De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

20 minuten leestijd

Geen Hoogmoed?

II.

Met een enkel woord hebben we er op gewezen, hoe ons artikel „Hoogmoed" ontvangen is door enkele redacteuren van Geref. Kerkbodei.

Ons stukje ging niet over de Geref. Kerken ali zoodanig, 't Ging niet over de bewftging van 1834 bij de Afscheiding, noch ©ver de Doleantie in 1886. 't Ging niet over „de getrouwheid" van onze gescheidene broeders en zusters, noch over hun offervaardigheid in 't algemeen, 't Waa in 't geheel niet om hen te beoordeelen of te veroordeelen in hun Kerkelijk leven als zoodanig. Die eerlijk is zal dat moeten en willen erkennen. En wij onderstreepen dat hier even met opaet, opdat men niet op de valsche critiek alleen afgaande een gansch verkeerden indruk zou krijgen van ons geschrijf ovei „Hoogmoed".

Wij houden ons zooveel mogelijk buiten 't gebeuren met de Geref. Kerken.

Wij hebben wel wat anders te doen dan het tuintje bij onzen buurman te wieden.

We zijn al blij als we in eigen tujn wat mogen schoffelen en mogen snoeien; wat mogen zaaien en planten en nat maken.

Maar toen in alle Kerkelijke bladen geschreven werd over predikantennood en 't allen opviel, dat er in Kampen en in Amsterdam zoo héél weinig studenten zijn die zich voorbereiden voor het ambt van dienaar des Woords, toen hebben wij daar een enkel woord aan gewijd in ons stukje , Hoogmoed".

In een Geref. Kerkbode hadden we p^s een reeks van artikelen gelezen over achteruitgang in het midden van de Geref. Kerken.

Met al de studiefondsen sè.am waren er ook geen leeraren meer te kweeken. Waarbij ons toon trof een artikel van Ds. Sikkel in Hollandia „Predikantennood" getiteld, waarin de kleine vacante gemeenten met heur bundels leerredenen een striem over den neus kregen en de dominé's, die zoo ijverig waren in het schrijven van „preeken voor vacante gemeenten", een smeer uit de pan werd toe bediend.

Ea dat deed ons denken aan dat klein gedoe, aan dat peuterwerk, aan dat scharrelen en schetteren van de familie

Buikje en de familie Kruikje, met welke families wij in de jaren onzer ambtelijke bedienirrg wel , eens kennis gemaakt hebben in onderscheidene gemeenten, waar we wel eens wat hoorden en zagen.

En dé.t hebben we toen met een enkel woord op papier gebracht.

Wie dus de sluizen van z'n welsprekendheid ope.n zet en heel hard roept: „nu weten we hoe die Her 7. Dominé over de Geref. Kerken denkt! — die snapt er natuurlijk niets van.

Neen, men weet nu hoe we denken over Buikje en Kiuikje!

En dat willen we nog eens herhalen. Wat klein gedoe is er niet dikwijls in gemeenten waar in de Herv. Kerk een rechte bediening des Woords is en de sacramenten van Doop en Avondmaal naar uitwijzen van Gods Woord en naar luid van de formulieren worden bediend, waar met ernst gestaan wordt om de dingen in de Gemeente recht te leiden, waar alle christelijke arbeid met kracht wordt ter hand genomen, waar het goede wordt gezocht voor Kerk en School en Vereeniging. '

O! denk u eens een oogenblik in, dat Luth«r of Oalvijn, de groote Reformatoren, in zoo'n omgeving, in zoo'n kerk hadden mogen wonen, om zich daar te mogen begeven onder het geklank van Gods Woord en ook zelf daar Gods Waarheid hadden mogen verkondigen — zouden zij dan ook maar één oogenblik er over gedacht hebben? om zich af te scheiden van do kerk èü afzonderlijk te gaan vergaderen ?

Immers neen! En wat zien we nu in onze dagen? De groote beweging tot uitbreiding en' vermeerdering van de Geref. Kerken is voorbij.

