Uit het kerkelijk leven.
Nog eens Traktaatjesorthodoxie.
In het morgenblad van de N. R. Ct. van Dinsdag 29 Febr. 1916 komt de redacteur van de rubriek Kerknieuws terug op hetgeen wij schreven aangaande de bewering, dat de orthodoxie de godsdienst der vrees zou zijn. Hoewel nog niet geheel overtuigd, dat de vrees als ssoodanig met het wezen der orthodoxie niets van doen heeft, wordt toch erkend, dat de vrees zich ook buiten de orthodoxie doet gelden. Met deze erkenning kunnen wij tevreden zijn, daar zij in zich sluit het prijsgeven van de beschuldiging, dat de orthodoxie de godsdienst der vrees is. Maar nu voegt de schrijver er nog enkele opmerkingen aan toe, die aanleiding geven tot eene nadere beschouwing van zekere, in onze dagen op den voorgrond tredende leeringen, die naar het schijnt den modernen mensch bijzonder onaangenaam aandoen. Zie hier hoe de auteur van de artikelen, getiteld:
Traktaatjesorthodoxie, in de N. R. Crt. zijne bezwaren saamvat:
Waarop wij echter in het bizonder den nadruk meenden te moeten leggen, is het naar moderne begrippen zonderling verband dat door de „traktaatjes-orthodoxie" tusschen lichamelijke en metereologische gebeurtenissen eenerzijds en de zedelijke gerechtigheid anderzijds wordt verondersteld, alsmede op de voor het vrijzinnig-godsdienstig oordeel onverdedigbare gedachte aan de fysieke straf Gods bij name in het hiernamaals (de hel) voor vermeende vergrijpen van zedelijken, meer echter nog van leerstelligen aard. In deze laatste gedachte schuilt o. i. een gevaar niet alleen voor godsdienstige, doch eveneens voor zedelijke vergroving. De taak van den godsdienst in modernen zin is, eendeels aan de menschelijke behoefte van verlossing uit vrees te gemoet te komen, doch anderdeels nooit uit het oog te verliezen, dat de „zedelijke realiteit" welke in dit verlossingsproces op den voorgrond treedt, van geestelijken aard is en zich niet openbaart in de grof-materialistische vormen, waarin de door ons geschetste orthodoxie haar uitingen vermoedt. Dat deze taak, bij dt gegeven constellatie der volksziel, uitermate moeilijk is, mag geen reden zijn, haar op te geven, doch dringt juist tot een sterker gevoel van verantwoordelijkheid en een meerdere krachtsinspanning, die zich vooral ook bij de bestudeering des psychologische waarde der verschillende godsdienstige stelsels zal dienen te laten gelden.
Hoewel een blad als De Waarheidsvriend zich niet leent voor wetenschappelijke en wijsgeerige beschouwingen, acht ik het toch niet ongepast over deze bezwaren van een ernstig en hoogstaand moderne eenige opmerkingen ten beste te geven, die voor sommigen onzer lezers van belang kunnen zijn.
In den laatsten tijd is speciaal Dr. Kuyper er lastig over gevallen, dat hij op de steeds voorkomende aardbevingen zulk een nadruk legt als op teekenen van het naderend einde. Er ging een Homerisch gelach op door de Pers. En telköBS hoort men nog de spotwoorden „Standaardbevingen" etc.
Nu heeft Dr. Kuyper allerminst noodig door mij verdedigd te worden, en ik denk er niet aan hier eene apologie voor zijne uitlatingen te geven. Ik begrijp volkomen, dat er om deze beschouwingen gelachen werd. Immers, er zijn misschien weinig voorstellingen, die een modern mensch meer vreemd schijnen dan die van oordeelen en straffen, van recht en gerechtigheid Gods. De idee zelfs vervult hem met onwil. Hoewel wij menachen van dezen tijd eene historische crisis doorleven zooals er de historie nooit eene kende, sinds het Kruis geplant werd, is ten volle op ons van toepassing het woord des Heeren: „En gelijk de dagen van Noach waren, alzoo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des menschen. Want gelijk zij waren in de dagen voor den zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwlijk uitgevende, tot den dag toe, in welken Noach inde ark ging; en bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam en hen allen wegnam; alzoo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des menschen". Pat gebrek aan levensdièpte, dat onze dagen kenmerkt, doet zich gelden zoowel inde kringen der orthodoxie als daarbuiten,
is een algemeen verschijnsel. Als de nood dreigt, dan komt de massa een oogenblik in panische vrees en neemt een ernstiger levensplooi aan. Maar nauwlijks Bchijnt de hemel te verhelderen, of de plooi van ernst wordt glad gestreken.
Nu aal ik niet beweren, dat ik b.v, op dezelfde wijze over de aardbevingen schrijven zou als Dr. Kuyper. De geestelijke motieven, die bij een mensch op den voorgrond treden, hangen ook samen met zijn leeftijd. Als een man van tachtig jaren tot mij zegt: „gedenk te sterven", dan zal ik dit gaarne uit zijn mond hooren. Immers, die tachtigjarige heeft de eindpaal, naar menschelijk inzicht, weldra bereikt. Hij ziet het leven als een voorbijgegaan leven en als hij een man is, die er eeuwigheidslicht over zag opgaan en dus besef kreeg van roeping en zedelijke verantwoordelijkheid, dan zal ik zijne vermaning: „gedenk te sterven" diep ernstig opnemen.
