Staat en Maatschappij.
Twee amendementen.
Mr. Rutgers heeft door het stellen van een amendement op het eedswetje een poging aangewend om de grenzen van het terrein waarbinnen het afleggen van een eed of het doen van een belofte facultatief is gesteld, nauwer te trekken.
Artikel 3 van het ontwerp luidende:
„Eene belofte of bevestiging wordt mede afgelegd, indien de te beëedigen persoon verklaart, tegen het afleggen van eeden gewichtige gemoedsbezwaren te hebben".
Wil hij lezen:
„Eene belofte of bevestiging wordt mede afgelegd, indien de te beëedigen persoon ten overstaan van den kantonrechter of burgemeester zijner woonplaats heeft verklaard, en mondeling bij de beëediging bevestigt, hetzij, dat hij aan G«d niet gelooft, hetzij dat hij op grond van zijn godsdienstig geloof tegen het afleggen van eeden onoverkomelqke bezwaren heeft."
Zoo dit voorstel aangenomen werd, zou de wet ongetwijfeld eene verandering ten goede ondergaan. Alleen aan de atheïsten en aan hen die op grond van hun godsdienstig geloof tegen het afleggen van eeden onoverkomelijke bezwaren hebben, bleef toegestaan om de belofte in stede van den eed af te leggen.
Toch neemt dit nog niet het tweeledig hoofdbezwaar weg, dat tegen mr. Ort's regeling bestaat.
In de eerste plaats dat de eed en de belofte gelijkelijk gewaardeerd blijven;
En in de tweede plaats, dat voor den rechter een niet beëedigde verklaring gelijk zal staan met eene beëedigde verklaring, zoodat een veroordeeling «al kunnen volgen op een onbeëedigde getuigenverklaring.
Daarbij komt dan nog, dat de tweede categorie van personen die tot de belofte toegelaten worden, n.l. zij die op grond van hun godsdienstig geloof tegen het afleggen van eeden onoverkomelijke bezwaren hebben, welke grond is ontleend aan de bestaande Engelsche wet, niet scherp omlijnd is.
Bij dezeze categorie van personen kannen zich veel meer bezwaarden voegen dan zelfs door den voorsteller van het amendement gewenscht wordt.
Toch lijkt ons het amendement van mr. Rutgers meer het einddoel van eene behoorlijke regeling te naderen dan dat wat door de Christelijk Historischen wordt voorgesteld.
Deze stellen voor: om artikel 3 te lezen:
„ Eene belofte of bevestiging wordt mede afgelegd, indien de te beëedigen persoon schriftelijk verklaart, tegen het afleggen van eeden onder alle omstandigheden ook wanneer de Overheid ze vordert, onoverkomelijke bezwaren te hebben, ontleend aan zijne opvatting omtrent den godsdienst.
Deze schriftelijke verklaring vindt plaats door de onderteekening van eene akte, opgemaakt en mede onderteekend door dengene, iu wiens handen de eed of de belofte of bevestiging moet worden afgelegd. Deze akte is vrij van zegel, registratie en alle verdere kosten. Indien de te beëedigen persoon niet schrijven kan, wordt hiervan in de akte zelve melding gemaakt."
Deze redactie, welke de waarborg versterkt tegen het facultatief worden van den eed, geeft niet het , principiëele dat' in het amendement Rutgers gelegen is.
Laatstgenoemd amendement legt een nieuw beginsel in de wet, terwijl het amendement der Christelijk-Historischen niet veel meer is dan een verbetering van hetgeen Minister Ort voorstelt.
Intusschen hoe dit alles zij, de vraag blijft of al wordt het amendement Rutgers aangenomen, dat aan niet weinig twijfel onderhevig is, het wetsontwerp bij de eindstemming ook aannemelijk zal zijn.
Dit nu mag betwijfeld ^worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 februari 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 februari 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's