De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichteiijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichteiijke overdenking.

11 minuten leestijd

En de Heere zeide: Ik heb zeer wel gezien de verdrukking Mijns volks, hetwelk in Egypte is, en heb hun geschrei gehoord vanwege hunne drijvers, want Ik heb hunne smarten bekend. Ex. 3 : 7.

Een Hoorder des gebeds

Zou dit niet een van de meest bekende gedeelten zijn uit heel het Woord: Israels verdrukking in Egypteland.

Zoo heel langzamerhand was er verandering in hunne positie ingetreden. Egypteland, voorheen het broodhuis, de plaats waar de korenschuren waren gebouwd, waar al het hongerige volk te zamen kwam, waar ze in het leven werden behouden, was nu het diensthuis geworden.

De ergste slavernij was uitgedacht om den groei toch maar te beletten, maar de uitkomst weet ge. Daar staat in het 1ste hoofdstuk van ons boek vers 12: „hoe meer zij het verdrukten, hoe meer het vermeerderde en hoe meer het wies, zoodat zij verdrietig waren vanwege de kinderen Israels."

Iets nieuws moest verzonnen, want zoo konden de zaken niet bestendigd.

Als al wat mannelijk was eens werd omgebracht ?

In de rivier zouden ze geworpen.

Wat had dat volk van Jakob het bang.

Heere, wilt Gij nu niet ingrijpen ?

Heere, kunt Gij het nu nog aanzien?

In elk huis was leed.

Ziet, in die dagen pas werd Israels uitleider geboren.

Wat komt onze rekensom vaak verkeerd uit. Wij zouden zoo zeggen: dat is veel te laat. Nu geeft het immers niets meer.

Nu pas ziet Mozes het levenslicht.

Ge kent zijne historie, hoe hij onder dak werd gebracht bij zijn eigen moeder tot Farao's dochter hem tot zich neemt.

Hij zou in al de wijsheid der Égyptenaren worden onderwezen. Al» leidsman van heel het volk van Israel heeft hij deze opleiding noodig.

Alweer een punt om niet achteloos voorbij te gaan. De vijand wordt aangewezen om zijn aanstaanden bestrijder en vernieler alles daartoe bij te brengen.

Wat zijn die gangen toch wonderlijk. Zonder het te weten smeedt de Egyptische koning het zwaard, waarmee hij zelf zal worden omgebracht. Wat is de Heere toch machtig.

Maar ondertusschen krijgt het volk het bang, zeer bang.

Mozes, al is hij niet direetelijk in dit lijden betrokken, is toch geen lijdelijk toeschouwer. In zijn vrijen tijd was immer zijn wandeling tusschen de tenten en schuren der zijnen. »Och Heere, wat kan ik toch doen voor mijn volk? " Hij voelde in zich de bekwaamheid en de lust om te helpen. Als de Heere maar één woord sprak, hij was gereed.

En ziet, nu weet ge allen den ongelukkigen afloop: Mozes, de bekwame man, die in alle wijsheid is onderwezen, de man in z'n volle kracht — hij is nl. 40 jaar — moet in een smadelijke vlucht zijn veege Iqf bergen.

'k Geef u thans te raden wat er nu nog van dat volk en hun zaak zal overblijven, 't Is verloren. Leg uw hoofd maar in den schoot. Geef het thans maar op. Daar is ook op de hulpe van Israels G©d geen staat meer te maken.

O, wat had dat volk het bang. Ziet, op dit moment scheurt de hemel het wolkengordijn. De Heere treedt Zelf uit.

Naar dat tijdstip ziet ge u hier verplaatst.

De Heere doet het werk der verlossing alleen. Hij is de eerste en de laatste. Let maar eens op den gang van het werk.

Wat is er van Mozes nog gebleven? Hij is geheel in het vergeetboek geraakt. Wie zou er nog aan hem denken? Hij doolt thans in de eenzame vlakten van Midian. Hij moet op de kudde letten van zijn schoonvader, niets meer.

Maar ondertusschen, hiermede houdt Israels bevrijding gelijken tred. Het volk moet den moed wel opgeven. Mozes is nu 80 jaar, hij denkt niet meer aan verlossen.

En ziet, nu komt de Heere.

Terwijl Mozes daar in de eenzaamheid is, zich trouw toonende in zijn nederig bedrijf, verschijnt hem de Engel des Heeren.

Wie hiermee bedoeld is laat weinig onzekerheid over. Dat is de Heere Zelf zooals Hij zich openbaartin het heerlijke werk der verlossing.

Een oogenblik houden we hier stil. Zoo straks hebbeu we de opmerking al gemaakt, dat des Hoogsten gangen zich geheel onttrekken aan het spiedend oog van het Adamskind.