Maar als ik een jongen man ontmoet, die er pas in geslaagd is, moeizaam het hart eener schoone te veroveren en voor het eerst met haar mag uitgaan, en hij zegt tot mij uit somberen ernst: „gedenk te sterven", dan haal ik meewarig de schouders op over zulk een ziekelijke naarheid, over zulk een vrome aanstellerij. Zijn woord maakt geen indruk en wekt veeleer de spotlust op.
Toch is het in beide gevallen hetzelfde woord, drager van dezelfde waarheid, van dezelfde roeping en denzelfden ernst. Zoo is het nu ook hier. Dat Dr. Kuyper in voleindingsideën meer leeft dan jongere menschen, dat spreekt vanzelf. Wat hem past, zou jongeren misstaan. Reeds uit dat oogpunt verdient hij dan ook iets anders dan spot, eerbied in plaats van smaad, dat hij den moed heeft in deze zoo materialistisch voelende wereld op symptomen van haren ondergang te wijzen, opdat de menschen de ijdele nietigheid en onbeduidendheid van hetgeen in breeden kring wordt nagestreefd als het hoogste goed, zullen beseffen en naar eeuwige dingen gaan vragen.
Ook uit de beschouwingen van de N. R. Crt. over de verhouding van zedelijke gerechtigheid en lichamelijke en metereologische gebeurtenissen blijkt, dat het eigenlijke wezen der orthodoxie hem niet geheel duidelyk voor den geest staat. Hij miskent de orthodoxie. Natuurlijk niet met opzet, maar hij is niet bij machte zich in de levenservaringen van den orthodoxen mensch te verplaatsen. Te verwonderen behoeft zulks niet, want wat is moeilijker dan andersdenkenden waarlijk recht te doen en zich in hunne levens-en wereldbeschouwing te verplaatsen.
Ik stel het in den redaclieur van de rubriek Kerknieuws in de N. R. Crt. op prgs, dat hij „de psychologische waarde" in het oog wil vatten. Welnu, als hij dat ook had kunnen doen met betrekking lot hetgeen hij zoo zonderling vindt in de orthodoxie, dan zou hij hebben begrepen, dat in hetgeen hem zoo zonderling schijnt, zich eene levenswerkelijkheid aan hem voorstelt, die hij rondom hem zal kunnen speuren als empirisch waarneembaar.
Hij vindt naar moderne begrippen het verband, dat tusschen lichamelijke en andere gebeurtenissen eenerzijds en de zedelgke gerechtigheid anderzijds gelegd wordt, zonderling. En ik vind het zonderling, dat hij het niet ziet. De mensch is toch eene eenheid. Wat door het lichaam geschiedt, gaat niet buiten den geest, niet buiten de zedelijke persoonlijkheid om. Er is toch verband tusschen b.v. de zonde van den wellust en het verderf der venerische ziekten, die geslachten vergiftigen kunnen. Er is toch verband tusschen de zonde van den alkoholist en de degeneratie zgner nakomelingen. De zedelijke gerechtigheid is in en met de daden zelven. De straf komt er niet als een toevoegsel by, maar ligt in de zondedaad zelve gegeven. Is deze gruwelijke oorlog niet een direct gevolg van de heerschappij van het egoïsme en materialisme, dat de volkeren bezield heeft? En is dan in den vloek van den mammondienst niet het oordeel gegeven, dat nu de volkeren striemt en bloeden doet uit duizend wonden?
Zoo zou ik kunnen voortgaan en aanwijzen, hoe in de werkelijkheid rondom ons, zich dat „naar moderne begrippen zonderlinge verband" toch onmiskenbaar xeker voor ons stelt. Of men het zien wil of niet, het is er.
Nu stem ik natuurlijk toe, dat voor ons denken, dat verband niet overal en niet steeds aanwijsbaar is. Maar in de volksziel leeft het instinctmatig. En wie niet al te oppervlakkig is, beseft dat zich daarin de ervaring van eeuwen soms weerspiegelt. Als het spreekwoord zegt:
„gestolen goed gedijt niet, " of „zoo gewonnen zoo geronnen" of hoevele van zulke uitdrukkingen er gangbaar mogen zijn, dan spreekt zich daarin uit, hoe er zulk een verband, dat den modernen mensch zonderling toeschijnt, eeuwenlang is opgemerkt.
