De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichteijjke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichteijjke overdenking.

17 minuten leestijd

En Jezus zich tot haar keerende zeide: ij dochters van Jeruzalem, weent niet over Mij, maar weent over uzelve en over uwe kinderen, Lukas 23:28.

De weenende vrouwen.

Zoo werd dan de lijdende Borg geleid op den weg van Gabbatha naar Golgotha. Dat is de via dolorosa, de weg der smarten geweest.

O, misschien hebt gij in uw leven ook wel eens smartelijke wegen bewandeld, wegen die gij nimmer vergeten zult vanwege het zware kruis dat gij te dragen hadt, maar op zulk een smartelijker) weg als de kruisweg van Christus is zeker noch door u noch door mij ook maar één voetstap gezet

Daar gaan zij met den veroordeelden Jezus in hun midden. Pilatus heeft eindelijk maar aan hun eischen voldaan. Nadat de Joden de verantwoordelijkheid van zijn snoode daad hebben op zich genomen, heeft de Stadhouder het doodvonnis over den Man van smarten geveld; en zoo wordt Jezus dezelfde stad, die Hij onder het zingen van Hosanna's was - binnengetrokken - als - een.-eerlooze misdadiger uitgeleid.

Is het wonder dat een gansche schare schare van volk van deze terechtstelling getuige wil zijn?

Onder die schare nu zijn blijkbaar ook vele vrouwen geweest. En nu mag het in de eerste plaats als een wonder van genade worden aangemerkt dat Jezus deze weenende vrouwen op den kruisweg heeft aangesproken.

En Jezus zich tot haar keerende. O, hoe bleek de Heiland daarbij de medelijdende Hoogepriester te wezen, die medelijden had met de zwakheid van anderen en die ook in Zijn zwaarste lijden nog over het lijden van anderen is bewogen geweest.

Neen, bij ons menschen is dat in den regel zoo niet. Met waar, als wij zelf in lijden zijn en inzonderheid als dat lijden dan wat ernstig is, dan bekommeren wij ons gewoonlijk niet over het lijden van anderen; dan hebben wij met onze eigen smart zooveel te stellen dat er vaak over de smart van onze beste vrienden en liefste betrekkingen weinig of niét wordt nagedacht. Het eigen leed wordt door ons menschen altoos het diepste gevoeld.

Hoe geheel anders echter is dat met Jezus geweest. O, wij weten dat er geen, smart was als Zijne smart, dat hier op aarde nooit iemand geleden heeft wat Hij heeft doorstaan. Zou het dan zoo te verwonderen geweest zijn wanneer Jezus de weenende vrouwen op den kruisweg in haar tranen had laten wegsmelten en wanneer er in Zijn zwaarste lijden geen enkel woord van deernis over Zijn lippen gekomen zou zijn? Is het dan niet veeleer een wonder dat Jezus zich nog tot deze vrouwen gekeerd heeft? En wordt dat wonder niet grooter als wij denken dat Hij zich juist tot/iaar heeft gekeerd ?

Immers daar waren er zoovelen tot wie Jezus zich op dien weg niet heeft gekeerd, en waarom nu tot deze vrouwen wèl?

O, zegt ge misschien, dat begrijp ik wel, dat was omdat die vrouwen weenden en Hem beklaagden. Het weenen der vrouwen is dus de oorzaak van het spreken van Jezus geweest. En toch, als gij dat zegt, dan begrijpt gij het niet.

Wel zoudt ge kunnen zeggen dat het weenen der vrouwen de aanleiding was tot het spreken van Jezus, maar de reden, de oorzaak daarvan was het in geen geval.

Die oorzaak hebt gij elders te zoeken, en wat dunkt u, zou die oorzaak dan niet enkel de vrije genade Gods zijn geweest ?

Neen, gij moet niet meenen dat die weenende vrouwen de aanspraak van Jezus waardiger waren dan die vloekende soldaten en die scheldende ouderlingen.

