gedaan. En niet zelden eindigden dezulken met de grootste vijandschap tegen Gods volk. Daarom riep dan ook David onder den druk zijner schuld om de blijvende inwoning des Geestes, want hij wist, dat zonder deze er van geen geestelijk leven in den waarachtigen zin meer sprake kan zijn. De Heilige Geest, die de inworteling in Christus in stand houdt, doet de Ievenssappen vloeien in zijne kinderen. Die in Mij gelooft, zegt Jezus, stroomen des levenden waters sullen uit zijnen buik vloeien. En de apostel laat niet na dit te verklaren als vrucht van de inwoning des Heiligen Geestes.

Daarmede alleen is gegeven de heerlijkheid van het leven van Gods volk.

Zooals de lente-adem doet uitbotten bloem en plant en alzoo de belofte wekt van een rijken, schoonen oogst, zoo wekt ook de adem des Geestes op den akker der ziel de levensbloemen, die aan Gods kinderen beloven den ingang in het Eden Gods, Daarom zegt de apostel van al die leidingen des Geestes, van al die werken der genade, van verdrukking en lijdzaamheid beide, dat zij wekken bevindingen en die bevinding, die vrucht des Geestes is, wekt hoop. Hope op het groote goed, dat voor Gods volk verkregen is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 februari 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Van verborgen omgang.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 februari 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's