De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Van verborgen omgang.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van verborgen omgang.

19 minuten leestijd

XXXVIII,

Zoo is dus de inwoning des Heiligen Geestes een onderpand, waardoor Gods kind zeker is van het groots goed, dat met Christus verborgen is in God en dat eenmaal ten volle zijn eigendom zal blijken, als de dag komt, waarop het Nieuw Jeruzalem van God uit den hemel nederdalen zal. Dat onderpand des Qeestes ia als een eeuwig deel midden in den tijd met zijne worsteling en nood, met zijn twijfelzucht en angst, opdat er vertroosting zal wezen Door dat onderpand des Geestes wordt voortdurend gezegd tot elk wankelend kind van God: heb goeden moed, vrees niet, want Ik ben met u. Zoo gaat er dus vandeninwoneuden Geest eene blij rende, krachtige vertroosting uit in het hart van Godi kind, waardoor hst au ook een ware Tr*d« genieten mag. Zoo wantcht dan ook de apostel, dat de Romeinsche gemeente moge ervaren hoe d© God der hope hen zal verruilen mat alle biydschap ea vrede in bet gelooven, opdat zg overvloedig mochten zijn in de hope, door de kracht des Heiligen Geesies. Zoo wordt dus ook de vrede door Hem gewrocht.

De Heere Jesus heeft den vrede met dtn Heiligen Geest eveneens in verband gebracht, want als Hij, Johannes 14, gesproken heeft van den Trooster, dan voegt Hij er aan toe: „Vrede laat Ik u; mijnen vrede geef ik u". De Heilige Geest is nu de grote Vredemaker, die ook daarin toont, dat al wat Hij is geven heeft door Hem genomen wordt uit Christus' volheid. En Christus is ook de Vredevorst.

Ook de vrede ia een schoon en heerlijk voorrecht, dat aan Gods kinderen ten deele valt en waardoor over hun leven een eigenaardige glans wordt uitgebreid.

De vrede is een bloem, die niet wast op den akker van het natuurlijk hart. De mensch der sonde kent geen vrede. In ons woelt slechts de krjjjg, want dit is juist het eigenaardige karakter, waarin de sonde uitkomt, dat zij innerlijk den mensch tegen sichselven verdeelt. Zij' is verbreking onser levenswet zooals die door God in onze schepping over en in ons gegeven is. Als zoodanig draagt zij dus ook den dood in zich en de innerlijke versplintering van ons wezen, da zedelijke ontbinding. En sulk eene ontbinding sou er niet zijn, indien zich de kracht niet zette tegen de kracht, neiging tegen neiging, drift tegen roeping en roeping tegsn drift. Daarom kan de mensch der zonde dan ook geen vrede kennen. Hij kan wel een zekere rust smaken in zijne genietingen en in de dingen der wereld. Hij kan eene rust vreugde in de ongevoeligheid voor de dingen van zijn eeuwig heil en dus een valschen vrede, geboren uit de zelfgenoegzaamheid der zonde . En in die rust kan hy vastroesten, zoodat hij er niet uit wil worden opgeschrikt. Daarom is er dan ook ondsr de menschen zooveel vijandschap tegen de waarheid, zoodra die hen persoonlijk raakt. Wanneer zij worden opgeroepen om die rust der aelfgenoegzaamheid te verlaten, dan waakt maar al te vaak de bitterheid op. De zondaar wil blijven in zijne rust en niet gestoord worden in zijne genoegens. Maar dat deze rust slechts schijn en die vrede slechts valsch is, blijkt daaruit, dat hij ontrust wordt, zoodra het hem duidelijk is, dat hetgeen sijne vreugde is, hem gaat ont vallen. De kinderen dezer wereld mogen rust kennen in hunne genietingen, zoodra het klaar wordt, dat zij toch uiteeuwige nooden niet redden kunnen, wordt er bange onrust geboren in het gemoed. Het blijkt maar al t© zeer, dat er joiet geene vrede is, op het oogenblik, dat vrede bovenal behoefte is. Bovendien achter dien schijn van vrede woelt toch de worsteling, want de begeerten van het hart breiden zich zeer wijd uit en onder al die zelfgenoegzaamheid schuilt toch immer nog een verborgen angel. Wg kunnen er zeker van zijn, dat achter menige glimp van vreugde een geheime smart woelt en achter menige glimlach toch dikwijls vlymend leed wordt gedragen.