En voeg daarbij nu, dat de Christelijke religie, vooral in haar Oalvinistischen vorm, niet maar een zeker stemmingabeeld is, maar eene massale alomvattende wereldbeschouwing in zich sluit, waarbij heel de wereld en haar ontwikkelingsgang als een grootsch proces van Gods openbaring wordt gekend, waarin dus het Koninkrijk Gods ook kosmisch verstaan wordt, zoodat het een organisch zich ontwikkelend geheel is, waarin alles strekt tot openbaring van Gods heerlijkheid, daar is het toch duidelqk, dat zoowel de krachten der hemelen, als de ontwikkeling dezer aarde en het levensproces, dat de menschheid doormaakt, niet anders kunnen zijn dan factoren, waardoor het profetische woord wordt vervuld: „Zie, Ik schep een nieuwen hemel eneene nieuwe aarde, waarin de gerechtigheid woont, " In die wereldbeschouwing staat niets op zichzelf. De geschiedenis der aarde en die der menschheid staan niet los naast elkander. En al moet ik erkennen, dat er tusschen de zedelijke desorganisatie en de werkingen in de aardkorst door mij geen verband kan worden geconstateerd, dan is daarmede toch immers allerminst bewezen, dat in het wereldplan Gods er zulk een samenhang ook niet bestaat. Integendeel, eenmaal gegeven de proloog van het Johannes-Evangelie, dan bestaat er, als vrucht van den redelijken samenhang aller dingen, zulk een verband zeer zeker. In elk geval is het een feit, dat Jezus het zoo gepredikt heeft, ons verkondigend, dat het Koninkrijk Gods in zijne komst samenhangt met gansch het wereldworden. En dat zulks niet slechts bijkomstig is en alleen groote wereldhistorische feiten betreft, maar ook in het kleinste wordt verondersteld, moge hieruit blijken, dat als aan Jezus met betrekking tot den blindgeborene in Joh. 9 gevraagd wordt: „wie er gezondigd heeft, deze of zijn ouders? " Dan wijst hij de vragers af met de verklaring, dat de blindgeborene er is, opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden. De religieuse wereldbeschouwing, zooals
die in Christus' prediking wordt gekend, vat alles, het groote en kleine, in den hoogeren samenhang van Gods wereldplan. En het zedelijk leven der menschheid verschijnt eveneens in dat licht. Daarom schouwt het dan ook immer de
zedelijke gerechtigheid temidden vau het wereldgeschieden en gelooft in die gerechtigheid, ook al wordt zij niet steeds onmiddellijk openbaar. Eu aangezien den mensch als onsterfelijk wezen eene eeuwige bestemming wordt toegekend, staat ook zijn leven in het licht van Gods recht. Daarom gaat dan ook door het zedelijk
bewustzijn der menschheid steeds een vergeldingsbesef, dat zich overal doet gevoelen, in alle godsdiensten zonder onderscheid. En ook de moderne mensch ontkomt daaraan niet, al is zijn leven ook goeddeels opgegaan in materialistische idealen, die hem geen of weinig tijd laten in zichzelven in te keeren.
In welke voorstellingsbeelden zich deze zedelijke gevoelens ook mogen kleeden, is geheel bijkometig, ook al zal ik niet ontkennen, dat daarvan misbruik kan worden gemaakt en ook gemaakt wordt.
De Schrift spreekt van onuitblusschelijk vuur, van de poel, die brandt van vuur en sulfer, van den nacht, van de duisternis, maar ook van den worm, die niet sterft. En dat ook het zedelgk lijden een reflex in physische werpt, is geheel gegrond in de telkens waarneembare werk«lijkheid, die ons leert, dat de mensch aan wiens levensgeluk het verdriet knaagt, er door kan wegsterven en verkwijnen. Wat de conscientiawroeging aan lig den vermag te veroorzaken, is zeker het smartelijkst lijden, dat denkbaar is.
Het is waar, de moderne mensch heeft geen oog voor de zedelijke gerechtigheid, gelijk ook het besef der zedelijke verantwoordelijkheid bij hem verzwakt ie. Daarom kan big de taal en de beelden der Heilige Schrift, voorzoover zij daarop betrekking hebben, niet meer verstaan en schijnt ook het volk, dat er nog uit leeft en voor wie deze dingen nog levende werkelijkheid zijn, hem vreemd. Hij kan niet meer begrijpen, dat hetzelfde zedelijk bewustzijn, dat eeuwenlang in rampspoed leerde zien een drang tot verootmoediging, tot zelfonderzoek en gebed, nog in duizenden en duizenden zich handhaaft. De oorzaak ligt niet daarin, dat hetgeen de massa doorleeft, niet is uiting der ware menschelijke natuur, maar hierin, dat de moderne cultuurmensch het meest onnatuurlijke wezen is, dat zich deuken laat. De cultuur heeft hem doof en blind gemaakt voor de werkelijkheid van het echt menschelijke op zedelijk en religieus gebied en niet alleen daarop. En uit die ongezonde verhouding tusschen cultuur en natuur komt dan ook met snelheid op de decadentie, die het Westersch leven bedreigt.
Tegenover dat alles kan alleen de Christelijke religie, met haar in alles op den voorgrond tredende souvereiniteit Gods, met hare handhaving van het zedelijke, met haar ideaal van het waarachtig menschelijke, met hare verzoening, met haar redding van het verlorene, met hare liefde, die alle vrees bant, maar ook met hare handhaving van Gods recht in alle menschelijke verhoudingen, het geneesmiddel zijn. Indien de moderne menschheid den echten mensch niet terugvindt in den Gekruisigde, dan zal zij geene toekomst hebben. Hare rijke, heerlijke cultuur kan alleen
gelukkig maken, indien aan haar de oude profetie vervuld wordt: en zij zullen de heerlijkheid en de eer der volken daarin brengen, namelijk in het licht der stad, die door Gods heerlykheid is verlicht.
