Stichtelijke overdenking.
De bende dan en de overste over duizend en de dienaars der Joden namen Jezus gezamenlijk en bonden Hem en leidden Hem henen". Joh. 18 : 12 en 130.
De gevaügenneming.
Wat is door de zonde alles uit elkaar geslagen!
En hoe zal er nog iets van terecht komen?
Met het zwaard? Keer het zwaard om en het zwaard met de scherpte in de schede laat in het gevest het teeken des kruises zien.
Dat omhoog geheven, dat is het teeken waarin de overwinning staan zal!
Dat begreep Petrus aanvankelijk niet. Vandaar z'n krachtsinspanning om in Gethsémané met het zwaard tusschenbeide te komen En dat hij 't meende met dat zwaard moest Malchus pijnlijk ervaren. Maar neen! ddt is niet wat noodig is tot redding en behoud.
Het kruis is het eenige middel, 't Geen Petrus later ook hartelijk toestemt hierin met Paulus eenstemmig leerende: ik heb mij niet voorgenomen iets onder, u, .ta. weten dan Jezus Christus en dien gekruisigd.
Vooral in de lijdensweken voelen we het weer, dat het kruis de levensboom is; dat door het kruis verlossing is geschonken; dat de herstelling der dingen niet anders komt dan door het kruis; dat Sion door het kruis leven zal; dat de ziele des zondaars geen veiliger plaatsje kan vinden dan in de schaduw van het kruis, waar door den dood des Middelaars het leven wordt geschonken aan doemwaardige sterveüngen.
Reeds de groote uitvoerigheid der Evangelisten in het beschrijven van de laatste levensdagen en levensuren des Heilands toont aan, welke hooge beteekenis voor Christus' Kerk in het lijden van den Zaligmaker en in de herinnering daaraan gelegen is. En de belangstelling, waarmede de lijdensprediking eeuwen achtereen door talrijke scharen in het midden der Christelijke Gemeente gevolgd wordt, bewijst, hoezeer men allerwege gevoelt, dat het ddn bizonder gaat om den duren prijs, waarmede een arm eondaarsvolk wordt vrijgekocht, verlost van het hoogste kwaad en gered tot het hoogste goed. Niet door vergankelijke dingen, niet door eigen deugd of braafheid, maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam.
Jezus zelf wist dat, van den beginne afaan, dat het langs het bloedig spoor van Golgotha gaan zou en gaan moest. Van eeuwigheid wist Hij 't, toen Hij zeide: Zie, Ik kom om uwen wil te doen, o God." En in den tijd Zijner omwandeling op aarde riep Johannes de Dooper des Heilands heraut, aanstonds uit onder de schare: Ziet, daar is het Lam Gods, dat gekomen is om geslacht te worden en door Zijn bloed verzoening aan te brengen.
Jezus gaat recht op dit doel af. Niet roekeloos. Maar welbewust en geheel eenswillend met den Vader. Niet, als het Zijn ure nog niet is. Maar met è, l Zijn krachten ingaande in dien weg, als het Zijn tijd is.
Dan kan Petrus Hem niet terughouden. Dan kunnen de droomerijen van Johannes en Jacobus, die tronen en kronen zien in hun verbeelding. Hem niet bedriegen. Neen, het gaat naar Golgotha, dat weet Hij. En moet Hem de ontzettende smart bereid worden, dat éen die met Hem gegeten en gedronken heeft (Ps. 41) de verzenen tegen Hem verheft. Hij wankelt niet en gaande naar Gethsémané wqdt Hij zich den Vader in gehoorzaamheid met weenen en bidden.
En dan komt de bende. De bende, bestaande uit Romeinsche soldaten en Joodsche knechten. De bende, welke komt met zwaarden en stokken gewapend, voorzien van lantaarnen en touwen. En neen, dan vlucht Hij niet in de donkerte van den Olij venhof. Dan zet Hij 't niet op een loopen, om zich te verbergen in de kloven of holen van het Kedrondal of het dal van Josaphat, tusschen de graven die daar waren. Neen, dan weet Hij, dat de Heere andere brandofferen en slachtofiferen niet begeert, dan alleen de gehoorzaamheid des Zoons, den Middelaar Gods en der menschen, gaande tot in den dood, ja, den dood des Kruises. En daar treedt Hij dan naar voren en zegt: , Ik ben het dien gij zoekt" — de naklank zijnde van het eeuwigheidswoord: „Zie, Ik kom om uwen wil te doen, o wat daar eigenlijk gebeurt begrijpt Judas niet. De Romeinen verstaan er niets van.