Gesteld eens dat de legende waarheid bevatte, dan was Veronica, die met haar zakdoek het gelaat van den Heiland zou afgewischt hebben, in zichzelf toch niets beter geweest dan de wandelende Jood, die den Heere van zijn deur zou hebben geschopt. En zoo ook moet gij niet meenen dat de weenende vrouwen het zich door haar tranen waardig hadden gemaakt om door den Heiland aangesproken te worden. Integendeel, evenmin als het vloeken en schelden der mannen kan ook het weenen der vrouwen als zoodanig den Heere bewogen hebben, De eenige beweegreden, die de Heere tot al Zijne daden heeft, en dus ook tot deze daad gehad heeft, is Zijn vrij machtig welbehagen. Het was Zijn vrije gunst, dat Hij, met voorbygang van zoovele anderen, zich - juist.tot-deze vrouwen heeft gekeerd.

En Jezus zich tot haar keerende. O wonder van genade, dat daar alleen in die woorden reeds besloten ligt.

Maar hoe dikwijls heeft diezelfde lijdende Jezus zich nu ook al gekeerd tot u en tot mij? O zeker, persoonlijk hebben wij den Heere nimmer aanschouwd; met onze lichamelijke oogen hebben wij dat Hoofd bedekt met bloed en wonden nergens gezien. Maar heeft de Heere zich niet tot ons gekeerd door middel van Woord en Sacrament? Hebben wij het teeken en zegel van 's Middelaars bloed niet aan ons voorhoofd ontvangen? Zijn wij in den driemaal heiligen Naam des Heeren niet gedoopt, en is wellicht ook onze opvoeding daarmee in overeenstemming geweest? Hoe vaak is het lijden van Christus ons al niet voor de oogen geschilderd geworden? In dien zin heeft de lijdende Christus zich immers ook tot ons al zoo menigmalen gekeerd

En neen, nu moeten we niet meenen, dal als de Heere ons nog heeft geschonken wat Hij aan zooveel anderen onthield, dat dan was om iets dat in ons evonden zou worden. Integendeel, dat de Heere zich in zoo menig opzicht tot ong keerde, het was waarlijk niet om onze waardigheid; het was niet omdat ij misschien wel eens tranen geschreid hebben of omdat wij zoo vol belangstelling waren, of omdat wij misschien wel eens dit of dat gedaan hebben. Integendeel, evenals het zich keeren van Jezus tot de vrouwen, zoo is ook het zich keeren van Jezus tot ons niet anders geweest dan een vrucht van Zijne vrijmachtige genade. De Heere ' ontfermt zich diens Hij wil en Hij verhardt dien Hij wil. Ziet daar de diepste grond dat Jezus door de bediening van Woord en Sacrament ons nog boven zoooveel anderen bevoorrecht heeft,

En Jezus zich tot haar keerende zeide: gij dochters van Jeruzalem. Eigenaardige naam waarmee Jezus deze weenende vrouwen heeft aangesproken.

Dochters van Jeruzalem! Die naam was een eerenaam. Jeruzalem immers was de stad des grooten Konings en die stad wordt hierjoorgesteld als de moeder waaruit zij geboren wfej^ï" on waarmee zij dus stonden in de allernauwste betrekking. Nu weten we van hoe geheel eenige beteekenis die stad Jeruzalem was voor Israels volksbestaan. Jeruzalem toch was de plaats van den tempel, de plaats van de ark des verbonds. Jeruzalem was dus de stad waar de Heere woonde in het midden Zijns volks. Als zoodanig was die stad Jeruzalem een gepast zinnebeeld van de Kerk des Heeren van het Nieuwe Verbond. Vandaar dat de apostel Paulus dan ook spreekt van het Jeruzalem dat boven-is, hetwelk is, zegt hij, ons aller moeder.

Wanneer de Heiland de weenende vrouwen dus dochters van Jeruzalem noemt, dan is dat om haar te herinneren aan het hooge voorred it waarin zij niet slechts boven de heidenen, maar ook boven de andere steden Israels deelen mochten.

O, wat een machtige sprake ging er van die stad Jeruzalem uit. Hoe werd iedere Israëliet daar meer dan elders herinnerd aan de groote daden die de Heere van ouds had gedaan, „'k Zal gedenken hoe voor dezen, ons de Heer' heeft gunst bewezen." Daar was nergens meer stof om dat woord op de lippen te nemen, dan wanneer men de poorten van deze Godsstad was binnengegaan.

Vandaar ook de blijdschap die gansch Israël vervulde wanneer het met eenparige stem kon gezongen:

Jeruzalem dat ik bemin. Wij treden uwe poorten in.