Daar is geen vrede, daar kan geen vrede zijn in de zonde, omdat haar wezen krijg ia. Eerst wanneer de zonde zelv« is vernietigd in beginsel, wanneer de levensharmonie in beginsel werd herateld door de daad der wedergeboorte eerst, wanneer de zondaar uit den ouden Adam is overgebracht in Christus en alzoo een nieuw schepsel werd, kan er sprake komen van vrede. De vrede van Christus wordt geboren uit het bewustzijn van verzoening met God in Hem en wortelt in de wetenschap, dat de eerst van God vervreemde Eondaar, die esn vqand zijnde niet God versoend werd door den dood zijns Zoons, nu in de vriendschap met God is aangenomen. Christus is de vrede, wijl in Hem de vijandschap is te niet gedaan en het handschrift, dat tegen ons was, is uitgewischt. Daarom verbindt dan ook de apostel met de rechtvaardigmaking door het geloof ontvangen, den vrede, die alle verstand te boven gaat. De grond van allen vrede is dus de zekerheid van in Christus bij God te zijn aangenomen. De wetenschap van de bevrijding van den toorn des Rechtvaardigen, de redding uit den afgrond van den eeuwigen dood, het bewustzijn van de vrijheid en de heerlykheid der kinderen Gods. En de Heilige Geest is ook daarom de werkmeester, dewijl Hij inleidt in de goederen des heils en ook toepast hetgeen in Christus is bereid geworden. Zonder de werking des Geestes kan er ook van vrede geen sprake zijn. Daarom zegt de apostel, dat de vrucht des Geestes de vrede is.

Inderdaad is ook vrede een heerlijke vrucht geboren onder de levenswerking van den Geest, een vrucht, die voor het leven van Gods kinderen de grootste beteekenis heeft, die aan dat leven zelf de waarde en den glans verleent, waardoor het zulk een groot en kostbaar goed is. Oppervlakkig beichouwd is er in het leven van Gods kinderen weinig, dat bekoort. De kinderen der wereld voelen zich er niet door aangetrokken. Zij hebben er ook geene rechte voorstelling van. Hoevelen zyn er niet, die meenen, dat de vreeze des Heereu slechts somberheid en akeligheid is, dat het kindschap Gods zou in zich sluiten steeds met het hoofd naar beneden voort te gaan langs zijn weg, dat geen gulle ach mag worden gezien en slechts de onnatuur is overgebleven. En toch is ni«t8 minder waar dan dat. Gods kinderen kennen vrede en daarmede een goed, at der wereld vreemd ie. Immers, achter den glans der wereld, echter haar vreugde en haar lach schuilt de angel van het verderf. In het licht van dood en graf verbleekt de schittering, die zij biedt.

Voor den spiegel der eeuwige ding«n wordt, wat het hart van den wereldling verblijdt, louter ijdelheid. Met het wereldl«ven zelf is ook dat alles voorbijgegaan.