Toen naar onzen gedachtengang het juiste moment gekomen was — Mozes kon en Mozes wilde — bleek het Gods tijd niet te zijn. En nu het voorbij is, voor goed voorbij, Mozes staat in het teeken reeds van de grijsheid, de lust en het kunnen zijn beide hem ontvallen — hij komt er openlijk voor uit: och Heere, ik ben geen man, zend toch liever een ander, neem maar, wien Gij wilt, maar ga mij voorbij — ziet, nu komt de Heere.

Schuilt hier nu geen rijke vertroosting voor het harte, waarin reeds voorlang opkwam de verzuchting: nu is het niet meer mogelijk dat verlossing komt. Waarik voorheen nog wel eens gehoopt heb, is nu afgesneên.

Hebt ge die wenkende hand wel opgemerkt, lezer, die hier wordt opgeheven. Laat den moed niet zinken, gij die nu zoo vaak hopeloos zijt. Is hier niet een onuitputtelijke bron van leering voor gansch de Kerk des Heeren? 't Is niet éénmaal, maar telkens-weer dat zij aan handen en voeten gebonden schijnt overgeleverd aan den willekeur van een wreeden vijand.

O, wat kunnen daar ook lange bange duistere tijden aanbreken voor de Kerk van Christus, zóó bang, dat de vraag rijst: wat moet daar nu van terecht komen? het loopt met haar af. De bede:

Geef 't wild gediert', dat niets [in 't woên ontziet, De ziele van uw tortelduif niet over,

schijnt beantwoord van 's Hoogsten zijde met een klankloos zwijgen.

Het is  in dezen maar geen zaak om te zeggen: Israel, dat hangt nu af van uw ontwaken, als ge de banden maar doorbreekt, dan zijt ge vrij.

Zou er in dezen niet o zooveel te leeren zijn? Toen Mozes dacht: nu is het tijd; toen het voik meende dat de ellende niet hooger kon, bleek er nog een menschenleeftijd schier voor de borst te staan. Onder hoevele berekeningen van menschenkinderen zou de Heere niet een nul plaatsen?

Weet dit, wanneer het van onze zijde onmogelijk wordt, dat er dan vaak een algeheele verlossing, een allerwonderlijkste bevrijding als vlak voor de deur staat.

Wat het volk te doen heeft is roepen, de nooden bekend maken.

Mozes wordt door den Heere geroepen, als zijne kracht gebroken is.

In de brandende braambosch verschijnt hem de Heere.

Hierin is ten allen tijde meer gezien dan enkel een beeld. Hierin treedt nl. deze waarheid naar voren: als een doornenbosch, zoo zijt gij, o volk. Daar is in uzelven geen beminnelijkheid. Elke aanraking met u doet pijn.

't Is niet om uws zelfs wille dat ge behouden wordt. En toch is de grootste vuurgloed niet in staat u te verteren. Gij blijft in stand, niet omdat de vijand u eene gedachtenisse wil laten, niet omdat medelijden sjijn harte verteedert, ook niet omdat gij zoo sterk zijt, maar enkel omdat Ik in u woon. Ik, de Heere, houd u in stand. Ik laat niet toe, dat 'svijands hand u vernietigt Als een brandende doornenbosch, die niet verteert, zoo zijt gij, zegt de Heere

Het eene is al rijker aan vertroosting dan het andere. Het gezicht zonder meer heeft deze sprake reeds in: Ik bewaar  u. Maar nu komt het woord er nog bij.

Ik heb zeer wel gezien de verdrukking Mijns volks. Ik heb hun geschrei wel gehoord. Daar knalde geen enkele zweepslag of ik zag het aan. Ik heb uwe smarten bekend.

Wanneer ge het oorspronkelijke eens voor u hadt, zoo zoudt gij kunnen opmerken, dat er eigenlijk staat: ziende heb Ik gezien, m.a.w. Ik deed niet anders dan nauwkeuriglijk acht geven. Ik stond er met Mijn oogen vlak op. Ik luisterde alsof Ik gevaar liep dat de kleinste verzuchting Me zoude ontglippen. Ik ken de smarten zóó, alsof ze door Mijn eigen ziel heenboorden.

Wat blinkt u hier even tegen dat medelijdende hart des Hoogepriesters dat echt mede-lijdt. Hij ziet het, Hij hoort het en Hij gevoelt het.

't Is den Heere maar niet iets wat Hem ook maar een weinig voorbijgaat. Daar staat niet tevergeefs in de Profetieën van Jesaja: in al hun benauwdheid was Hij benauwd.

O, wat leeft die Engel des Heeren nauw met Zijn volk. Wat is dat een enge band, waarmee Hiij aan Zijn Kerk is verbonden.

