Uit tiet kerkelijk leven.
Welken kant uit?
Dr. J. Schokking te Leiden vraagt in „de Gereformeerde Kerk" (9 Maart 1916) naar aanleiding van beschouwingen in de N. Rott. Ct. gegeven: weiken kant moeten we uit?
En dan teekent hij eerst 't geen de N. Rott, Ct. wil met déze woorden:
„Zou het van lieverlede geen tijd worden, zijn denkbeeld te dezen opzichte te verbeteren en in te zien, dat onze tegenwoordige Kerkgenootschappen slechts een uitwendigen band vormen tusschen personen van de meest uiteenloopende geloofsovertuigingen ? "
Om dan zelf te schrijven: „Dit geeft ons aanleiding tot een andere vraag.
Deze: zullen de Kerken nu toch niet tot het besef komen, dat zij ernst hebben te maken met haar belijdenis?
En dan bedoelen wij niet, zooals dit nog maar steeds door velen enkel schijnt verstaan te worden als een handhaven zonder meer van de eenmaal vastgestelde belijdenis tegenover alle afwijking daarvan.
Dit achten wij een onmogelijkheid en komt ons ook, indien het al mogelijk ware, ongeestelijk voor.
Maar wel verstaan wij er onder, dat de Kerken vóór alles hierop bedacht moeten zijn, dat wegen en middelen worden gezocht, waardoor de belijdenis wter als uitdrukking van gemeenschappelijke geloofsovertuiging gelden kan.
Zij mogen niet langer verzuimen en uit den weg gaan voor datgene, wat het allereerste behoort te wezen, wql daarin haar onderscheiden karakter moet uitkomen.
Indien binnen de verschillende Kerken niet alleen tegenstellingen gevonden worden, welke parallel loopen met die, waardoor zij van elkaar onderscheiden zijn, maar welke zelfs grooter en ernstiger moeten worden genoemd, dan is er een onwaarachtigheid in het kerkelijk leven, die het van zijn eigenlijk karakter berooft.
Het komt er op aan dit echerp onder de oogen te zien; want al zijn wij ons bewust, dat daarmee het kerkelijk vraagstuk een bijna onoverzienbaren omvang krijgt en schier onoplosbaar schijnt, het is nochtans hst punt, hetwelk zijn oplossing beheerscht.
Vandaar dat wij reeds meermalen opmerkten, dat het kerkelijk vraagstuk er niet een is voor de Hervormde Kerk alleen, maar voor de verschillende Kerken.
Elke Kerk voor zich zal tot bewustheid moeten komen van haar eigen karakter, maar daarbij tevens met de andere rekening moeten houden en zich afvragen in hoeverre een afzonderlijk naast elkaar voortbestaan gewettigd is.
Zóo alleen kan het weer tot kerkelijke onderscheiding komen, waarin klaarheid en vastheid is.
In verband met de tegenstellingen in de onderscheidene Kerken en den daaruit voortkomenden strijd, mag het den schijn hebben, dat tusschen die Kerken, Hervormde (Gereformeerde), Luthersche, Doopsgezinde, Remonstrantsche, geen wezenlqk onderscheid is — dit is er niettemin.
Slechts is het noodig, dat dit weer zijn wettige uitdrukking krijgt, een uitdrukking, die in overeenstemming is met de werkelijke geestelijke verhoudingen.
Daarom moet. aUe kleinheid uit den kerkdijken strijd worden gebannen, om dien te kunnen brengen op de groote punten, waar die enkel te rechtvaardigen is.
Dien kant zal het uit moeten, wil de Kerk niet in de gewone godsdienstige vereeniging in een willekeurige veelheid van vormen ondergaan."
Tot zoover Dr. Schokking.
Omdat we in dit stukske een anderen toon meenden te beluisteren dan in al dat roepen: „héél de Kerk en héél het volk" lustte het ons aanstonds dit artikel van Dr. Schokking hier even over te nemen.
Zeker, 't kerkelijk vraagstuk wordt alzoo bijna onoverzienbaar in omvang; maar dien kant moet het uit: elke Kerk zal voor zich tot bewustheid moeten komen van haar eigen karakter, om daarbij tevens met de andere rekening te leeren houden, zich afvragende in hoeverre een afzonderlijk naast elkaar voortbestaan gewettigd is!