Voor hetgeen achter dit leven ligt, biedt het niets. En daarom is er ook geen vrede in. Het laat den mensch te midden van zijne zonde en eeuwige nooden, te midden van zijne vigandschap met God en daarom met en in zijnen onvrede. voor den zondaar, slechts de verstijving en de verkonding voor alle hooger levensbegeeren. Er is een vastkleven aan de wereld, zooals de drenkeling te midden van het golvengeklots zich vastgrijpt aan hetgeen niet bij machte is, hem te dragen en te redden. Er is een worstelen en strgden om altijd meer. De begeerten des harten drijven rusteloos voort. En altijd weder blijkt, dat zij nimmer te verzadigen zijn. Zij laten toch eene leegte achter en daardoor een onvrede, die den mensch tegen en in zichzelven verdeelt. De begeerte is, ook als zij vervuld wordt, steeds weer een zaad, waaruit nieuwe begeerten opkomen, prikkels, die uitdrijven tot steeds zich herhalenden kamp. Maar nooit bereidt zij dieu; vrede, die inderdaad alleen geboren wordt uit de innerlijke levensharmonie. Die vrede kan er alleen zijn, als de mensch met al het tijdelijke, met alle zijne begeerten, in het licht van Gods gerechtigheid veriechenen is. Daarin alleen is de oplossing van allen strijd, de hoogere eenheid en harmonie geboren en dus ook die vrede, die den mensch in het opgaan in Gods heerlijkheid wacht. Dat komt tot stand in de gemeenschap met Christus, die de gerechtigheid aanbrengt, waardoor de klacht der conscientie moet zwijgen en die juist daardoor vrede met God bereid heeft, wijl Hij het handschrift, dat tegen ons was, heeft uitgewischt aan het kruis.

In dien weg werkt de Heilige Geest den vrede in de zielen sijner kinderen, wijl Hij hen leert in Christus als in den Heere onze gerechtigheid te rusten, zoodat er eene verzoende verhouding tusschen God en zijn kind wordt geboren. De vijandschap, die tusschen God en den zondaar bestaat, wordt weggenomen en het zalige bewustzijn van levensgemeenschap met Hem wordt levendig, waaruit die innerlijke overeenstemming, dat opgaan in des Heeren daden, dat rusten in des Heeren wil wordt geboren, die den vrede scheppen, die alle verstand te boven gaat. Die vrede, die wortelt in het smaken van de eeuwige liefde Gods in het geloof des Zoons, die de gave dier liefde is, in het genot van alle beloften, die in Jezus ja en amen zijn, is de vrucht van den in Gods kinderen inwonenden Geest, die zijne zaligmakende werkzaamheid in de harten der zijnen laat uitgaan.

Het bedenken des Geestes is het leven en de vrede. De Heilige Geest is. het dus, die Gods kinderen leert overwegen alle daden des heils aan en voor hen geschied en die hen in de overweging daarvan den zaligen vrede doet smaken, waardoor zij een ruste in God kennen te midden van de woeling en strijd, van de donkerheid en smarten, die dit leven ook voor hen maar al te menigvuldig aanbrengt. In den verborgen omgang met den Heiligen Geest spreekt Hij, als de baren en de golven hooggaan, het „weest stille" uit, zooals eenmaal de Heere Jezus het sprak voor de zijnen, toen de nood en de dood hen bedreigden. De Heilige Geest is ook alzoo de andere Trooster, die uit de volheid van Christus de heilsgoederen neemt om daardoor den adem des vredes te doen gaan over den akker der ziel.

Vooral dan wordt die vrede heerlijk, als de grootste strijd gestreden worden moet. De laatste vijand is ook voor Gods kind de dood, de verbreking van dezen tabernakel. Niets is meer tegen de natuur, meer in strijd met de innerlijke aandrift des gemoeds. Het leven zelf onderscheidt zich altijd daardoor, 'dat het den drang vertoont om te blijven leven. Al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven. En altijd zal het blijken, dat de mensch zijne uiterste krachten inspant om den dood verre van zich te houden.

Inderdaad, hij is de vijand, die met opoffering van alles bestreden wordt. Daarom is het ook niemand mogelijk vrede met hem te hebben. Alles wat in den mensch is, eiaat op tegen hem. En menigmaal kan het worden opgemerkt, dat de kinderen dezer wereld, als hij zijne overmacht doet gevoelen, in doffe versfcomping neerliggen onder het besef hunner onmacht om aan den klauw des doods te ontkomen.

Vrede met den dood kennen zij niet, kunnen zij niet kennen, slechts de onderworpenheid der onmacht, zoodat hunne vrede nog ©en schijnvrede is. Het is bij den wereldling altijd naar het woord des Heeren: Gij dwaas, hedennacht zal uwe ziel van u worden afgeeischt. Hij geeft zich niet, hij kent geen vrede met den dood, hoogstens slechts de onmacht om zich te verzetten.