Waar ze zijn, daar blijven ze. Maar van groote uitbreiding hooren we niet.

't Heeft alles de natuurlijke ontwikkeling, van sterfte en geboorte, van huwel^k en verwantschap afhankelyk.

Van bizonder opleven hoort men niet. Van buitengewone geestelijke krachten bespeurt men niet.

't Gaat alles heel gewoon.

Ja — ware 't maar zoo.

Ware er maar geen ooria^k van bange klachte.

Doch daarover straks.

En ziet — dan roert zich hier en daar de familie Buikje en de familie Kruikje, die de loftrompet over de Geref. Kerken blaast langs 's Heeren straten en de fiolen van toorn uitgiet over het Herv. Kerkgenootschap en het met twintigjarigen noesten vlijt zoover weet te brengen, dat er hier of daar — waar in de Herv. Gem. een rechte bediening des Woords i> en een ijverig begeeren en voortdurend trachten om in alles naar Gods Woord te handelen en te wandelen — een Geref. kerkje komt, met een paar ouderlingen en diakenen, met een paar vrouwen en meisjes, straks ook met een eigen dominé, die dan niets dan ellende beleeft en moet bestaan van het schelden op de Herv. Kerk en het vleien van Buikje of Kruikje.

Zulk peuterwerk, zulk klein gedoe, zulk scharrelen en schelden heeft onze sympathie niet. En we hebben het uitgesproken, dat er ook onder de studecrende jongelingschap zijn, die er stichtelijk voor bedanken om zóó bedienaar des Goddelijken Woords te worden in het midden van de Geref. Kerken.

Voor een man van art. 8 met geld is 't nog wé, t.

Maar voor een ontwikkeld, bestudeerd jongmensch, die de toestanden in Kerk en Staat en Maatschappij met wat breeder blik aanschouwt is het alles behalve begeerlijk om zóó te leven en te werken. Nu kan men in de Geref. Kerken natuurlijk net doen als een struisvogel, di« gewoon is z'n kop in 't zand te steken als er iets is, dat niet veel goeds voorspelt.

Maar 't gevaar zelf is daarmee niet weg. Integendeel; 't komt gemakkelijker dan naderbij en overvalt straks met vol geweld tot het toebrengen van de grootste schade, misschien wel van den genadeslag.

Daarom vinden we de bittere uitvallen van de i'edacteuren van Geref. Kerkbodes nu ook niet zoo heel verstandig. Want ze kunnen wel schrijven: „'t is een dronken synodaal, die 't zegt"; of: „'t is pure nonsens wat die man van de zilveren koorde schrijft"; of: „'t moest in Uilen Spiegel staan, wat deze klapper beweert"— maar heel verstandig kunnen we zulk geschrijf niet vinden. En een zeer aannemelijke verklaring is, dat men te hoogmoedig is om er iets van te willen hooren en 't daarom maar even tracht dood te schelden.

Nu moest men toch wat verstandiger zijn in het midden van de Geref. Kerken.

Want er is ongetwijfeld veel goeds daar. 't Geen we volgaarne ten allen tijde willen erkennen. En we hebben daar goede vrienden zitten met wie we ook gaarne goede vrienden blijven, om, waar 't pas geeft, als goede vrienden schouder aan schouder op te trekken.

Maar we kunnen niet ontkennen, dat het klein gedoe van de familie Buikje en van de familie Kruikje ons geweldig tegen staat En dat de brallende, hoogmoedige, snoevende woorden van anderen ons zéér kunnen hinderen, vooral als ze gepaard gaan met alles-veroordeelende woorden aan 't adres van de Hervormden.

Want ja — laat er nu veel goeds zijn in de kringen van de Geref. Kerken.

Maar — is 't nu werkelijk alles goud wat er blinkt? Is het met de prediking wel zoo heelemaal in orde; en met de sacramentsbediening en met de tucht?

En dèt — waar immers kerkelijk alles zoo prachtig in orde is; en met er prat op gaat, dat men in de Geref. Kerken niet alleen praat over de zonden, maar ook z'n zonden laatl

Is het wel zoo in orde in die uitwendig zoo prachtig georganiseerde Kerken?