We hopen niet, dat theoretici dit aanstonds komen doodslaan met het woord.... pluriformiteit.
Modernen,
Er zijn twee soorten van Modernen in sommigen weten de zaken zóo voor te stellen, dat 't is alsof ze radicaal de dingen verwerpen, terwijl ze 't andere oogen^ blik zeer onschuldig zich voordoen en alleszins behoudend schijnen.
Dat zijn de Modernen van het gilde: hocus, pocus, Pilatus, pats!
Die op de weekmarkt een goed figuur zouden slaan. Want goochelen zien de menschen wel graag. Dat lijkt ook zoo aardig!
Dat zijn de Modernen, die zeggen waar 't op staat. En bij die Modernen zien we dan eerst wat modern i«; radicaal modern.
Ds. G. de Leeuw van Oudkarspel is een van de tweede soort, van degenen die zeggen waar 't op staat en die slecht te «preken zyn over die moderne goochelaars. Hij althans kan ze niet uitstaan.
Dat hij zelf nog al radicaal is, wordt weer bewezen door een artikel van zgne hand in De Westfriesche Kerkbod», getitel
„Gebrek aan zelfbezinning."
Men moet maar zeggen waar 't op staat, zegt big.
En dan schrijft hij over den Doop 't volgende:
„Als derde voorbeeld, en daar laten wij het voor heden bq, noemen wij den Kerkelijken Doop. Het heeft de aandacht getrokken en klachten uitgelokt, zoowel bij rechts als bij links, dat er geleidelijk aan steeds minder kinderen worden gedoopt. En nu doet men ook onder ons allerlei poging om dat oude gebruik weer in eere te herstellen en te handhaven. Het komt ons voor, dat ook hier gebrek aan zelfbezinning parten speelt, dat men zich van de beteekenis der dingen niet genoeg rekenschap geeft.
De Doop ontleent zijn karakter van sacrament — en zonder zijn sacramenteel karakter is hij toch immers geen „ Doop" meer! — volstrekt niet aan den uiterlijken vorm waaronder hij bediend wordt, en die ten slotte van bijkomstigen aard is, maar aan de dogmatische gedachten, die er in zijn belichaamd. Met die dogmatische gedachten hebben wij, Modernen, radicaal gebroken en afgerekend voor altijd. Wij gruwen van een uiting als deze, dat die lieve, onnoozele schepseltjes , in zonden ontvangen en geboren, en daarom kinderen des toorns zouden zijn", of dat iij „ook zonder hun weten der verdoemenis in Adam deelachtig" worden genoemd. Wij vinden het een laakbare miskenning van het edelst godsgeschenk, het leven, wanneer van dat leven gezegd wordt, dat het „toch niet anders is dan een gestadig sterven". Het doet ons aan als zieltjesronselarij, wanneer door middel van Genadeverbonds" dit „merkteeken des genadeverbonds de kleinen, die nog onbewust van zichzelve en de wereld ter neder liggen, reeds worden ingerekend voor „het geloof"; dat de ouders moeten beloven hunne kinderen, als .ze tot hun verstand zullen gekomen zijn, in de „voorseyde Leer" (die, in het O. en N. Testament begrepen is I) te „zullen onderwijzen, te doen en te helpen onderwijzen."
Waarom gaf men er zich geen rekenschap van, dat men, bij verwerping van heel dezen dogmatischen gedachteninhoud en bij loochening van het bovennatuurlijke, magische en dus sacramenteele karakter der plechtigheid, een ledigen vorm overhield, die den naam van „Doop" niet meer kan dragen, evenmin als de ledige dop nog den naam mag hebben van ei."
Tot zoover Ds. de Leeuw.
Hier worden de dingen uit de doekjes gedaan. Hier redeneert niet een die alles verwerpt en dan toch den schijn wil bewaren van alles te behouden.
Hier is er een aan 't woord, die zegt: van al die oude rommel moeten wij, Modernen, niets hebben.