Ik stel mij voor, dat als de auteur van de rubriek Kerknieuws in de N. R. Crt. die zoozeer blijk geeft van te willen verstaan het geestelijk leven onzes tgds, eens doordringt achter de voorstellingsreeksen, waarin deze geestelijke enzede-Iqke levenswaarheden zich hullen en openbaren, hij zal vinden niet slechts den sleutel van wat nu nog voor hem moet zijn „een zonderling verband", maar ook eene wereldbeschouwing, die in hare diepte niet alleen zich kan meten met alle wijsbegeerte, welke ook, doch tevens eene levensbeschouwing, die het echt menschelijke gegrepen heeft. Het zal hem dan blijken, dat het Woord is vleesch geworden en in Immanuel ons verschenen is de ware mensch, ons weder geopenbaard is de reine menschelijke natuur.
En dan zal hij in die openbaring het recht Gods zien, dat gaat over deze wereld van zonde en lijden. Heeft niet Jezus met het oog op zijne verschijning gezegd: „zie, het oordeel Gods is aireede in de wereld"? Dezelfde die behoudt, is ook die oordeelt. En zooals Hij den mensch behoudt als mensch, dus naar lichaam en ziel, zoo gaat ook zijn oordeel over beide. De nieuwe hemel en de nieuwe aarde komt door alle catastrophen van het kosmisch en historisch proces heen. En het eeuwige Woord, waardoor is al wat gemaakt werd, is niet slechts het Woord dat in de natuur zich openbaart en in heel de kosmische ontwikkeling zich; ontvouwt, maar ook het licht van recht en genade, dat door heel den levensgang gloort. In de Christelijke religie is de hoogere eenheid van natuur en geest, in de scheppende werkzaamheid Gods begrepen. Daaromjstaan in de eschatologische redenen des Heeren naast oorlogen en aardbevingen ook de verhouding der liefde, de inzinking des geleofs, de materialistische levenstrek en zoovele andere sociale en zedelijke verschijnselen als symptomen ons aangegeven, die wigzen op de groote eind-catastrophe, tot wier verwezelij king dit alles meewerkt.
En het is de roeping der gemeente van Christus in al hare vormen, maar ook de roeping van elk, die belijdt, dat het Woord is vleesch geworden en onder ons heeft gewoond, de massa te wijzen op de teekenen der tijden. Dat is roeping, ook al zal de moderne mensch het met spot en hoon beantwoorden.
Is de Herv. Kerk een Talsehe Kerk?
Inderdaad is er dus vooral in de dagen der doleantie herhaalde malen verkeerdelijk gezegd en geschreven: de Ned. Herv.
Kerk is een valsche Kerk en in hare reglementen is nergens sprake van God» Woord,
Men heeft zich daarin vergist.
Want de Ned. Herv, Kerk is in wezen niet een valsche Kerk, maar de gereformeerde Kerk van Nederland.
En er is geen Kerkeraad die een beroepsbrief schrijft en geen dominé die een beroepsbrief onderteekent, of ze verklaren saam: dat in de Ned. Herv, Kerken overal alles moet worden ingericht naar uitwijzen van Gods Heilig Woord en dat de kerkelijke reglementen de aanwijzingen behooren te zijn van de wegen, langs welke wij des Heeren Woord hebben te gehoorzamen in leer en leven, in prediking, sacramentsbediening en tuchtoefening.
Eerst staat Gods Heilig Woord,
Daaraan onderworpen en daarmee verbonden: de kerkelijke verordeningen.
Wij weten wel, dat er in onze Herv. Kerken weinig van deze zaak gevoeld wordt; nog minder naar gehandeld — ook dat men deze redeneering niet kent of haar belacht.
Maar dat raakt het wezen van de zaak niet. Welke zaak de Heere voor onze Kerken bewaarde, ten spijt van de listige aanslagen van de vijanden die de Ned,
Herv. (Geref.) Kerk zoo gaarne van haar wezen zouden berooven en van haar zouden willen maken een religieus genootschap voor alle gezindten, een godsdienstige vereeniging van elk wat wils, een organisatie van het religieuse volksleven.
Maar dat heeft de Heere in werkelijkheid verhinderd.
De Heere heeft over Zijne Kerk in dezen lande nog willen waken.
En daèr zullen we de dingen moeten leeren aangrijpen, da^r waar de Heere nog het goede bewaarde of werkte, in weerwil van de booze beraadslagingen en listige aanvallen van de vijanden der waarheid.
Wonderlgk zijn in deze de wegen des Heeren!
Of is het geen wonder, dat de drie Formulieren van Eenigheid in onzen modernen tijd nog niet zijn gewijzigd, verminkt en geheel bedorven geworden?
En dat de sacramenten nog zijn bewaard?
En dat als regel in onze Herv, Kerken nog geldt, dat de leer der aloude Gereformeerde Kerk moet worden geëerbie digd en gehandhaafd door èA de Besturen, van af den Kerkeraad tot de Synode toe ?
O, we weten het wel, dat men hier aanstonds met allerlei vragen kan aankomen en dat men, ziende op de practijk van ons kerkelijk leven, ernstig het hoofd kan schudden.
