Van verborgen omgang.
XXXIX.
De Heilige Geest is dus de werkmeester aller vertroosting in de ziel van Gods kind. Hij woont in de zijnen, opdat Hij hftt werk der zaligheid ten einde toe zal volbrengen. Zonder die inwoning, du« zonder zijne altijd voortgaande en doorgaande werking, zou er van zaligheid nog geene sprake kunnen zijn. Immers, dan zouden Gods kinderen op zichzelven aangewezen zijn om ie ervaren, dat het met eigen kracht ras verloren is en dat het altijd waarheid zou blijken, dat wij zoo zwak zijn, dat wij ook niet één oogenblik kunnen bestaan. Do Heilige Geest legt dan ook al die schoone en rijke gaven in het hart, die de Christus niet alleen voor 8\jne kinderen hooft verworven, maar die ook in de gave van zijn Perioon liggen opgesloten. De vrucht des Goestos is liefde, blijdechap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid en dus alles wat in Christus aan geestelgk goed ons geschonken is en al hetgeen het sieraad van Gode ware kinderen wordt genoemd. Maar als dan alle geestelijke ademtocht, elke polsslag van eeuwig, zalig leven gewrocht it van zijn goddelqk alvermogen en het kind des Heeren van den eersten aanslag van zijn geestelijk leven tot in den lichtglans van het nieuwe Jeruzalem toe, met Hem te doen heeft, dan kan het ook niet anders of in den verborgen omgang met het volheerlijke Wezen Gods zal ook de drang gekend worden om aan den Heiligen Geest eere toe te brengen.
Het kenmerk van het ware leven is altijd niet' slschts, dat het van God afdaalt, maar ook dat het tot Hem wederkeert. Uit Hem, door Hem en. tot Hem zijn alle dingen. De stroom van het door den Heiligen Geest gewekte leven versmoort niet in hel zand onzer zonde, maar zet zich door tot den troon Gods, waaruit hij opkwam. Alle heerlijke, machtige daden van Gods genade, alle groote en kleine weldaden, alle vertroosting, die ervaren en genoten worden, zij hebben ten gevolge, dat de Heere van zijne kinderen de eere ontvangt, die Hij van de
zijnen vraagt. Zopals Hg door ontdekking . voor zijn heilig recht aan zijne kindereu de belijdenis ontwringt van hunne zondf en de erkenning zijner rechtvaardigheid en daardoor hun op de lippen legt de
verkondiging zijner goddelijke deugden, zo^ weet de Heere ook door die openbaring zijner genade en de betooning zijner gunst aan zijne kinderen te ontlokken den prijs van zijnen heiligen Naam. Door recht en genade beide komt Hij aan zijne eere in de redding van zijn volk. En zoo is er dus in den verborgen omgang met den Heiligen Geest ook op te merken het brengen dier eere, die niet glechts bestaat in het ontlokken van de erkenning der goddelijke deugden, maar ook in de aanbidding van het goddelijk Wezen zelf.
Nu ligt het natuurlijk voor de hand, dat in het Drievuldig Wezen Gods de drie Personen niet van elkander gescheiden zijn en daar alle aanbidding haar grond vindt in het goddelijk Wezen zelf, zij ni«t kan omgaan, buit»n één der Personen.
Het zou niet mogelijk zijn, dat iemand den Vader eerde buiten den Zoon om en zoo oek zou het niet kunnen, dat iemand den Zoon eerde met voorbijgang van Vader en Geest. Alle aanbidding, die tot het Wezen Gods uitgaat, richt zich daarmede tot de Personen tevens. En wanneer eene bepaalde Persoon daarbij op den voorgrond treedt, dan ii het toch steeds het goddelijk Wezen daarin. Er is geene aanbidding van één der Personen met voorbijgaan en uitsluiten der anderen.