Gevoelt gij nu welk een voorrecht, welk een eer er in lag om van die stad Jeruzalem een dochter te zijn ?

Gij dochters van Jeruzalen, maar wat dunkt u, zou diezelfde naam zonen en dochteren van Jeruzalem ook niet op ons van toepassing kunnen zijn ?

Immers ook wij zijn niet geboren in een heidenland, maar in den kring van Gods genadeverbond. Het teeken en zegel van dat verbond hebben wij aan ons voorhoofd ontvangen. In onzen doop dragen wij het zinnebeeld dat wij in de Kerk des Heeren zijn ingelijfd, en zoovelen hebben het, tot onderscheid van jaren gekomen, voor God en Zijne gemeente beleden dat zij den bloei der Kerk zullen bevorderen, en dat zij des zins en willens zijn den Heere in voorspoed en tegenspoed, in leven en in sterven getrouw te volgen, gelijk aan Zijn ware belijders betaamt.

En gelijk er nu van Jerzalem en zijn tempel een machtige sprake uitging tot lederen Israëliet, zoo behoort er ook voor de Kerk des Heeren, als van het geestelijk Jeruzalem een sprake uittegaan tot ieder die als zoon of dochter van die Kerk kan aangemerkt worden. O, ik weet wel dat zoovelen inzonderheid in onze tegenwoordige dagen dat niet meer verstaan, en dat er zelfs in sommige kringen een ^ streven is om alle kerkelijke lijnen weg te doezelen, en alle Verbondsgedachten te niet te doen. Vandaar ook dat bij deze uitslijting van alle kerkeligk besef de Kerk zelf hoe langer hoe meer gedeeld, gescheurd en verbrokkeld gaat worden.

Maar ik weet ook dat al zulk streven door het Woord des Heeren geoordeeld ligt. Wij moeten wel terdege een oog hebben voor den eerenaam dien wij dragen, voor het voorrecht dat wij geniéten als leden van een Kerk waarin krachtens haar belijdenis het licht nog op den kandelaar staat. En daarom moch­ ten wij niet doof zijn voor de stem die daar van dat ^gij dochters van Jeruzalem" uitgaat ook tot u en tot mij. De daad van het zich keeren van Jezus was een wondere daad. De . naam die Jezus aan de vrouwen gaf was een eerenaam.

Maar zou de daad van Jezus de gewenschte vrucht kunnen dragen en zou die schoone naam nog iets anders dan een ledige klank blijken te zijn, dan zouden de weenende vrouwen op den kruisweg moeten leeren waartoe de Heiland hen vermaant; weent niet over Mij, maar weent over uzelf en over uwe kinderen.

Weent niet over Mij. Wanneer de Heere dit zegt, moeten we niet meenen dat Jezus voor de tranen van deze vrouwen gansch ongevoelig is geweest. Integendeel, temidden van alle hardheid en wreedheid waaraan Hij ten prooi was, moet het veeleer voor zijn menschelijke natuur een verkwikking zijn geweest, dat er althans bij deze vrouwen nog eenige deernis bestond.

Wanneer een mensch onder het leed dat hij anderen ziet lijden niet verhard, maar veeleer verteederd wordt, dan mag ook dat als een vrucht van genade, zij het., pok als een„vrucht van Gods algemeene genade, beschouwd. Nu weten we dat hét hart van de vrouw in den regel teerder besnaard is dan dat van den man, en dat een traan uit deernis geschreid in het oog van een vrouw geen zeldzaamheid is. Ja, welke vrouw heeft zich nooit dermate door het leed van anderen aangegrepen gevoeld, dat zij de tranen van haar gevoel wel niet eens den vrijen loop heeft gelaten?

Vandaar dat de tranen van de weenende vrouwen zoo begrijpelijk zijn. Als mensch kunnen wij er zoo goed inkomen dat deze vrouwen tot schreiens toe bewogen waren. Het kon, zouden we zeggen, niet met drooge oogen worden aangezien dat lijden dat de Man van smarten hier leed. Zelfs het hart van een man zou er onder bewogen zijn geworden, en hoeveel te meer dan het gewoonlijk zooveel fijner voelende hart van een vrouw!