Wij verstaan dat zéér goed.
De ellende van onze Hervormde Kerk in onze dagen is ook zéér groot. Laat ons dat niet ontkennen. Laat ons dit maar helder zien en diep gaan gevoelen met innig leed des harten.
Maar als de practijken niet in orde zijn is een belangrijke vraag: of dat geschiedt overeenkomstig het wezen der Kerk of dat het gebeurt in strijd met het wezen der Kerk. Dan is alleszins beiangryk te onderzoeken: of 't hier is naar de natuur der Kerk óf dat het geschiedt wederrechtelijk en tegen het eigenlijk bedoelen der kerkelijke verordeningen.
En wij meenen te mogen antwoorden, dat al de practijken in het kerkelijk leven die getuigen van een onbijbelsch, ongereformeerd, liberalistisch drijven, om zoo te komen tot een ongerefoimeerden, modernen kerkstaat, wederrechtelijk worden bedreven en aan de hand worden gehouden, in flagranten strijd zijnde met het wezen en den aard van de Herv. Kerk en tegen het bedoelen van den eigenlgken zin der kerkelijke verordeningen.
Wat we ook willen bewijzen.
Laat ons maar eens terugaan tot het jaar 1816, het jaar waarin er zooveel met onze Ned. Herv. Kerk gebeurd is; toen aan onze Kerken een nieuwe organisatie in zake Kerkregeering door do hand des Konings is opgelegd.
Wat is er toen inzake de eenig wettige en eenig geldende belijdenis der Gereformeerde Kerk gsbeurd? Is sij afgeschaft; of is zij principieel gewijzigd; of is zij tijdelijk buiten werking gestsid?
Ging, toen een nieuwe wijze van Kerkbestuur werd opgelegd, zonder dat de Kerk zelve daarin geksnd is geworden en niets had te beslissen tegenover het hoog bevel des Konings — ging toen de belijdenis der gereformeerde Kerk niet mee in de uitwendig zeer veranderde Nederduitsch Ilervormde Kerk, zooals deze sinds 1816 bestaat?
Op al deze vragen moet geantwoord worden: de Kerkvorm werd in 1816 veranderd, maar de Kerk zelve [wilde men nift veranderen. De kerkelijke orgaaisatie wat betreft de wijze van Kerkregeering kreeg in 1816 een gansch ander karakter, maar de kerkelijke belijdenis moest daarbij bewaard, geëerbiedigd, gehandhaafd worden door 411e kerdelgke besturen van het laagste tot het hoogste en van hot hoogste tot het laagste I
Wij wijzen maar op art, 9 van het Algemeen Reglement — de grondwet in de Kerk — waar geschreven stond, dat de leer der Kerk moet worden gehandhaafd.
Wij wijzen op de verklaring van den Commissaris Gsneraal van 28 Maart 1816 aan 't adres van de Classis van Amsterdam.
Waaruit blijkt, dat de leer der Kerk in 1816 meeging onder de nieuwe organisatie.
't Was geen indere Kerk dan voor 1816.
't Was en 't zou blijven de zelfde Kerk als van de dagen der reformatie,
Prof. Bell zeide dan ook terecht in de vergadering van de Synode van het jaar 1874 (Syn. acta blz. 140 etc.) „dat met de woorden de leer der Hervormde Kerk niet anders kan bedoeld zijn, dan de leer die begrepen is in de Nederl. Geloofsbelydenis, den Heidelbergschen Catechismus ©n de Leerregels der Synode van Dordrecht, dat is: de leer, welke in de aangenomen Formulieren van Eenigheid der Nsderlandsche Hervormde Kerk begrepen is."
Terwijl hij dan voortgaande zeide: „Kan K en mag aan die woorden de leer der Her z vormde Kerk in art. 11 (vrosger art. 9), vwa geen andere zin dan de genoemde gehecht worden — aan het woord „handhaving" van die leer kan en mag geen v andere beteskenis worden gegeven dan bw deze, dat allen die in onderscheiden© betrekkingen met het Kerkelijk Bestuur belast zijn, die leer der Herv. Kerk — z en dan wel zooals zij luidt in haar geheel h — moeten handhaven, zoowel door zelven d die leer van harte te belijden en aan te a bevelen, als door te waken, dat die leer u gekend en beleden worden door allen, - die aan hun bestuur onderworpen zijn". h
In welken geest ook Dr. Vos schrijft, als hij in Kerkrecht (blz. 26) zegt: „den Kerkbestuurder gold art. 9, thans art. 11 van het Algem, Reglement, hetwelk met ronde woorden van hem vorderde: „de having van de leer der Herv. Kerk" — natuurlijk gelijk zij uit de aangenomen Formulieren van eenigheid gekend wordt".
Hiermee beweren we dus zéér beslist, dat in 1816 het karakter, de grondslag, het wezen, de leer van onze Herv. Kerk nitt is veranderd.
Het was en het bleef de aloude Gereformeerde Kerk, met hare gereformeerde belijdenisschriften, die ook in den voortgang zouden hebben te beslissen waaraan de kinderen des huizee zouden zijn te onderkennen.