Is er wel die broederlijke liefde, die een vrucht des Geestes is? Die eensgezindheid, die samenbinding?

Is het wel in orde met de christelijke deugden onder predikanten en gemeenteleden, onder mannen en vrouwen, onder jongelingen en jongedochters? Is - er heelemaal geen gevaar, dat wereldgelijkvormigheid, wereldschgezindheid, brooddronkenheid, holheid, dolheid, ijdelheid de overhand krijgt op elk gebied?

Is er wel dat waarachtig, diepgaand, warm, hooguitslaand geestelijk leven, dat men verwachten mag in een Kerken-groep, waar men alles zoo puik in orde heeft, waar men de zonde laat en waar men niets anders leert dan laag, héél laag neer te zien op die Gereformeerden in het Hervormd Kerkgenootschap die.... om de wille van het geld, tegen beter weten in, in hun zonde blijven? , ,

Wq vragen maar.

En we meenen wel eens andere noten te hebben hooren kraken!

Is er niet een afzakken onder de predikanten en in 't midden van de gemeenten?

Is er niet een bange klacht, dat de prediking zoo oppervlakkig is, dat in het gebruiken van de Sacramenten zooveel doodigheid, oppervlakkigheid, lichtvaardigheid openbaar wordt; dat de tucht ontbreekt; dat de broederlijke liefde weg is?

Gaat er niet een bange klacht op, dat men met een ingebeelden hemel verloren gaat?

Worden de fundamenten wel gelegd die niet zullen worden omgestooten in den dag der dagen ? Is er wel een ontsluiten van het Woord, in diepte en breedte, met innigheid en teerheid, met kracht des Heiligen Geestes? Is er wel een verborgen omgang met God in het midden van de Gemeente? Krijgt men wel een indruk dat men met Gods volk van doen heeft? Of maakt het meer den indruk, dat men met „gereformeerde" menschen te doen heeft, die den mond slechts vol hebben van calvinisme, cultuur, organisatie, en wat dies meer zij?

Wij meenen, dat er in deze in het midden van de Geref, Kerken zelf wel eens met groote bezorgdheid wordt gesproken.

En het trof ons weer bij vernieuwing, een artikel le'iende van de hand van Ds. Sikkel in Hollandia, hoe in-droevig het in het midden van de Geref. Kerken gesteld is, daar ieder aanstonds opvliegt, vol verwaanden trotsch, om, als er even geklaagd wordt door eigen broeders of zusters, op dezulken aan te vliegen en hen zoo ongeveer de oogen uit tè pikken.

Of wat dunkt. U als Ds. Sikkel klaagt over de prediking, over het geesteloos leven der gemeente, over „magerheid, zwakheid, slapheid"; over „die armoedigheid, die luttelheid met wat sjofele „Cul-.tuur" worden opgedischt; over predikanten die „tuinharkerS-'en stucadoors" zijn maar géén ontsluiters van het Woord, geen echte met merg gevoede zonen van Calvijn, geen echte Dienaren desWoords...

Wat dunkt u dan van de toestanden in de Geref. Kerken?

En wat denkt ge dan als ge bemerkt, dat men daar van alle kanten opvliegt en aanstormt, om die klagers voor den mond te slaan?

Hoort wat Ds. Sikkel zelf denkt.

Hij schrijft:

„Wij hooren, ook bij toestrooming en toejuiching, een ten deele zelfs Onbewust kei mend zuchten in Kerk en volk en wereld, om de ontsluiting van het Woord Gods in zijn aangrijpende hemellichtende sprake van den levenden God en van den gezalfden Christus tot zijn gemeente in ons huidig menschenleven.

En zóó lijden wij smart en zóó lijden wij benauwing, bange benauwing over onze armoede — te banger, hóe meer men zich in gerustheid vleit, zichzelf behaagt en in uitwendigheid verloopt, zonder te roepen om heilige zalving als Godsgetuigen.