Of, wat deftiger uitgedrukt, hier getuigt een moderne: al dat oude is voor ons voorbij gegaan, ziet, voor ons is alles nieuw en andera geworden!
Nu, iemand die liefde tot waarheid en gerechtigheid bezit, moet ook zoo spreken.
Al dat gegoochel is onuitstaanbaar voor iemand van karakter.
Maar als men alzoo niets dan een ledigen dop heeft overgehouden en ganseh den inhoud heeft weggeworpen, waarom blijft men dan toch in de Herv. Kerk, welke zich toch altijd nog houden wil aan de kern en het wezen van die oude waarheden, die in de aangenomen formulieren zijn neergelegd, steunend op Gods Heilig Woord?
Waarom gaat men dan niet tot een ander Kerkgenootschap over, waar men die geheel nieuwe moderne overtuiging eerlijk en hartelijk kan en mag openbaren en waarom houdt men zich knoeierig staande in het midden van een Kerk, waarin de leervrijheid krachtens historie en belijdenis en reglementen absoluut verboden is?
Moet men nu nóg 100 jaren uitzingen te midden van onwaarachtig geschipper, om dan zelf nóg niet vrq te zijn om te mogen leeren wat men wil en intusschen de Herv. Kerk te houden in die dubbelslachtige gestalte, waaraan eigenlijk toch ieder zich moet ergeren, die lust heeft in waarheid en gerechtigheid.
Neen, wanneer wij zoo radicaal waren, dan zouden we nooit, neen nooit een beroepsbrief willen onderteekenen, waarin en sacramentsbediening ons hebben te voegen naar uitwijzen van Gods Heilig Woord en de verordeningen der Kerk.
Daar zou ons gevoel tegen opkomen. Honderdmaal liever voegden we ons dan bij een religieuse vereeniging waar het één hart en één ziel was!
Immers kan men op deze wijae toch nooit met een eerlijke conscientie in d« Herv. Kerk doopen, belijdende het met de leer der Herv. Kerk in deze in geest en hoofdzaak, in aard en wezen hartelijk eens te zijn?
En daar staat men dan, met al z'n radicalisme, met al z'n eerlijkheid, met al z'n zelfbezinning!
Beheersregeling.
„In wettige vergadering, onder voorzitterschap : van Ds. J. O. v. Apeldoorn, is te Sebaldeburen besloten, zich af te scheiden van het Provinciaal en Algemeen College van Toezicht op 't beheer der kerkelijke goederen der Ned. Herv. gemeenten, zoodat men hier van beheer onder toezicht is overgegaan tot vrij beheer."
Dit bericht kon men weinige weken geleden in alle dagbladen lezen. Een bericht dat zoo eenvoudig, zoo gewoon, zoo zonder beteekenis zich voordoet en dat o. i. van zoo groote beteekenis is.
Want zal nu in deze beheerskwestie het Provinciaal College op het Beheer der kerkelijke goederen en fondsen in Groningen iets kunnen doen ?
En indien vele gemeenten in ons Vaderland het voorbeeld van Sebaldeburen volgden, zouden dan het Algemeen College van Toezicht en de Provinciale Colleges iets kunnen doen?
Wij hebben wel eens gehoord, dat de Provinciale Colleges bij onderscheidene gelegenheden, als het op doortasten aankomt, gedurig van beur machteloosheid overtuigd worden. Ze moeten telkens erg voorzichtig en toegevend zgn.
Zeker, er zijn er die zeggen: het zal spoedig te Sebaldeburen blijken dat men zich niet kan afscheiden van het College van Toezicht. En men wijst dan op 'tgeen de Rechtbank te Utrecht in 1888 en die te 's Hertogenbosch in 1896 hebben beslist in dezen, waaruit zou moeten blijken, dat een afscheiding niet mogelijk is. Maar...
Wij zijn intusschen benieuwd wat de beslissing in Sebaldeburen zal uitwerken. En we hopen, dat hetgeen daar geschiedde nu eens meer licht mag geven over de kwestie, of men zich al of niet kan afscheiden van het College van Toezicht, j
Misschien zit er wel iets achter deze geschiedenis te Sebaldeburen, dat werkelijk eenig licht verspreiden kan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 maart 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 maart 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's