Maar gansch anders ia het nu met Gods kinderen. Uitwendig kan het schijnen, dat hun dood gelijk is aan dien van de kinderen dezer wereld.

Het kan ook voor hen soms een bange en vreeselijke strijd zijn, maar toch is er in de diepte der ziel een groot onderscheid.

Er komt een oogenblik, waarin zy eenswillend met God worden, waarin zy zichzelven geven en bereid «ich weten om het hoofd neder te leggen en prijs te geven om des Heeren wil ook het kostelijkste, dat zg in deze wereld jhebbsn. Er kan dikwijls een bange zielestrijd aan voorafgaan. De worsteling om van den schat des levens af te laten, kan donker en aangrijpend soms zijn, maar ten laatste overwint in Gods kinderen de Heilige Geest, die in hen woont, door hunne oogen te richten op den Vorst des levens, die den dood verwonnen heeft om voor hunnen voet te ontsluiten ds poort, die voert naar de stad des grooten Konings.

Hij is het, die tot de siel van zijn wegstervend kind spreekt van hetgeen Jezus te geven heeft, die hem toefluistert, dat als zij gaan door de schaduwen des doods, Hij toch daar is met njn levenslicht. In die ure is Hij bijzonderlijk de groote Trooster zgner kinderen door uit Jezus' volheid ook de stervensgenade te putten, waarmede hunne ziel gespgzigd en gelaafd wordt ten eeuwigen leven. Hij maakt Gods kind ook dan eenswillend, zoodat het komt tot volkomene overgave, tot een geven, tot een bevelen des geestes in de handen des Vaders. En daarin is nu ook tevens stervensvrede bereid, zoodat de vijandschap overwonnen, de tegenstand en het verzet gebroken wordt. „Nu laat Gij, Heere, uw dienstknecht gaan in vrede naar uw Woord, want mijne oogen hebben uwe zaligheid gezien." Zoo spreekt Simeon, waarvan de Schrifs ons mededeelt, dat de Geest op hem was, die door den Geest ook geleid werd naar den tempel om het kindeke Jezus te zien. Toen hij dat kindeke, dat de vertroosting

Israels was, had aanschouwd, smaakte hij ook den vrede met zijn heengaan uit deze wereld. En alzoo doet nu de Heilige Geest nog met Gods kinderen. Hij werkt in hunne zielen vrede zelfs als

de dood komt. Zij hebben zelfs vrede met dien laatsten vijand, omdat zij hem door en in Jezus' lijden, sterven en verrgzenis, schouwen als een vijand, die verwonnen ia, die zijne kracht verloor en die dus niet meer ieta vermag tegen het leven hunner ziel. Zelfs de dood heeft geene macht hen te scheiden van de liefde Gods in Christus Jezus.

Zoo werkt dus de Heilige Geest door middel van de levensgave, die in Christus Jezus is, den vrede in de ziel van Gods kinderen zelfs in dien oogenblik, ala naar de natuur beschouwd, de machtigste vijandschap oplaait. De vrucht des Geestes is vrede, als alles van vijandschap spreken zou. Het werk der genade bliijkt alzoo, tot het laatste een werk Gods, een wonder van genade. Daarom wordt dan ook door Gods kinderen de Heere daarover steeds verheerlijkt en roemt al Gods volk in Hem als die de Alpha en de Omega, het begin en het einde is voor het leven hunner ziel.

Zoo is dus het werk des Gaestes een werk des vredes, van dien vrede, die alle verstand te bovengaat, omdat Hij Gods kind leert opgaan in de verheerlijking Gods. Daarom sluit nu bij die gave des vredes nog bovendien aan de vreugde van het kindschap. Gods kind smaakt ook blijdschap. De Heere Jezus was gezalfd met vreugde boven zijne medegenooten.

En ook van die zalfolie der blijdschap daalt neder op zijn kind. Aan de treurenden Zions wordt vreugdeolie beschikt.