En — of we dan gelooven, dat wat men zóó als het beste roemt, inderdaad ook zoo best is in de heilige weegschaal en op den echten toetssteen?

Onze overtuiging is meermalen het tegendeel.

En of dan, zelfs naar den geldenden maatstaf, algemeen zulk goed werk gemaakt wordt voor en vanden in de preek, zelfs voor de drukpers; — wij zeggen vrijmoedig en overtuigd met gedrukte proeven voor ons: neen.

Wij hooren een klacht, haast een kreet, uit het land door onze ziel heen klinken, niet naar brood — en-niet naar predikers — en niet naar preeken — en niet naar hedendaagsche schoone preeken — maar naar het Woord des Heeren. -

En wij beven in onze armoede.

. . , Maar — we zijn van een geslacht, dat men gaat begraven.

Deze klagers sterven weldra uit.

Dan blijft er slechts roemen en juichen — modern geschilderd.

Daarom late men ons toch onze klacht bij Hoekstra's graf! .

Wij sterven er toch mee".

Tot zoover Ds. Sikkel, Geref. pred. te Amsterdam in Hollandia van 19Febr.l916.

Een bange klacht. Uit den jongsten tijd. Diep weemoedig. Zonder hope op verbetering.

Waarom ?

Mee hierom, omdat de redacteurs van Geref. Kerkbodes zoo verwaten trotsch zijn, dat ze week aan week de loftrompet blazen en schamper lachend vertellen, met Ds. Klaarhamer van Utrecht: wij zijn de menschen die de zonde laten; wij dragen een kleed, waarop misschien een spatje zit, maar als men er ons iets van zegt, dan zullen wij die Hervormden toesnauwen: wat hebben jullie een vuile jas aani

Zóó onnoozel hoogmoedig is men.

En zoo danst men terwijl de begrafenis besteld wordt.

„Omdat men zichzelf vleit in gerustheid en in uitwendigheid verloopt."

Geve de Heere uit genade, dat er in het midden van ons Gereformeerde volk meei; een waarlijk eerlijk waardeeren van elkander inag komen en boven alles een diep inwerkend geestelijk leven, orn saam met J kracht te belijden den name des Heeren, Zijne eere te zoeken op elk terrein des levens en saam te staan naar den wederopbouw van de Kerk der Reformatie in dezen lande!

Predikants-traetementen.

In heel veel gemeenten staat het daar nog treurig mee. We laaeü pas nog, dat er nog 100 traetementen zijn beneden hetgeen als minimum gerekend moet worden n.l. f 1200 met vrije woning.

Immers zijn er 36 gemeenten die minder dan f 1000 geven; 58 die tusschen f 1000 en f 1100 betalen en 7 die een tractement aanbieden vallend tusschen f llOOenf 1200.

Wanneer zulke tractementen „genoten" worden door predikanten, die geen eigen middelen hebbén — dan kan er niet anders dan gebrek zelfs aan het noodige worden geleden, vooral wanneer er (en dat is toch te hopen!) kinderen zijn.

We zouden zoo zeggen, dat moest in onze Herv. gemeenten, waar dikwijls ook nog fondsen of bezittingen zijn, niet voorkomen.

Men moest méér voor de prediking en voor den dienst des Heeren over hebben.

En waar dat niet het geval is, moest bok maar geen prediking zijn.

Men mag toch in deze bij de gemeenten billijk verwachten en eischen, dat ze zullen zorgen voor een behoorlijk levensbestaan van de dienaren des Woords.

In de onderwijzers-wereld is dat nu aardig geregeld. Daar is een minimum salaris gesteld en daar mag men niet ónder gaan; men moet het minimum salaris aanbieden en uitbetalen, anders krijgt men geen onderwijzer. Dan kan de School zelfs niet bestaan, daar ook de subsidie op deze voorwaarde vast zit.

•Iets dergelijks moest ook komen voor de predikanten.

En daarom gaan we geheel accoord met het voorstel van den tegenwoordigen Secretaris der Synode, die aandringt op wijziging van art. 1, Ie Regl, op de vacaturen alsook op aanvulling van art, 60 van datzelfde Reglement.