Wat ook zelfs in 1841 niet principieel ia gewijzigd toen men officieus en later officieel begon te spreken van „aard en geest", „wezen en hoofdzaak" van de le^ Daar o. i. de moderne Hoogleeraar Sclii ten in zijn boek de Leer der Hervor Kerk zeer terecht schrijft: „Het was( bedoeling der Synode {y& nlSél) niet, ^ met de woorden aard en geest, wezen hoofdzaak, de deur voor subjectieve t( keur te openen, zoodat het aan ie^ zou vrij staan voor wezen en hoofdzaj; te doen gelden, wat hem goed dacht, maar wel degelijk om hetgeen naar 4 geest en de beginselen der opstellers wezen en de hoofdzaak der Formulie behoort aangemerkt te worden." (blz.3
Waarbij bij op een andere plaatsaai teekent: „ Het recht aan de GereformeetJ Kerk te betwisten om die grondwaarhedi uit t8 spreken en van de getrouwe belijd ervan de toetreding harer leden afha^ keiijk te stellen, ware ongerijmd." (blz. Ij
We mogen dus veilig constateeie; dat de Ned. Herv. Kerk ook in haj tegen woordigen vorm is gebaseerd op f, gereformeerde belijdsnis, van ouds h; wettig eigendom, met de officieele ve, plichüng om deze gereformeerde beiijdi nis ts handhaven en te bevestigen.
Niet — dat men in 1816 vaa de eerlijl bedoeling was om dat zoo in werkoliij heid te laten en met ijver te bevordera Neenl we weten wel beter. Het v? as t kennelijke bedoeling, om het voor oogenblik nog maar zoo te laten, met in schijn dan in wezen, om het dt langzamerhand en ongemerkt te wijzigt: en van de aloude Gereformeerde Kerl gebaseerd op de aloude gefeformeeri belijdenis, te maken een religieus gezti schap van allerlei richting, een godsdiet stige vereeniging van elk wat wils, ee groote Volkskerk, gebouwd op den bret den grondslag van het algemeen prots stantisme, een Kerk, met een belijdeai boven alle geloofsverdeeldheid verhsTe; - --maar de Heere heeft het zóo bestuuiii dat men telkens weer stuitte op een i gemeen protest uit den boezem der Keil zoodat men telkens officieel weer ge vein dölijk moest verklaren: „eerlijk, we wilk niet anders dan de aloude leer der Keri eerbiedigen en handhaven!" Waarbij es principieele wijziging inzake de officieel leer der Kerk ook altijd is uitgeblevei
Wel heeft men b.v. in 1874 getracl om art. 11 Algem. Regl. r.óodanig t wijzigen, dat de woorden de leer der Kei zoudon wegvallen en vervangen wordei door „handhaving van het Evangelie" t „handhaving van de beginselen van h Protestantisme", maar zulks is niet geluki
Wara dat gelukt, dan was in de groni wet der Kerk geschrapt geworden, dat di Kerk een eigen belijdenis heeft, welt belijdenis moet worden gehandhaafd; e; dan was alles voortaan gebaseerd gewoi den op de beginselen van het algemeei Protestantisme. Maar dat is in 1874—7i niet gelukt. En de historische grondskj der Herv. Kerk is tot op dezen oogenbüi de leer welke begrepen is in de Forma lieren van Eenigheid, zoodat een iedt: aan die leer verkleefd dient te zijn ei met ronde woorden zich moet wetei voorgeschreven, di® leer oprechtelijk t moeten belijden, te beleven, te eeren, I verdedigen, te handhaven, te verbreidei
Ook in 1875 is door de herstellinj van art. 11 Algem. Ragl. opnieuw vei klaard, dat leervrijheid niet geoorloofdi in het midden van onze Herv. Kerkei
Dat is nu wel spijtig voor de Vrijzit nigen, waarom b.v. de Hervorming inMt 1912 zich niet kon v/eerhouden te schrij vtn: „het lag ? oor de hand, dat è orthodoxie, vooral de strijdbare en stïiji lustige fractie der Confessioneelen en è: Gereformeerden het wapen der leertucl zou ter hand nemen, om haar bedreigè heerschappij te verdedigen, een wape: trouwens, door de Kerkelijke wetten haï aan de baud gedaan" — maar datdi Kerkelijke wetten juist zóo en niet ande; zijn ingericht, bewijst, dat men noo: van de Herv. Kerk heeft kunnen makei wat de Vrijzinnigen van den begiffi afaan hebben gewild, maar waarin i voortdurend door krachtig protest uit de: boezem der Kerk en door 's Heert: wondere leiding verhinderd zijngewordei
De feitelijke toestand is dus ongevet zóo, dat de Vrijzinnigen moeten bekennen hadden we vroeger nog maar wat mfe doortastend te werk gegaan en wa» alles in zak® leer en leertucht toch ms«' uit de Reglementen gebannen geworde - ^ dé.n zouden we nu niet het mes 't handen van onze orthodoxe vijande; zien, dat ons vroeg of laat den Kerkelijke levensdraad zal afsnijden!...
Daarin hebben we 's Heeren barit hartigheid te erkennen en Zijn wocdf wijs en genadig bestel te loven.
Hij heeft over onze Herv. Kerk gi waakt.