Zelfs gaat de apostel zoo ver, dat hg het Koninkrijk Gods omschrijft als te zijn in tegenoverstelling van het wereldsche leven, dat spijs en drank, is, rechtvaardigheid en vrede en blydechap door den Heiligen Geest. Van do blijdschap des Heiligen Geestes is dan ook in de Schrift veelvuldig sprake. En het is zeker geen bewijs van gezond geestelijk leven, dat er van. dia viëagde van het kindschap Gods zoo weinig over het algemeen wordt waargenomen. Er zijn er, helaas, talloos velen, die hoewel zij zich bij Gods volk scharen en graag voor het volk worden gehouden, toch zelden of nooit iets van die blijdschap schijnen te kennen. Ja, ik zeg niet te veel, als ik beweer, dat het genieten dier blijdschap slechts eene uitzondering schijnt te wezen. Voor velen zelfs schijnt allp blijdschap op geestelijk gebied contrabande. En als zij een kind Gods ontmoeten, dat van die blydichap smaakt, en van die blijdschap getuigt, dan zijn zij er allicht bij om huntwyfel aan zijn geestelijk leven te uiten. Er zijn er, die schijnen te meenen, dat het echte kenmerk der genade bestaat in zuurheid en naarheid, in het uitgestrekt gezicht en het sombere neerblikken op anderen.

Zoo wordt soms den Naam en de zaak des Heeren schade en schande aangedaan. de waarheid, die ten onrechte aansprakelijk wordt gesteld voor hetgeen zij, die voor belijders doorgaan, misdoen. Zeker, de vreugde der wereldjis ijdel en de lach, die in menigen kring opgaat, is de klank van holheid en ledigheid on geestelijke armoede. De vreugde van een wereldling is misschien het onaangenaamste, dat hij uit geestelijk oogpunt gezien, bezit en openbaart. Maar daarmede is niet gezegd, dat alle vreugde verwerpelijk en ijdel is. Gods Woord kent aan Gods kinderen ook vreugde toe, eene vreugde door den inwonenden , Heiligen Geest gewekt. Daarin vooral 'komt de troostende werkzaamheid, die van Hem uitgaat, tot haar echt. Ook daarbij gaat syn arbeid niet uiten Christus om, noemt Hij de gave it zijne volheid om tot den Christus ods kind te leiden, zoodat het zich in em verheugen zal met eene onuitspreelijke en heerlijke vreugde.

Die vreugde wekt Hij in de harten, waarin Hij inwoont, dikwijls ook onmiddellijk. Zooals Hij alleenlijk zonder zich van iets te bedienen, de nood kan binden op het hart, de troost kan leggen in het hart, zoo kan Hij ook de vreugde doen opwaken in de ziel, zoodat het kind des Heeren zich in zijn God verblijdt en zqn weg ook met blijdschap wandelt. De Heilige Geest kan de stemming der blymoödigheid wekken, alleen door haar te doen opwaken in de ziel. Als dan Gods kind rekenschap geven zal van zyne blijdschap, dan zal het niet een bepaald feit, noch eene bepaalde gave kunnen aanwijzen, maar het heerlijk licht van Christus straalt over hem uit, zoodat hq zich als reizende naar Jeruzalem weet.

Uit die richting in zgn levensgang komt dan reeds eene blijdschap op, die hem het lied der vreugde legt op de lippen. Vooral de ervaring van ds wondere liefde Gods is de reine bron, waaruit die vreugdestemming wordt geboren. Rondom hem, in de gansche schepping ruischt hem dan het lied der liefde tegen, dat echter daarom in die schepping wordt beluisterd, omdat hat ruischt van de snaren zijner eigen ziel. Zooals op een schoenen lentemorgen de heerlijkheid der schepping zulk een machtigen indruk kan maken op het gemoed, dat wij als gevoelen, hoe het ook lente is binnen in ons, zoo kan ook Gods Geest de vreugde in de ziel leggen onder en door de bekoring, die uitgaat van het groote goed, dat in Christus is geschonken. Ook hiervan geldt het, dat de Geest haar werkt, wanneer Hij wil en dat de vreugde dus is een vrucht van vry macht des Ontfermers.