Daar moet dan dit komen staan in art, 1 „Nieuwe Gemeenten worden gevestigd verklaart wanneer het geheele tractement gevonden is, dat, behalve vrije woning ten minste f 1200's jaars bedraagt."

Terwijl in art, 60 Regl. Vac, de bepaling moet worden opgenomen, dat in den beroepsbrief een officieele opgave van de inkomsten moet voorkomen, „welke inhomst& ii, aan de standplaats verbonden, tm minste, behalve vrije woning. f 1200 's jaars bedragen".

Dit komt neer op de onmogelijkheid om een beroep uit te brengen, indien het tractement minder dan f 1200 is.

Wat, naar onze meening, zoo erg niet is. Men moet dan maar doen wat noodig is, om den dienaar des Woords tenminste dit behoorlijke tractement te kunnen aanbieden.

Laat men over dit voorstel tot reglemenis-wijziging eens nadenken en dan eens, spijkers met koppen slaan.

Vooral de Kerkeraden moeten hier meehelpen, meer nog dan de domine's zelf.

Hoewel het voor hen ook volstrekt niet ongepast zou zijn, indien ze in bescheidenheid op deze wetswijziging aandrongen.

De nood is hun opgelegd!

Traetaatjes orthodoxie

is de titel, waaronder in de N. R. Ort. van Zaterdag, 12 Febr. 1.1. eene beschouwing wordt gegeven over het missiewerk, dat door het Geref. Traktaatgenootschap „Filippus" e. a. wordt verricht. Voorop ga, dat de schrijver van dit artikel niet in onwelwillende en niinder aangename beoordeelingen treedt. Het is er hem blijkbaar om begonnen zoo objectief mogelijk zijn onderwerp te bespreken.

En ontkend kan niet, dat de schrijver zich niet tevreden stelt met een praatje, maar inderdaad zeer dikwijls belangrijke beschouwingen te berde brengt, die der overdenking waard zijn, ook al is men het niet met hem eens. Reeds het feit, dat hij dit onderzoek ter hand nam, is op zichzelf al het bewijs, dat de redacteur van deze rubriek een man is, die nadenkt en ernstig poogt het geestelijk leven onzer dagen te begrijpen. Dit geeft dan ook aanleiding nader stil te staan - . bg het licht, dat hg' op dezen missie-arbeid laat vallen. Enkele gedeelten uit zijn belangrijk stuk nemen wij hier over:

De meeste belangstellende buitenstaanders leeren de orthodoxie uitsluitend kennen uit verhandelingen, betoogen, dagblad-en tijdschriftartikelen en verslagen van redevoeringen, die, meerendeels gehouden door godgeleerden van naam, bestemd zijn voor een algemeen ontwikkeld gehoor. Deze kennis is echter eenzijdig. Wil men weten, wat er op dit stuk onder de groote schare der minder ontwikkelden leeft, dan dient men de openbare godsdienstprediking bij te wonen, of de traktaatjes te lezen, waaruit het orthodox volksdeel zijn stichtelijk voedsel put. Dewijl wij onder de geruchtmakende theoretische strijdpunten tusschen gereformeerden, confessioneelen en ethischen de praktijk zouden gaan vergeten, hebben wij het noodzakelijk geacht eens opzettelijk onderzoek te doen naar dp empirische orthodoxie, gelijk zij zich onder liet dusgenaaihde volk openbaart.