En als de Hervorming verder schrijd „Men ziet dus, dat de Confessioneel kwestie in de Ned. Herv. Kerk fflt vollen nadruk dreigt aan de orde i' komen. Wij houden dit voor onvef mijdeljjk; wat intusschen niet wegneeO dat het, hoe onvermijdelijk ook, diepb! treurenswaardig is. Wij zijn ongeneig' het verleden van voor eenige tientall«' van jaren op te halen, maar blijven inf oordeel, dat het mede de schuld der vrl xinnigen en van vele modernen van toeni dat nog altijd al de jammeren van ii^ confessioneelen strijd over de Kerk drei^"
te worden losgelaten" — ja, dan zeggen o we het „de Bervorming" na, dat de h yjijzinnigen en de modernen tientallen a van jari^n terug niet 'ver genoeg gegaan z zijn in het uitbannen van alles wat met de G confessie en met leertucht in onze Kerkelijke reglement& n in vffrhand staat. HsddenT Z8 dat maar gedaan, dan zou nu van o een confessioneelen strijd in de Herv. e
Kerk geen sprake meer zijn. Maar wij zien het een weinig èuders dau de Eervorming het ziet. Wij sien op den Heere die in den hemel woont en wij getuigen het blijde, dat Hij het niet Jieeft toegelaten, dat ook in do dagen 'van het diepst Yorval, onze Herv. Kerk den doodsteek is toegebracht door de hand van hen, die geveinsdelijk zich hadden onderworpen aan de wet der Kerk, om haar dan heimelijk in eigen huis den doodsteek toe te brengen.
Ja, hadden de Vrijzinnigen maar.... Doch ziet, dat hebben ze niet gekund. De Heere heeft het verhinderd.
En telkens heeft men ofificieel weer moeten verklaren: 't gaat niet om de beginselen van het algemeen Protestantisme
maar 't gaat in de Herv. Kerk om de aloude gereformeerde belijdenis, van de Vaderen ons overgeleverd!
Dat willen we geen oogenblik vergeten, omdat het 't wezen van onze Kerken raakt en omdat het de eere onzes Gods raakt.
't Is in onze Herv. Kerk nooit tot een radicale wijziging gekomen.
En 't moet in onze Kerken overal en bij alles gaan om Gods Heilig Woord en om de grondwaarheden van die belijdenis, die van ouds de grondslag van de Kerk der Reformatie in dezen lande geweest is
De Heere heeft het werk Zijner handen niet verlaten. Hij heeft over de Kerk onzer vaderen gewaakt met heilige zorge en teedere liefde.
En zoo mogen we getuigen, dat onze Hervormde Kerk niet een valsehe Kerk is, welke Gods Heilig Woord heeft losgelaten en de aloude Geref. belijdenis heeft verworpen, om het woord des menschen te proclameeren tot de hoogste wet.
Neen, wij zien het énders.
Wij zien het zóó: onze Ned. Herv. Kerk is de voorzetting van de aloude Kerk der Reformatie in dezen lande; hebbende hare aloude Geref. belijdenis als eeuig wettige en alleen geldende confessie — maar de vijanden hebben, daartoe in staat gesteld door den afval in de Kerk, door de lauwheid en flauwheid onder de Gereformeerden in de Kerk, door de verdeeldheid onder degenen die krachtens hun belijdenis tot haar behooreu — de vijanden hebben baar op allerlei wijxe zoodanig in een keurslijf van regiementsbepalingen gekluisterd, dat zij, de Gereformeerde Kerk van Nederland, zich niet openbaart en zich niet openbaren kan als een pilaar en vastigheid der waarheid ; niet uitlevende haar welgefundeerde belijdenis die naar Gods Woord is.
Onze Herv. Kerken hebben dus heur aloude Geref. belijdenis.
Die belijdenis i§ haar ook verzekerd door den ReglementenbundeL
Maar tegelijk is gezorgd, dat die Geref. belijdenis niet tot haar reclit kan. komen.
Daarom beschouwen we onse Herv.
Kerken volstrekt niet als valsehe Kerken.
Noch in Friesland, noch in Zeeland, noch in Noord-Holland, noch in Limburg en en Brabant.
Overal ligt de confessie der aloude Gereformeerde Kerk als de eenig wettige en alleen geldende belijdenis der Herv.
Kerken in Nederland
Overal wordt Gods Woord erkend als hoogste authoriteit,
Overal wordt in principe gezegd, dat de Kerkelijke verordeningen de wegen moeten aanwijzen waarlangs in prediking en sacramentsbedieniug en tuchtoefening Gods Woord kan worden in toepassing gebracht en kan worden geëerbiedigd.
Maar de feitelijke toestand is daarbij zoo diep ellendig.
Onze Kerken zijn in verval. Ze zijn krank. Ze zgn gedeformeerd. Er ontbreekt soo ontzettend veel aan in de practijk des levens. Ze zitten in een harnas. Ze zuchten onder een juk.
En de Herv. Kerken hebben tot ontwaking te komen, om weer het vrije gebruik van heur eigen wettig eigendom te tragen en op te eischen.
Ons Gereformeerd beginsel in sake Kerkregeering moet weer bekend worden onder predikanten en Kerkeraden.