Elk der Personen is drager van de wezensvolheid Gods. Zoo is er dus bij de aanbidding der Majesteit Gods altijd aanbidding der Drievuldigheid en is er dus geene aanleiding dezelfde aanbidding aan elk der drie Personen afzonderlijk te herhalen. Het is dus bij het gebed niet zoo, dat wij eerst onze bede nederleggen voor den voet des Vaders, daarna komen met dezelfde bede tot den Zoon, om vervolgens ons te wenden tot den Heiligen Geest. Zooals alle werken Gods werken zijn der Heilige Drievuldigheid, zoo gaat ook het gebed uit tot het ééne goddelijke Wezen, dat als Drievuldigheid bestaat.
Het gebed richt zich tot het goddelijk Wezen in zijne oneindige heerlijkheid en majesteit, dat hemel en aarde vervult en alle dingen werkt naar den Baad van zijnen wil, tot dien God in wien wij leven en ons bewegen en wiens Wezensvolheid al de drie Personen gemeen hebben. Alle gebed, hetzij dan als eene smeeking, hetzg als eene aanbidding, heeft dus van doen met het Drieëenig Wezen. Alle Godsvereering, alle gemeenschap, alle verborgen omgang met God is ten laatste een verborgen omgang met de drie Personen.
Indien dan ook reeds het allervolmaaktste gebed aanvangt met de aanspraak: onze Vader, die in de hemelen zijt", dan is in het noemen van den Vadernaam reeds de drievuldigheid Gods erkend. Wie den Vader aanroept, besluit daarin reeds den Zoon als Middelaar in het drievuldig Wezen. Met de aanroeping des Vaders wordt reeds elke Persoon aangeroepen, want aangeroepen wordt de Vader als Godheid, die Hij deelt met d« andere Personen. In de aanroeping des gebedi is de Zoon besloten, ook al wordt Hij als Middelaar Gods en der menschen ten laatste onze pleitgrond. Zoo staat dan ook in Eph. 2:18 geschreven: want door Hem hebben wij den toegang door éénen Geest tot den Vader. Het toetreden lot den troon der Majesteit Gods met onze smeeking en aanbidding is dus een daad der ziel, waarbij de drie Personen betrokken zijn en in die toenadering zelve, die de volheid van het goddelijk Wezen betreft, is er eene onderscheiding in zake hunne werkzaamheden op te merken.
Zoon en Geest zijn niet minder voorwerp van aanbidding dan de Vader, Wie tot God nadert, nadert zoowel tot den Vader als tot den Zoon en den Heiligen Geest.
Maar het is des Vaders genade, die ons toekomt door het Middelaarschap des Zoons onder de leiding en werking des Heiligen Geestes. Gods kinderen worden tot gemeenschap des gebeds met Gods heilig, heerlijk Wezen gebracht jdoor e«ne werkzaamheid Gods, waarin elk der drie Personen eene functie vervult. Ook in de gebedsgenade is Vader, Zoon en Geest betrokken, terwijl toch Hij, die als de alwijze God alleen te prijzen is tot in eeuwigheid, wordt aangeroepen en verheerlijkt. Wanneer er dus in de gemeenschap des gebeds, sprake is ook van eene werkzaamheid des Heil'gen Geestes, van eene gemeenschap met Hem, dan is daarmede noch de Vader, noch d« Zoon uit dien verborgen omgang met God gesloten.
Het levenscontact tusschen Gods kinderen en Hem, aan Wien zij alle Itvensgaven danken, is een levenscontact met den eenigen, drieëenigen God, maar toch altgd zóó, dat daarmede de onderscheidene drie Personen telkens een geheel eigen functie vervullen.
Zoo is er dus nu in den verborgen omgang ook een bijzondere gebedsgemeenschap met den Heiligen Geest. Zeer merkwaardig is het, dat de Heere Jezus juiit tegen het einde zijns levens, als Hij het groote lijdenswerk zal aanvangen en «ijne discipelen zal verlaten, op deze verborgenheid bijzonderlijk het licht laat vallen. Zijne redenen hebben dan vooral de strekking hen te wijzen op het werk van den Heiligen Geest. Na zijn heengaan vooral zou het hun noodig zijn kennis te hebben aan den Trooster, die nu ver der de taak zou overnemen, die te doen bleef, als Hij zelve zou heengegaan zijn om ons plaats te bereiden. Zoo predikt Hij: gelooft gij niet, dat ik in den Vader ben en de Vader in Mij is ? En Hy roept de zijnen op tot dat geloof. Maar Hij tegt ook: 'Ik zal den Vader bidden en Hij zal u eenen anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid. En van dien Trooster, die de Geest der waarheid is, geldt het, dat de wereld Hem niet ontvangen kan, want zij ziet en kent Hem niet, maar de discipelen daarentegen kennen Hem, „want Hij blijft bij ulieden en zal in u zijn."