En nu lezen we niet dat de Heiland, die dat natuurlijk, met Zijn volmaakt menschelijke natuur, zoo uitnemend begreep, deze weenende vrouwen heeft afgewezen, maar we lezen wel dat Hij ze heeft terecht gewezen. Neen, de Heere Jezus doet niet, zooals wij menschen in den regel doen, n.l. iets dat we niet heelemaal goedkeuren, maar dadelijk heelemaal verwerpen. Niet waar, dat doen de menschen zoo vaak ? Vooral wanneer op geestelijk gebied iets niet beantwoordt aan al de eischen die wij daaraan stellen, dan zijn wij er vaak aanstonds met ons onbarmharlig oordeel bij om er niets van over te laten.

De Heere Jezus doet echter zoo niet.

Integendeel, Hq weet dat de tranen van deze vrouwen de rechte niet zijn, en dat het andere tranen moeten worden. Hij weet dat het tranen zijn zooals zij door het kind der wereld ook geschreid kunnen worden. Maar wat zegt de Heiland nu? Zegt Hij soms: houdt met weenen maar op, want uw droefheid is toch maareen droefheid naar de wereld, waarvan de dood het einde zal zijn? Neen, niets van dat alles. Integendeel, dat zij weenen is goed, en daarom weent maar voort, wil Hij zeggen, maar de bron waaruit uw tranen opkomen moet een andere zijn. Weent niet over Mij, maar weent over u zelf. En niet slechts zij zelf, maar oök, hun kinderen mochten wel een voorwerp van diepe deernis wezen.

Over u zelf en over uwe kinderen, O, hoe blijkt hier uit dat ook de Heere Jezus ons leert dat er ook in geestelijke dingen zulk een nauw verband tusschen ouders en kinderen bestaat. Neen, het is niet de eerste maal dat ons de Schrift hier op wijst, In het 2e gebod van Zijn Heilige Wet had God reeds de bedreiging gegeven dat Hij de misdaad der vaderen zou bezoeken aan de kinderen, aan het derde en vierde lid dergenen die Hem haten, terwijl Hij daartegenover ook barmhartigheid zou doen aan duizenden dergenen die Hem liefkebben en Zijne geboden onderhouden.

De misdaad der vaderen wordt dan ook niet zelden aan de kinderen en kindskinderen bezocht. De Joden hadden daar zelfs een oog over gehad toen zij voor Pilatus geroepen hadden: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.

En op die bloedkreet der mannen heeft Jeius nu aan deze vrouwen het antwoord gegeven. Weent over u zelve en over uwe kinderen, want Mijn bloed, wil de Heere zeggen, komt straks als een bloed der wrake over u en over uw zaad.

Ja. dat was de reden waarom deze dochters van Jeruzalem weenen moesten over zich en over hun kroost, In bijzon-' deren zin lagen zij onderworpen aan het oordeel, aan het doemvonnis des Heeren,

In de volgende verzen wordt haar nader aangewezen hoe dat oordeel zóó ontzettend zou wezen dat men zou beginnen te zeggen tot de bergen: valt op ons en tot de heuvelen: bedekt ons.

Maar wat dunkt u, zou dat niet de reden zijn waarom diezelfde tranen waartoe Jezus hier deze vrouwen vermaande, ook voor ons noodzakelijk zijn?

Neen, een schreien over het leed van anderen is ook voor ons niet genoeg; gevoelstranen over het lijden van den Man van smarten zijn ook voor ons niet voldoende. Alle .aandoenlijkheid is volstrekt geen bewijs van zaligmakend geloof. Over on^ zelf en over onze kinderen zal daar ook door ons getreurd en geweend moeten worden.

Immers ook wij liggen van nature onder de oordeelen Gods, Hét schijnt wel alsof de kindereu van ons geslacht, evenals de Joden van Jezus' dagen, aan een bijzonder oordeel onderworpen zijn. Bange tijden toch worden door ons beleefd. Door oorlogen en geruchten van oorlogen wordt de wereld als nooit te voren beroerd, Hoe lang heeft de donder van het geschut uit de verte ons oor al bereikt? En 't is waar, nog zijn de kinderen van ons volk gespaard gebleven, maar wie zegt welk nog het einde zal zijn? Wie spelt ons of het „zalig zijnde onvruchtbaren" straks ook binnen onze grenzen niet vernomen zal worden, en of ook wij straks niet begeeren zullen door de bergen en heuvelen te worden bedekt? En ook al blijven wij van de bijzondere oordeelen des Heeren als oorlogen en aardbevingen, hongersnooden en pestilentiën verschoond, dan nog ligt ieder mensch van nature onderworpen aan het oordeel Gods over de zonde, waaraan zonder verbrokenheid des harten geen ontkomen zal zijn.