De Gereformeerde opvattingen in zake het leven der Kerk moeten weer gekend en geëerbiedigd worden onder allen.
't Moet weer worden het grijpen naar het oude, hooge, heerlijke ideaal dat de Herv. Kerken zich gaan openbaren in belijdenis en kerkelijk samenleven naar de beginselen van Gads Woord, naarde lijnen van de drie Formulieren van Eenigheid, naar de Gereformeerde beginselen in de Dordtsche Kerke-ordening van 1619 neergelegd.
Dan zal als ideaal ons voor oogen gaan staan, om te zoeken de zondige en verkeerde wegen, sinds 1816 ingeslagen, te verlaten; om te trachten geheel los te komen van de verkeerde gedachte, dat de Hervormde Kerk moet zijn een organisatie van het breede religieuse volksleven, waarin plaats is voor alle godsdienstige overtuigingen; om geheel ook los te komen van elk pogen om het geheele Nederlandsche volk, met alles wat daar woelt en gist en leeft en zich beweegt, binnen de grenzen van de Gereformeerde Kerk te kunnen omvatten.
En daèr^an los gekomen, zal het Nieu^\^-Testamentisch ideaal ons gaan wenken, om de Kerk, als draagster der goddelijke en hoogste waarheid, te doen staan als gefundeerd op bet getuigenis van de Profeten en Apostelen, in prediking en saeramentsbedip33ing en oefening der tucht en wijae van kerkelijksaamleveu geheel zich voegende naar Gods W^oord.
Staande zooais een getuige der waarheid in het midden van een krom en verdraaid geslacht, zoekende te mogen zqn als een stad op een berg, als het zout der aarde, als het zuurdeeg dat bestemd is om al de maten meels te doortrekken.
Dat zfil Volk en Vaderland ten zegen kunnen zijn.
Daar zal Jood en Heiden en Mohammedaan voordeel van kunnen ontvangen.
Zelf gezegend door den Heere in Zijnen Christus, levend naa? uitwijzen van Gods Woord, zal zij anderen ten zegen kunnen zijn.
Er zal een zogen kunnen afvloeien over elk terrein des levens.
En zegenend zal zij zelve gezegend worden, naar het wonderheerlijke Woord der Schrift: „een zegenende ziel zal vet gemaakt worden".
Laat ons dan mogen vasthouden aan de aloude Gereformeerde Kerk van Nederland.
En laat ons in de mogendheid des HEEREN Heeren, met belijdenis van zonde en schuld, verlatende de zondige paden, zoeken het goede voor Gods Kerk en bidden en werken tot herstel van het huis des Heeren, dat Hij nog onder ons bewaarde, zij 't ook in diep verval verkeerend om de wille van den gruweiijken afval en do algemeene afwijking van 's Heeren geboden.
Vereenige de Heere alle kinderen des huizes.
Geve hij den band der liefde. Binde Hij saam ia gebed en arbeid.
Eu zofkenda het goede voor Sion, biddende om den vrede van Jernzalem, sta onze hulpe in den name des Heeren, die hemel en aarde gemaakt heeft!
Neen — we willen niet wanhopen. We willen niet vertragen.
De Heere ziet uit Sion op ons neer. En 't is Israels God, die krachten geeft, van Wien het volk z'n sterkte heeft!
Een behartigenswaaifdig woord.
Niemand minder dan Dr. A. Kuyper schreef in het jaar 1883 — toen predikant in de Ned. Herv. Kerk zijnde — het volgende aangaande hetgeen de gereformeerden niet moesten doen.
Ze moesten niet... wégloopen.
Niet de dingen verkeerd zien en de reisvaiies pakken en heengaan.
Neen — dat moesten ze niet doen!
Dit kostelijke woord van den grooten theoloog kunnen we in 1916 nog wel gebruiken.
Dr. Kuyper schreef dan — 't is om in een lijstje te zetten!— het volgende:
„het kan zóóver komen met de Kerk des Heeren, dat er allerlei afgoderij bestaat naast de tamelijk zuivere bediening der genademiddelen, ja, het kan zóóver gaan, dat een Kerk schijndood is — maar (ian is het xoezen der Kerk tóch nog weer haar hoofd gaan verheffen,
Dit mane ook in ónzo dagen tot omzichtigheid.
Wie in onze dagen, in het midden van de tegenwoordige toestanden der Hervormde Kerk, het Btuk der Kerk uitwendig en reglementair, zonder piëteit of hoogere liefde beschouwt, pakt aanstonds zijn reisvalies en is eik oogenblik tot afreizen gereed. Maar wie met teederen ernst, wie met vreeze der conscientie zich de vraag stelt, loop ik ook van onder het oordeel weg, verwerp ik ook wat nog leeft, begraaf ik ook een schijndoode? O, die aarzelt en toeft.
Want altoos hoopt hij nog, altoos wendt hij nog nieuwe middelen aan, om ds levensgeesten op te prikken en als anderen hem dan bespotten, vragende: „hoe lang zal dat sollen met uw lijk nog aanhouden? " dan brengt hij eerbiedig de vinger aan de lippen en fluistert „het is mijn moeder".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 maart 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 maart 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's