De oorlog en de watersnood hebben aan het licht gebracht, hoe onder alle geleerd en wetenschappelijk vertoog de grondgedachte der populaire orthodoxie toch steeds dezelfde is gebleven. In gesprekken onder het volk, zoowel als door middel van enkele uitlatingen van rechtzinnige weekblaadjes, kwam de godsdienst der vrees onverbloemd tot uiting, en de Standaardbevingen en daaruit gemaakte gevolgtrekkingen gaven blijk, hoe de orthodoxie nog steeds de volksconscientie naar den eisch van den tijd weet te treffen. Dat dit een kunst is, die de orthodoxen op de vrijzinnigen voor hebben, hebben wij reeds eerder opgemerkt in een opstel over «godsdienstprediking en volksziel» • in het Avondblad van 15 Mei 1913,

De lezing van de traktaatjes, uitgegeven door het Gereformeerd Traktaatgenootschap Filippus, hebben ons in deze meening gestijfd. De traktaatjes-schrijvers weten, hetgeen Querido in zijn arbeid aangaande de volksziel heeft gezegd: «Zij zoekt sensatie, ontroering, beklemming, angstopjaging, smart. Ze wil sidderen, krimpen; ze verlangt hartkloppingen, schokken, verbijsteringen.» En hierin wordt zij bevredigd door de ruim 800 nummers, die de catalogus van het Traktaatgenootschap bevat. Reeds de opschriften lokken aan en doen het ergste vermoeden.

Hierna volgen dan een reeks van titels van traktaatjes, waarna de schrijver aldus voortgaat:

Bij nadere kennisneming blijkt, dat al deze onderwerpen nauw met elkaar samenhangen. Het zijn alle gevaren, waartegen met het oog op de eeuwigheid dient gewaarschuwd te worden. Of de eeuwigheid door geen. andere verschijnselen dan deze wordt bedreigd? Er zijn toch zooveel andere ondeugden op zedelijk gebied dan juist vloeken, dronkenschap en kermishouden. Wie zoo spreekt, spreekt als een «moderne». Want deugdzaamheid baat den ongelukkige niet, die voor «den vlammenden rechterstoel Gods» verschijnt. «Al hebben we dan ook een onberispelijk leven geleid, dat alles zal ons niet kunnen doen bestaan in de viersQhaar van een heilig en rechtvaardig God. Met al onze deugdenj hoe uitnemend ook op zichzelf, moeten we voor eeuwig omkomen.» Het eenige wat kan redden, is de gemeenschap aan het bloed van den Heere Jezus.

Vloeken, dronkenschap en kermis worden dan ook niet zoozeer uit zedelijk oogpunt gevaarlijk geacht, maar eer in samenhang met «het socialisme» en «het modernisme» beschouwd als kenteekenen van den «ongeloovige», die geen rekening houdt met de schuldvergevende kracht van Jezus' bloed en derhalve opgeschreven staat voor «de plaats des eeuwigen vuurs, die van sulfer brandt.» Op allerlei wijzen wordt op de angst voor de verdoemenis een beroep gedaan, en bij name gewezen op het gevaar van plotseling sterven, dat de bekeering te rechter tijd onmogelijk maakt. Hier valt een inan van den steiger, daar zakt iemand door het ijs en verdrinken zeven jonge dames op een pleziertocht, ginds wordt een spottend jongetje van 12 jaar plotseling «be nauwd en pijnlijk», of wordt een caféganger' «plotseling onwel», elders stort een rijtuig met kermisgangers in 't water of doet de groote brand van de Weldadigheidsbazaar dienst om de hellevaart der omgekomen Franschen, die eensdeels om hun «lichtzinnigheid en wuftheid» bekend staan en anderdeels tot de Roomsch-Katholieke Kerk behooren, den angstigen lezer voor "oogen te schilderen.

Altijd is het weder de dood des onbekeerden, waarheen wordt verwezen. «Stelt uw bekeering toch niet uit tot uw ziekbed; wie weet of ge wel een ziekbed zult hebben. En vergeet niet, dat de moordenaar aan het kruis het eenige voorbeeld in den Bijbel is van redding in de uiterste ure.» Wij nemen een traktaatje over «de Bijbel of de Courant, » hopend daar eens wat afwisseling te vinden. M3, ar neen, ook hier is de moraal: «De Courant zegt u alle dagen dat gij sterven moet en plotseling sterven kunt.» Al wordt dan hier terloops opgemerkt, dat «vele nieuwsbladen dwaalsterren» (zijn) «welke den mensch om-en afleiden», terwijl daarentegen «een flinke Christelijke Courant is in den storm der wereld als een baken in zee.»