Maar niet slechts kan de vreugde onmiddellijk worden verwekt, de Heilige Geest kan haar ook roepen middellijk doordat Hij Gods kind leidt tot een zien op de gaven, die bereid zijn door Christus, Gods kinderen kennen de uren, waarin zij als teruggeleid worden langs hunnen weg. Hij laat hen weder zien op hunne geestelijke geboorte, op hunne eerste roeping, op wat zij geweest zijn en op heteen zij door Hem geworden zijn. Hij taat als etil met zijn kind om het te epalen bij zoovele donkerheid en strijd, ij de nooden en dooden, waaruit zij verost zijn, bij de wondere gaven der ge­ nade, die af en toe bereid werden, bij| de liefelijke ervaringen, die zij hebben doorleefd op den weg, waarlangs hun voet zich bewoog. En dan ontspringt door de aanschouwing van die weldaden, die zoo dierbaar en zoo groot zijn, ook de vreugde in het hart. Dan moet Gods kind de grootheid van Gods goedertierenheid verkondigen. De vreugde in Gods heil wordt dan geboren doordat de Geest des Heeren als de Leidsman op het pad, hem dringt om stil te staan en te aanschouwen het schoone, dat ontmoet wordt op dien weg.

Dan wordt het verstaan, dat op dien weg een blinde niet kon dwalen, omdat er een algenoegzaam en in alles voorziend God was, die niet ophield de belofte te vervullen: Ik zal maken, dat zij van achter Mij niet afwijken. Zoo zijn het Gods weldadigheden, waaruit een reine, heerlijke vreugde opwelt voor het kind des Heeren.

En eindelijk sluit zich daarbij nu aan de glans der hope, die Gods Heilige Geest ook lichten laat over den akker hunner zielen. De apostel spreekt ook van een overvloedig zijn in de hoop door de kracht des Heiligen Geestes. Uit de verzekerdheid des geloofs komt op het wachtend uitzien naar de vervulling van alle beloftenis Gods. Zij is als de bloem ontloken aan de ervaring van Godsliefde, die haar wortel, aan de stengel des geloofs, die haar levensgrond is. De hope is voor Gods kind bat kostelijke goed, dat altijd weder met nieuwe kracht het leven staalt en sterkt. Te midden van den strgd, van de verdrukking en nood, die zwaar wegen bij den opgang langs het smalle pad, kunnen zij soms moedeloos nederzitten, aamechtig en mat. Het kan nevelig zijn en somber ook op den levensweg. Maar juist de hope is de staf, waarop zij steunen mogen. De Heere leert de zijnen dan uitzien naar boven en Hij laat hen ook hooren het bazuingeschal zijner belofte, zoodat zij mogen opzien naar het Zion, dat boven is en de tinnen des tempels aanschouwen, verlicht door den glans der heerlijkheid Gods. De hope doet de sterren blinken aan den nachtelijken hemel, de hope fluistert ook van het eindelijk komen aan de boorden van den levensstroom.

Zij is het, die Gods Kinderen doet opstaan en met nieuwen moed de reize doet aanaarden en hun kracht geeft om den trgd af te keeren tot de poort toe. Zij oet verstaan, dat de vele verdrukkingen en ingang in het Koninkrijk ontsluiten en dat na het kruis de kroon en na den trijd de overwinning wacht. De hope is het instrument, waarvan de Geest als de Leidsman van Gods kinderen zich bedient, om hen veilig te voeren in de eilige gebouwen, waar het vrijgemaakt olk de vrije gunst, die eeuwig Hem ewoog, de lieflijkheid en de schoone ienst aanschouwen zal. De hope is de racht, waardoor de ziel gesterkt wordt, aarin Hg woning maakte. Zij is het, waardoor Gods kind ten laatste ook in de groeve zich zal geven, want hunner is aan het einde de belijdenis: ja ook mijn vleesch zal rusten in hope

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 maart 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Van verborgen omgang.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 maart 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's