En nu komt aan den Heiligen Geest als waarachtig en eeuwig God met den Vader en den Zoon ook toe, hetgeen de mensch van zijnen Schepper mag vragen of schuldig is te geven. Omdat Hij God is, mogen wij onze smeeking tot Hem opzenden, maar zal Hij ook door Gods kind in zijne goddelyke heerlijkheid worden aangebeden. Het is hier gansch anders dan hetgeen de Schrift ons leert aangaande de schepselen. Toen Johannes op Patmos den engel aanschouwde, die toonde hetgeen haast moest geschieden, toen viel hij neder om aan te bidden voor de voeten des engels, maar moest ook de berisping komen: „Zie, dat gij het niet doet, want ik ben uw mededienstknecht; aanbid God." En dat daaronder ook de Heilige Geest wordt verstaan, moge blijken niet slechts daaruit, dat de Geest oproept om te nemen van het water des levens om niet, maar ook gepredikt wordt, dat van de zeven Geesten, die voor den troon zijn, genade en vrede afdalen.
En wat Hij geeft en werkt als onze Trooster, alle genade en leven en liefde, die Hij schenkt, zij hebben de strekking ons te dringen niet.slechts tot het geloof in Hem en tot het aanroepen van Hem, maar ook tot zijne verheerlijking. Uit de werken, verricht aan en in de zielen van Gods kinderen, komt de roeping op ook Hem zijne eere te geven en in de aanbidding zijner Goddelijke Majesteit, den omgang ook met Hem te smaken. De vruchten zijner vertroostende werkingen wekken Gods volk op om ook Hem te zoek«n met gebeden en smeekingen en dankzeggiag. Daar de Heilige Geest in het hart van Gods kinderen inwoont, is Hfl het door Wien het goddelijke Wezen zijne gemeenschap met ons tot stand brengt.
Alle levensroering van Gods kind is altijd met den Heiligen Geest. Als de zoadebanden klemmen en Gods recht gaat over de zondaarssiel en de verbreking en de verbrijzeling des harten hem doen nederbukken in het stof, zoodat er verootmoediging is voor Gods aangezicht, dan staat de suudaar met zijne zonde van aangezicht tot aangezicht tegenover den Heiligen Geest, die in hem woont.
En als zqn gebed opklimt uit diepten van nooden en Hij die innerlijke worstelingen doorleeft om licht en vreugde, om vertroosting en heil, om uitredding en verlossing, dan wordt ook dat gebed geslaakt vöör het aangezicht van den in hem wenenden H^-iligen Geest. En wederom, als hg onder de wondere broeding der genade, die haar levensadem gaan deed door alle diepten der ziel, eene blgdschap smaakt in de gemeenschap met Hem, waarin Gods kinderen zich verblijden kunnen met eene onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, zoodat het lofiied ruiachen gaat van de koorden der harp, dan wordt ook dat lied gezongen voor het aangezicht van Hem, die als de Heilige Geest in onze harten inwoont.
In heel die wondere verborgenheid in ons bewustzijnsleven, waarin wij spreken met onzen God, als wij teruggetrokken zijn in de stille eenzaamheid, is het altijd de derde Persoon, met Wien wg in onmiddellijk levenscontact treden, met Wien gemeenschap, met Wien verborgen omgang wordt geoefend. Het heilig, heerlijk Wezen Gods handelt met de zijnen alleen door den Heiligen Geest, die ook de genade des Vaders en de liefde des Zoons voor zijn arm kind ontsluit. Zooals het drievuldig Wezen Gods in zijne verhouding tot en werkzaamheid in de schepping en onderhouding aller dingen steeds arbeidt door de inwoning des Heiligen Geestes, die daarin al wat in het eeuwig Woord besloten ligt, verwezenlijkt, op het gezag des Vadera, zoo is het ook in elk van Gods kinderen de Heilige Geest, die alleen zaligmakend werkt. In al hunne levenservaringen, in hun gebed, in alle worsteling van geloof en hoop, in allen drang der liefde hebben zij steeds van doen met de Persoon van den Heiligen Geest.