Na de kennismaking met deze tractaatj es-prediking, waarmede de mondelinge geloofspropaganda van deze soort orthodoxie allicht in overeenstemming zal zijn, zien wij de vreesaanjaging van sommige «Christelijke Courenten», die, gebruik makende van den toevalligen samenloop van allerlei volksrampen, aan den komenden oordeelsdag herinneren, in een ander licht. Want deze vreesaanjaging blijkt niet van de tijdsomstandigheden af te hangen, doch doet ook in normale dagen dienst, om het volk ter bekeering te drijven. Aardbevingen, oorlog en watersnood worden beschouwd als waarschuwing voor de gemeenschap, plotselinge sterfgevallen als waarschuwing voor den enkeling. De eersten bestrijken 't gebied der gemeenschappelijke, de laatste dat der persoonlijke zielszorg. Dit is het eenige verschil.

Hoewel dankbaar, dat de schrijver op deze materie de aandacht gevestigd heeft, geloof ik toch niet, dat hij de zaak, waarom h«t gaat, geheel heeft recht gedaan. Dat de orthodoxie de godsdienst der vrees zou zijn, is ten eenenmale onjuist. Feit is, dat met betrekking tot bovenzinnelijke zaken over het algemeen bij menschen van alle richtingen de vrees een groote rol speelt. De wijze, waarop zich dit verschijnsel uit, is echter geheel verschillend, In niet geloovige, niet orthodoxe kringen uit zich de vrees door een gebruik van amuletten, talismans en allerlei dergelijke afweer-inatrumenten, door magie, door bezoeken bij, waarseggera en waarzegsters. De vrees doet in allerlei kringen hare werking gevoelen. Op godsdienstig gebied wortelt zij in en komt zg op uit de zedelgke desorganisatie van ons geslacht. Als de schrijver de moeite ^11 doen kennis te nemen van het artikel, dat over het onderwerp, dat hem bezig hield, geschreven werd in het 2e deel van Prof, Visschera werk: Religion und soxiala Lthen b«i den Naturvölkern, S. 238—249, dan zal het hem duidelijk zijn, dat het ten eenenmale is uitgesloten, dat de orthodoxie, omdat woord nu over te nemen, de godsdienst der vrees is. En dan zal hij ook verstaan, dat de missie met dezen arbeid allerminst bedoelt de menschen bevreesd te maken, maar juist omgeke^d hen van alle vreeze tracht te verlossen, ook van die vreeze, die opgekomen uit een ontwricht geweten, inde verborgenheid van veler leven nch doet gelden als een donkere wolk, die alle levenablijdschap ondertchept. De orthodoxie plaatst zich bij haren arbeid op den bodem der rea, liteit, zij neemt den mensch zooals hij werkelijk bestaat. Zij wil den mensch de waarheid aan­

gaande ïichzelven doen kennen. Daardoor onderscheidt zij zich dan ook juist van het modernisme, dat met een philoaophiache interpretatie de werkelijkheid der zonde in het zedelijk bewustzijn tracht weg te exegetiseeren. Daarom juist slaagt het modernisme niet, kan het niet slagen, omdat ten slotte de zedelijke natuur des menschen zich geen geweld laat aandoen,

In de maasa treed die zedelijke realiteit steeds weder op den voorgrond. Bij enkele intellectueelen mag zq zich door philosophiiche narcose laten terugdringen of afleiden, bg het volk lukt dat niet. Het is juist de erkenning van de werkelgkheid der zonde, maar ook de erkenning van de waarheid der verlossing, die in Christus Jezus is, waardoor de orthodoxie kan spreken tot elke behoeftige vreezende zondaarsziel, tot den eenvoudige en tot den geleerde: „vreest niet, want zie, ik verkondig u groote blijdschap, namelijk dat u heden geboren is Christus, de Zaligmaker in de stad Davids, " En daarom ook kan de orthodoxie leeren: „Er is in de liefde geene vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees buiten."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 februari 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 februari 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's