De Joden beseffen het niet. Judas verkwanselt zijn Meester voor 30 zilverlingen. Hij heeft liever 50 gulden in z'n hand, dan langer nog mee te loopen met den Rabbi, die geen zin heeft om Koning te worden en die hoelangs hoemeer een totale mislukking wordt, doordat ieder zich tegen hem keert. Judas zocht er nog net tusschen uit te komen uit de botsing die zal plaats hebben tusschen Jezus en d^n Joodschen raad. En hij komt er nog best af. Hij slaat er nog 50 gulden uit! Dat is beter dan straks niets te hebben als Jezus er niet meer is.
En de Romeinen begrijpen er ook niets van, van 't geen hier gebeurt.
Wéér een droomer minder, die droomde zich tegen den Keizer te kunnen verzetten!
Waarbij de Joden gelooven, dat ze den valschen Messias nu eindelijk hebben, om nu een einde te maken aan dat leven, dat hen alijd zoo gehinderd had.
Zóo bezien Judas, de heiden en de Jood deze geschiedenis.
Maar Jezus weet het ènders en de Gemeente van Christus verstaat het béter.
Dit is de gewillige overgave van den Borg zelf, ingaande in den vollen eisch van den heiligen God voor een zondig en doodwaardig volk.
Dit is de geheele gehoorzaamheid onder de straffende gerechtigheid Gods, om weg te nemen óok het laatste en het vreeselijkste, opdat over Sion, ten prijs van Zijn zoen-en kruisverdiensten, zou mogen worden uitgeroepen: Zoo is er dan nu geene verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn". (Rom. 8:1).
O, die weet wat de wet zegt tot degenen die onder de wet zijn, verstaat het wat groote, vreeselijke, heerlijke, goddelijke zaak hier geschiedt.
Wie met den dichter van Ps. 116 zeggen mag: ^de banden des doods hadden mij omvangen en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis. Maar ik riep den naam des HEEREN aan, zeggende: Och HEERE, bevrijd mijne ziel" — die mag kennen dat wonder heilgeheim dat in deze ontzettende geschiedenis verborgen zit, waar Jezus banden des doods worden aangelegd en Hij bedolven wordt onder de straffende gerechtigheid der wet.
't Is het wónder-zalige voorspel van dat heerlijk hemelsche lied: „Kom in gij gezegenden mijns Vaders en beërf het Koninkrijk dat voor u is weggelegd van voor de grondlegging der wereld", dat in de ooren zal klinken van een arm zondaarsvolk dat hier, geleid naar Gods raad, eenmaal zal worden opgenomen in heerlijkheid.
Ach — Judas verstaat er niets van. Hij denkt dat hij héél handig en héél wijs gedaan heeft, om nog met bijtijds zich van Jezus en zijn aanhang los gemaakt te hebben. Hij heeft nu ten minste nog 50 gulden in z'n hand en de andere discipelen mogen toezien of ze er nog eenig voordeel van krijgen van dat mee wandelen met Jezus!
Maar och, arme!
Als Jezus ter dood veroordeeld wordt verhangt Judas zich aan een boom, om neer te storten dan en te pletter te vallen op een rotssteen.
Daar gaat hij met het verradersloon in den eeuwigen dood in, om eeuwig te
ellende te smaken in de plaatse van buitenste duisternis, voor eeuwig van God verlaten.
Had hij het offer maar gekend, in Jezus geschonken!
Had hij zijn ziele maar gekweld van wege zijne zonden voor God, om zijn hemelschen Rechter om genade te smeeken.
Had hij maar ingezien in zijn verloren staat en toestand, om den hemel te prijzen voor de genadegifte Gods in Jezus Christus geopenbaard.
Maar dewijl zijn dwaze ziel niet anders kende dan hunkeren naar aardsche grootheid, begeerde hij ten slotte liever 50 gulden dan Jezus, die met schande ónder gaat.
En zóo ook staan de heiden en de Jood er bij, terwijl ze er niets van verstaan.
De een vergelgkt hem met den K«izer en lacht hem uit, helpt mee hem te vangen, slaat hem, doodt hem.
Waarom niet? Immers dan moet die Jezus ook maar niet zoo dwaas doen om eich een Koning te noemen —
En de Jood, die nlood ligt in de vleeschelijke betrachting van inzettingen van menschen, niets verstaande van de vloekwaardigheid des menschen en de doemschuldigheid van ieder die op zich zelf vertrouwt, die Jood aou die zich niet verzetten tegen eèn, die hun die voorrechten van het Jodendom rooven wil en die hem zetten komt op de plaats van verdoemelijke zondaren, die zonder de werken der wet, om niet, in Jezus moeten gerechtvaardigd worden?
Ach — hun haat en minachtig is zoo goed te verklaren. Dan moet Hij den vromen Jood ook maar niet zoo kleineeren, om hém een verloren zondaar te noemen, voor wien geen heil is, ten zij hij wederom geboren worde uit water en geest.