Voor zijn aangezicht staan zij en door en in Hem ontsluit zich Gods aangezicht in Christus voor ons.
Als er dan ook van verborgen omgang met God sprake zal zgn, dan is daarvoor in de eerste plaats noodig het geloof in den Heiligen Geest. Gods kinderen be hoeven voor alles levend geloof in Hem, geloof om zich Hem te onderwerpen. Dit s daarom van zoo hoog gewicht, omdat r de gecondheid en de waarheid van ns geestelgk leven van afhangt. In het eestelijk leven heerscht dikwgls zooveel erbeelding en inbeelding, waarbij de eigen geest in de plaats treedt van Gods Geest, de werkingen van ons gevoel de plaats innemen van hetgeen alleen Gods werk kan zijn. Wie zal zeggen, hoeveel zelfmisleiding er in dit opzicht wordt gevonden, hoeveel, dat maar eenschoonen schijn heeft, waaraan alle werkelijkheid ontbreekt. Wie geen vreemdeling is op hetgeen er in sommige kringen en door sommige menschen als bevindelijkheid wordt aangeprezen, die weet, dat er maar al te veel voor bevinding wordt uitgegeven, dat niets anders is dan vrucht eener ziekelijke phantasie, of ook vrucht van napraten, vrucht van hetgeen anderen hebben doorleefd en genoten, maar waaraan hij die er orer spreekt, nooit levend deel heeft gehad. liet geloof in den Heiligen Geest en in zijne leidingen is onmisbaar voor het ware, echte geestelijke leven. Want de Geest alleen is de werkmeester van alle goed, van alle levensvrucht en zonder Hem zal nooit iemand iels genieten kunnen. Daarom woont Hij juist in de harten zijner kinderen, opdat Hij hen trooste en geve van het brood, dat uit den hemel is nedergedaald. En daarom is het geloof de zielsdaad, die uitgaat naar, de ziel zich doet uitstrekken tot de gemeenschap met Hem. ,
Dat geloof in den Heiligen Geest snoert ons vast allereerst aan de waarheid, die Hij openbaarde. De Heilige Geest laat als eene samengroeiïng tusschen de zielen van Gods kindereu en het Woord van God worden. Daaruit komt dan ook op dat opgaan in en dat zich onderwerpen aan het goddelijk Woord, dat gesproken en geschreven werd door de heilige mannen Gods, onder de innerlijke aandrift van den Geest. Daarom ligt dan ook Gods kind vast aan het Woord, staat het onder de tucht van het Woord en verwerpt het alles, wat strijdt met het Woord. Niet genoeg kan daarop in onzen tijd de nadruk worden gelegd, nu er zooveel is, dat wordt aangediend onder schoonen schijn, onder vromen schijn, onder den naam van gereformeerd zelfs, dat gewrocht is van 's menschen eigen geest en geheel los staat van en naast het Woord. Daaraan en daarin ontbreekt altijd het werk en de Persoon van den Heiligen Geest en het is slechts de vrome leugen van het bedriegelijk zondaarshart, dat ook uiterst vroom zich kan voordoen, vromer gewoonlgk dan het echte kind van God. Het echte kind Gods onderscheidt zich altijd door den eenvoud van zijn leven en is wars van alle opgeschroefdheid en overdreven narigheid, hoe diep het ook wordt ingeleid in de kennis van gerechtigheid en oordeel.