Laat de wereld zich dit maar voor gezegd houden. Daar wordt geen letsel zoo klein toegebracht, geen beschimping zoo gering, geen kwaad zoo luttel haar toegevoegd, of des Heeren hand zal het bezoeken.

Dat zal Satans val zoo peilloos diep maken dat hij Gods Kerk, 's Heeren volk zoo bitterlijk vervolgd heeft. De Heere zegt zoo: wie Mijn volk aanraakt, raakt Mijn oogappel aan.

Ik heb zeer wel gezien de verdrukking Mijns volks, hetwelk in Egypte is, en heb hun geschrei gehoord vanwege hunne drijvers, want Ik heb hunne smarten bekend.

Laat uw hijgende boezem, o volk des Heeren, die u hier zoo bang vervolgd ziet, maar vol loopen met de frissche teugen dezer goddelijke vertroosting. Des Heeren oog, oor, hart ontglipt niets. Spreekt nimmermeer: mijn weg is voor den Heere verborgen, mijn recht gaat van mijn God voorbij. Want wanneer er op deze wereld van onmogelijkheden wordt gesproken, is dit er één De Heere kan niet anders dan zien, hooren en opmerken.

Daar is onder al de creaturen niets wat ook maar in afgeleiden zin op Hem zou gelijken. Eene moeder mag teederlijk minnen haar kroost, altijd zien, altijd hooren, altijd opmerken, het zou ook haar in het einde te veel zijn.

Laat het een waarheid zijn die u troost in uw eenzaam u voelen, in uwe verlatenheid, o kinderen Gods: meer dan een moeder troost, troost Ik u. Uwe muren zijn steeds voor Mij.

Daarom ben Ik nedergekomen dat Ik het verlosse uit de hand der Egyptenaren.

De Heere — ge kunt het hier duidelijk lezen, doet het werk Zelf. Hij komt weder.

Hij mag Mozes wel een taak voorschrijven, hem wel een werk op Zijne hand stellen, in der waarheid doet Hij het alleen. Mozes voert niet anders uit dan wat de Heere hem oplegt. Hij, de Allerhoogste breekt Farao de handen open. Hij moet of hij wil of niet zich onderwerpen. Als dat volk van Israël straks gereed staat met de staf in de hand en de lendenen omgord, uit te trekken, dan zijn ze allen overtuigd: God is Zelf uitgetreden en heeft ons vrijgemaakt. Al was de Egyptenaar nog zoo machtig, ten slotte moest hij met zijn niet-willen bukken nog vragen: gaat als het u belieft heen.

Als de Heere nederkomt wat is Hij dan een verrassend God.

Zoo naar menschelijke maatstaf gemeten was het een onmogelijkheid.

't Was geheel niet vreemd dat Farao zeide: wie is de Heere dat ik Hem gehoorzamen zoude. Mijn macht reikt zóó ver, dat ik me voor niemand zal buigen.

Nu Farao heeft het geleerd: niet buigen is breken. Hij is gebroken tegen de klippen van de Roode Zee.

Daar is een vijand niet minder machtig, niet minder geweldig dan Egypte's koning.

Hij drijft en drukt niet minder hard Gods volk 's Heeren Kerk op aarde. Ge weet zijn naam.

't Is zijn hartelijke lust om dat volk, dat tot den Heere opziet, te vervolgen, te kastijden; te dooden als 't zijn kon.

Wat is het nu een heerlijke waarheid te mogen vernemen :

Ik heb zeer wel gezien de verdrukking Mijns volks. Ik heb gezien wat hij deed, maar Ik heb ook gehoord wat uit uw bange kelen opklonk, en wat uit uw benauwde boezem ten hemel steeg.

Ziet daarom, omdat ge Mijn volk zijt, omdat ik u heb geteeld en omdat gij Mij hebt aangeroepen, daarom verlos Ik u ook. — Ik ben nedergekomen met geen andere bedoeling dan om u vrij te maken.

Zou het met dezen Engel des Heeren te wagen zijn? Zou Zijne verlossing maar in éen opzicht gebrekkig kunnen wezen ? Driewerfzalig, wie het in oprechtheid op Zijne hand mag leggen, die het geschrei maar mag laten hooren. Laat dan de drijver maar opdrijven, geen nood.

God is een toevlucht voor de Zijnen, Hun sterkt' als zij in droefheid kwijnen, Zij werden steeds Zijn hulp gewaar, In zielsbenauwdheid, in gevaar.

Dies zal geen vrees ons doen bezwijken. Schoon d' aard uit hare plaats mocht [wijken.

Schoon 't hoogst gebergt uit zijne stee Verzet wierd in het hart der zee.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 maart 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichteiijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 maart 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's