Ja — Judas en de heidenen en de Joden hebben wel gelijk, dat ze zich saam verzetten tegen dien Rabbi.
Hoe eer Zijn plaats ledig is hoe beter.., Maar ach, men kent Hem niet.
Men kent zichzelf niet. Men verstaat niet wat er gebeurt.
En men zal het ook nooit leeren verstaan; niemand; tenzij men zondaar gemaakt wordt voor God.
Zoolang men dèt niet is, kan men zich met Jezus inlaten of niet, al naar 't uitkomt; al naar 't lust; al naar't voordeel geeft; al naar onze levensomstandigheid is.
Waarom zou men 't niet doen —zegt de een, die godsdienstig opgevoed is en godsdienstig leven wil.
Waarom zou men't weZ doen — zegt de ander, die er M gebracht is om zich in te laten met de geestelijke dingen, met de dingen van de eeuwigheid.
Ja — waarom zou men 't niet doen?
't Kan toch geen kwaad. Er zit misschien ook nog wel voordeel aan.
Ach — waarom zou men 't weZdoen? 't Is toch eigenlijk ook maar dwaasheid; 't dient nergens toe; zouder dat alles is 't vrij wat makkelijker en wat beter.
En zoo redeneert men.
Om dan saê, m gebonden door den vader der leugen, blind en dwaas voort te wandelen op het pad des doods, dat ten verderve leidt.
O! dat is onze ellende, dat we niet weten dezen Jezus noodig. te hebben.
loren. We zyn geen zondaar voor God. De eisch der wet verschrikt onze ziele niet, De schrik voor Gods heiligheid doet ons niet beven.
Neen — met al ons praten en redeneeren en kiezen en oordeelen zijn we niet arm.
We zijn niet verloren. O! praat daar niet overheen!
En ziet, daar moet het toe komen. En gebonden door den eisch Gods, hoerende: „die zulke dingen doen zijn des doods waardig" — krimpt onze ziele van angt en smarte in een roepende: „genade o, God!"
En dé, n leeren we verstaan, waarom Jezus zeide: „aiet, Ik ben het — bindt Mij, maar laat dézen henen gaan".
Daar is het offer, dat de schuld verzoent voor een arm erx ellendig zondaarsvolk.
Daar geeft Hij zich en zegt: neemt Mij — opdat dezen vrij uit gaan.
Gebonden — opdat Sion ontbonden zou worden.
Smadelijk behandeld — opdat Gods kind liefderijk door den Heere zal worden ontvangen.
Gevloekt — opdat de ziele, die tot Christus haar toevlucht leert nemen, geaegend zal worden van den Vader.
Neen, neen — men verstaat het niet van nature.
Maar die dat door genade mag leeren verstaan, die hoort in den Olij venhof Jes. 61 lezen en eet de woorden des Heeren op, zaligheid vindend in die Bchoone uitlegging van God zelf gegeven:
Hij komt om eene blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen; Hij is gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart, om den gevangenen vrijheid uit te roepen en den gebondenen opening der gevangenis; om uit te roepen het jaar van het welbehagen des HEEREN en den dag der wrake Gods; om alle treurigen te troosten; om den treurigen Slons te beschikken, dat hun gegeven worde sieraad voor asch, vreugde-olie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwden geest, opdat zij genaamd worden eikeboomen der gerechtigheid, eene planting des HEEREN, opdat Hij verheerlijkt worde.
O! wie mag daar door genade van verstaan voor zich zelf? iets
Judas begreep er niets van. Die was vol van de gedachten aan 't geld. En meenende voordeel te hebben verkregen, viel hij in 't oordeel met eeuwige verschrikking.
De heiden verstond er niets van, want in vergelijk met den Romeinschen Keizer was Jezus niets. En Rome's macht is te niete gegaan en Christus' Koninkrijk is een eeuwig Koninkrijk.
De Jood ergerde zich, om met z'n dooden vormendienst verloren te gaan.
Verstaan wij er iets van? Als we maar niet vreemd zijn of vreemd blijven aan onze al-geheele verlorenheid.
Waarbij nog eens waarschuwend tot ons komt:
En kust den Zoon, van ouds u toegezeid Eer u Zijn toorn verdelg' voor aller [oogen; U op uw weg tot stof doe wederkeeren.
Wanneer Zijn wraak, getergd door uw [gedrag U onverhoeds, zou door haar gloed [verteren.
Tot staving van Zijn lang gehoond gezag.
Dan volgt als bemoediging van al Sions burgeren;
Welzalig zij, die naar Zijn reine leer, In Hem hun heil, hun hoogst geluk [beschouwen; Die Sions Vorst erkennen voor hun HEER',
Welzalig zij, die vast op Hem betrouwen. Ps. 2:6 en 7.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 maart 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 maart 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's