Echt geestelijk leven is zonder kunstmatigheid, zonder al de schrille vormen, waarin de namaak uitmunt. Het is nauw verbonden met Gods Woord, omdat het nauw verbonden is met den Heiligen Geest. Het gelooft in den Heiligen Geest en daarom leeft het uit en door het Woord. Het echte kind Gods gaat op in de waarheid des Woord». Daarom gelooft het in dat Woord. Zonder geestelijk leven heeft niemand vat op het Woord, maar omgekeerd kan het ware geestelijke leven niet zonder het Woord. De Persoon de» Heiligen Geestes openbaart het juist aan Gods volk als een levend en krachtig Woord. Door het geloof in den Heiligen Geest wordt Hij dan ook versterkt in de onderwerping en de gehoorzaamheid aan het Woord. En krachtens dat zelfde Woord is er dan ook eene verheerlijking des Geestes in het leven in en naar alles, wat Hg zelf ons heeft geoponbaard.
Zoo is er volgens het Woord een wachten op den Geest, als Gods kind de behoefte gevoelt aan levendmakende daden, ean bidden om den Geest, als het sielsverkwikking noodig is. En in dat wachten is de verheerlijking, wijl er de belgdenis in ligt uitgedrukt, dat ©r zonder den adem des Geestes geen leven bij ons wezen kan. En in die belijdenis klinkt de eere en de lof van dien Geest, die de bron van alle ademtocht der ziel is. In het leven van Gods kinderen kan er soms zulk een heimweevol uitzien wezen naar zijne aanblazing. Zooals de schipper niet kan varen zonder dat de junstigê winden waaien en nu maar al uitziet naar den hemel, of zich daar niet de ieekenen voordoen, die verandering spellen van wind, zoo wordt het aan Gods kinderen waarheid, dat zij met den dichter zingen: „mijne ziel wacht op den Heere, meer dan de wachters op den •morgen, de wachters op den morgen."
Er kan een diepe stilte varen door hun gemoed, waarin zich dat wachten openbaart, een wachten waarin de sprake des geloofs is, dat rust in de gemeenschap met den Heiligen Geest. Dan is er de blijmoedigheid en de vrede, omdat er het zalige "vertrouwen leeft, dat de Heere zal opstaan om zich over zijn kind te buigen met al de teederheid Zijner ontferming en de liefelijkheid, " die Hij kan doen uitstroomen over het gemoed, dat op Hem hoopt. Zoo is er eene verheerIijking van Gods Geest, die Hem toekomt uit zijn eigen werk. Al het leven van Gods kinderen is een leven des geloofs, dat is altijd zulk een leven, waarin de mensch afziet van zichzelven om op te zien tot Hem, in Wien de mensch zichzelen verliest, om Hem te vinden, en zijn nood prijs geeft om het leven uit Hem te ontvangen. En dat zet zich nu voort in alle levensuiting, in al het werk van den Geest. Als ons de eerste Christengemeente geteekend wordt, zooals zij de opstandingskracht van Christus openbaart in de eenheid der menigte, die één van ziel en één van hart is, zoodat zij verschijnt als één lichaam, waarin vele leden zijn, die toch allen het ééne lichaam dienen en allen lijden als één lid Igdt, dan laat zij dat God verheerlijkend licht schgnen in de wereld als een licht van Gods Heiligen Geest. En als dan een Ananias komt met een schijnleven, een schijnwerk en schijn van godzaligheid, dan wordt dat bestraft als een Satanswerk, wijl het is „den Heiligen Geest liegen".
En als dan zijne vrouw komt en ook zij den leugen zich niet schaamt, dan wordt het haar gezegd, dat 'zij heeft saamgestemd in het „verzoeken van den Geest des Heeren", De apostel spreekt daar dus niet van een liegen tegen God, maar uitsluitend van een liegen tegen den Heiligen Geest. Het was de innerlijke verleugening van het geestelijk leven en daarmede de diepste onteering van den Heiligen Geest, die dan ook op de aangrijpendste wijze wordt gestraft. Dien zeifden Heiligen Geest, dien Ananias en Saphira hadden moeten verheerlijken in de overgave hunner harten in waarheid, onteerden zij door den leugen, die zich in hunne handeling openbaarde. Het was de bezoedeling van zijn werk, de ontkenning zijner alwetendheid, zijner alomtegenwoordigheid, zijner inwoning in het lichaanf dea Heeren en daarmede de verdonkering van heel zijn werk door menschen, die den schijn hadden en hebben wilden, dat zij leefden en die toch innerlijk dood waren, die een gedaante van godzaligheid hadden, maar de kracht daarvan hadden verloochend.