Ja, iedere zoon en iedere dochter van Jeruzalem, ieder lid van Gods Kerk is van nature een verloren zondaar die onder het recht des Heeren voor eeuwig verloren moet gaan. En ziet, daarover zal nu door de werking des Heiligen Geestes een waarachtige droefheid in onze ziel gewerkt moeten worden, dat wij den Heere door onze zonden vertoornd hebben en dat wij er dus zelf de oorzaak van zijn dat Christus dat zware kruis heeft gedragen en dat Hij al die schande heeft veracht.

Wij ên onze vaderen, wij én onze kinderen, wij hebben gezondigd, wij hebben overtreden, wij hebben verkeerdelijk gehandeld, wy hebben goddelooslijk gedaan. De doornenkroon die Christus gedragen heeft, hebben wij Hem gevlochten. De geeseling die Hij ondergaan heeft hebben wij Hem aangedaan. Het kruis dat Hij getorst heeft, hebben wij Hem opgelegd. De spijkers waaraan Hij werd vastgeklonken hebben wij Hem door handen en voeten gedreven. De dorst die Hij heeft geleden hebben wij Hem veroorzaakt. De edik dien men Hem heeft te drinken gegeven, hebben wij Hem bereid. In één woord: Hij is om onze overtredingen verwond; om onse ongerechtigheden is Hij verbrijzeld geworden. Ziet, als wij daar door genade iets van verstaan, dan is ons hart niet langer bewogen over Hem, maar dan is het verbroken over ons zelf en over alles wat met ons in betrekking staat.

Weenen over ons zelve en over onze kinderen, dat doen we eerst dan, als we bij Geesteslicht gezien hebben dat wij met al het onze, ja dat wij met de gansche wereld verdoemelijk nederliggen voor God. Maar zulke tranen zijn dan ook een zaad dat niet nalaat op Gods tqd vruchten te dragen. Die met tranen, met zulke tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.

De tranen des gevoels, zooals de dochters van Jeruzalem die schreiden en zooals de mensch dezer wereld, die niet van alle gevoel ontbloot is, die zoo menigmaal schreit, blijken altoos onvruchtbaar te wezen. Even spoedig als zij opwellen, zijn zij vaak ook weer gedroogd. Met de gevoelstranen is het als het eenmaal was met den onvruchtbaren vijgeboom die wel bladeren, maar geen vruchten droeg.

Schrikkelijk wanneer dan ook over zulke tranen eenmaal de vloek des Heeren zal worden uitgesproken, want dan zal er aan het weenen en aan het knersen der tanden geen einde meer zijn.

En daarom, mocht de vermaning des Heeren tot de dochters van Jeruzalem gericht, ook door ons nog worden ter harte genomen: Weent niet over Mij, maar weent over u zelve en over uwe kinderen.

Gelukkig de mensch die aan het weenen geen vreemdeling bleef. Want weet ge waar dat weenen over zich zelf toe leidt ?

Ziet het aan Petrus; wij lezen van hem dat hij naar buitengaande, bitterlijk weende, maar "wij weten dat dat weenen hem terugbracht aan de voeten van lijn Heiland en dat het woord des Heeren op hem van toepassing bleek: Zalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden.

En zoo is het met allen die iets van die Petrus'-tranen verstaan, die het met den dichter van Psalm 38 moeten uitroepen: 'kBen vanwege al mijn zonden, die mij wonden, vol van kommer en verdriet. O, dat dezulken het bedenken mochten dat zij te doen hebben met een God die in het werk van den gekruisten Middelaar den treurigen Zions beschikt heeft dat hun gegeven worde sieraad voor asch, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwden geest.

Een iegelijk die van dat heilgeheim iets heeft leeren verstaan, hij kan er met den dichter van zingen:

Gij hebt mijn weeklacht en geschrei Veranderd in een blijden rei; Mijn zak ontbonden, en mij weer Met vreugd omgord, opdat mijn eer Niet zwijg'. Zoo klimt Uw lof naar boven, Mign God, U zal ik eeuwig loven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 april 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichteijjke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 april 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's