In het ware kind Gods is geloof in den Heiligen Geest, die in alle zijne leidingen bemoeienis van liefde en genade, van goedertierenheid en ontferming maakt met zgn volk.
Het geloof in Hem leert Gods kinderen zijne liefelijkheid aanschouwen in allen weg, waarlangs zij geleid worden. Ja, er is meer teederheid des ontfermens, die van Hem in ons leven uitgaat, dan wij meestal vermoeden en beseffen. En wij zijn niet in staat het alles op te merken, wat Hij voor ons doet. Hij is de Trooster veel meer en veel machtiger dan wij denken, Zelfs is het niet zeldzaam, dat wij voorbijgaan aan wat toch werkelijk een vertroosting des Heiligen Geestes is. Dan bedroeven Gods kinderen Hem, door niet te letten op de wonderheid der eeuwige liefde, die de Geest gemeen heeft met Vader en Zoon. Dan gaan zij voorbij aan zgne weldaden, maar dan brengen zij Hem ook niet de eere, die Hem toekomt. En daarom is er dan een bedroeven van den Geeit, gelijk dit vooral voorkomt, als zijne roep tot bekeering en zijne aanmaning, die Hij van binnen in de ziel ons toefluistert, door ons onopmerkzaam wordt voorbggegaan en niet wordt gehoord. Waarlijk, er is reden te over dat Gods volk zich ook daarover verootmoedigt, dat het niet genoegzaam acht geeft op de vertroostingen van Hem, die als de Trooster bij uitnemendheid meer begeerig is ons te vervullen met zijne geestelijke gaven, ons te doen wandelen in het licht zijner goddelijke liefde, ons te doen smaken die zalige blijdschap van het kindschap Gods, als wij begeerig zijn deze kostelijke heilsgoederen te ontvangen. In alles wat Gods volk ooit genieten mag uit den stroom van levensgaven is het werk, is de genade, is de liefde van Gods Heiligen Geest, die daarom de Trooster van een ellendig volk wil en kan zgn, omdat Hij met den Vader en den Zoon is de Drieëenige, Wien alle eer en dankzegging toekomt, wijl Hij is die God, waarvan de apostel ons gepredikt heeft: „want God is liefde."
XXX
Hét is mij eene behoefte langs dezen weg mijnen diepgevoelden dank te brengen aan allen, die niet hebben willen nalaten mij van hunne hartelijke belangstelling te doen blgken bij gelegenheid der herdenking van den dag, waarop ik voor 25 jaren den dienst des Woords aanvaardde. Hoewel ik er de voorkeur aan gaf in deze aangrijpende tijden dien dag onopgemerkt te laten voorbijgaan, hebben toch velen getuigenis willen afleggen van hunne waardeering voor mijn persoon en arbeid.
Velen vertolkten die op treffende en roerende wijze door mij te spreken van den zegen Gods voor hun leven in en onder dien arbeid ervaren.
Inzonderheid gevoel ik mij gedrongen tot een woord van dank aan de meer dan zeventig Dienaren des Woords en andere broederen, die mij dezen dag des gedenkens tot een onvergetelijken dag hebben gemaakt door hun monumentaal geschenk, alsook aan de vele andere broederen, die mij met de teekenen hunner sympathie hebben verblijd. De Heere vervulle alle goede woorden aan mij gericht.
Broeders, God zegene U allen in Uwe bediening en in Uw huiselijk leven en sterke U met de wetenschap, dat Hij in de moeilijkheden, die de strijd onzer dagen ons allen leert kennen, ons beschikt heeft de gemeenschap der heiligen, gelijk ik ' Hem danken mag, dat Hij mij in zooveler ' genegenheid daarvan heeft doen smaken.
Utrecht, 24 Maart 1916. H. VISSCHER.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 maart 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 maart 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's