De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers,

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers,

5 minuten leestijd

Kerk en Staat.

We knippen uit „de Nederlander" van 8 April het volgende verslag:

„Voor de afdeeling Leeuwarden der Christ. Hist. Unie trad Donderdag 6 April 's avonds 8 uur in het vergaderlokaal Groote Hoogstraat te Leeuwarden op Mr. L. J. van Apeldoorn, advocaat en procureur te Leeuwarden, met een rede over: „Kerk en Staat."

Nadat de Voorzitter der afdeeling, de heer Kuiper, de vergadering had geopend met gebed en het leien van Ps. 2 (onberijmd), werd het woord gegeven aan Mr. van Apeldoorn.

Spr. begint met uiteen te zetten, dat 't verschil 't welk zich in den boezem der Chr. partijen ten aanzien van 't vraagstuk van de verhouding van Kerk en Staat openbaart minder groot zou zijn, indien men meer in 't oog hield 't onderscheid tusschen 't geen op zichzelf wenschelijk en 't geen in den bestaanden toestand der maatschappij mogelijk is. Men kan wel een theorie omtrent de verhouding van Kerk en Staat opstellen geheel naar zijne wenschen en persoonlijke inzichten; men kan daarvan desnoods ook een artikel maken in zijn geloofsbelijdenis, maar men schrijve haar niet in zijn staatkundig program. In de staatkunde hebben wij rekening te houden met den bestaanden toestand, dien wij niet onderst boven kunne keeren. Vooidat Spr. wil behandelen de kwestie, welke d© verhouding van Kerk en Staat moet zijn, zal hij dan ook trachten een antwoord te geven op de vraag, welke die verhouding is. Ook deze vraag is in tusschen makkelijker gesteld dan beantwoord. Ook hier hebben we rekening te houden met de continuïteit in 't rechtsleven. De verhouding van Kerk en Staat gelijk die is, laat zich niet begrijpen zonder een onderzoek naar wat ze was.

Spr. behandelt dan de verhouding van Kerk en Staat vóór 1795, toen de Overheid aan de hand van de H. S-uitmaakte, welke religie de ware was. Alleen de Geref. religie werd erkend als de ware religie; de Geref. Kerk als de Chr. Kerk. Zij genoot de bijzondere bescherming der Overheid ; haar .bouwmeester" en haar „voedsterheer." Al werden later ook andere gezindheden erkend, de Geref. Kerk bleef de publieke Kerk.

Met de revolutie veranderde dit alles. Niet de H. S. was nu richtsnoer, maar de menschetijke Rede. En deze verklaarde de Overheid onbevoegd om uit te maken, welke religie de ware was. Spr. zet uiteen hoe dit beginsel leidde tot wat men noemde: scheiding van kerk en staat.

Maar 't was niet zoo gemakkelijk om met 't verleden te breken. Al spoedig kwam de reactie tegen de echeidingstheorie. Zoo reeds in de Staatsregelingen van 1801 en 1805, maar vooral in de practijk. De Constitutie van 1806 kende een vérgaande inmenging van den Staat in de kerkelijke aangelegenheden. De Grondw. van 1814 gaf zelfs weer een bevoorrechte positie aan de Herv. kerk. In 1815 veranderde dit weer. Ook bedoelde men toen inmenging der regeering in de inwendige aangelegenheden der kerk uit te sluiten, waarvoor de Grond wet van 1814 ruimte scheen te laten Niettemin heeft Willem I o.a. de Herv

Kerk georganiseerd, in strijd met de Grondwet. Later trok de Staat zich terug en leverde de kerk over aan zijn creatuur de Synode.

In 1848 wilde men inmenging van de regeering in de inwendige aangelegen heden der kerk geheel onmogelijk maken Thorbecke wilde dat bereiken door de kerk op één lyn te stellen met een partic. vereeniging. Dit noemde hij scheiding van kerk en staat. Dat beginsel is niet met zoovele woorden in de Grondwet neer gelegd, maar heeft in de practijk wel degelijk invloed geoefend, gelijk spr. uitvoerig aantoont.

Verder wilde men in 1848 't beginsel van Staatsonthouding, dat op economisc-h gebied als hoogste wijsheid gold, ook toepassen ten aanzien van den godsdienst. Consequent doorgevoerd is dit echter niet, gelijk blijkt uit art. 168 (nu 171) der Grondwet. Ook hier deed zich de macht van 't verleden gelden.

Spr. zet dan uiteen, dat de scheiding van kerk en staat, geliijk men die in 1848 wilde, in werkelijkheid neerkomt op onderwerping van de kerk aan den staat. De kerken zijn als particuliere vereenigingen wel vrij van de inmenging devregeeriug, maar zij zijn geheel afhankelijk van den wetgever.

De kerken mogen niet op één lijn gesteld worden met particuliere vereenigingen, maar móeten behandeld als instellingen van eigen rechten. Hierover zijn de Christelijke partijen 't eens, gelijk spr. aantoont. Voorts moeten de kerken geheel onafhankelyk zijn in eigen kring, wat gemeen overleg van kerk en staat in „gemengde" aangelegenheden niet uitsluit.

Spr. behandelt hier 't stelsel van dr. Kuyper, die een „college van correspondentie" wil, welk denkbeeld van Kath. zijde (mr. Borret) instemming heeft gevonden. Ook zonder zoo'n college kan echter de kerk reeds grooten invloed oefenen op de wetgeving. Of zij 't ook werkelijk doen zal, hangt van haar zelve af.

Spr. staat ten slotte stil bij de financ. verhouding van kerk en staat; een teer onderwerp, dat men ternauwernood kan aanroeren zonder aan verdachtmaking bloot te staan. Velen die voor de financ. positie van de Herv. kerk alles scbijnen te duchten, van de A. R. en Gereformeerden, vergeten, dat het gevaar dreigt van geheel anderen kant. Laten zij 't Program der S. D. A. P. en der V. D. maar eens nalezen en verder bedenken, dat de U. L. en V. L. gewoonlijk varen in 't kielwater der radicale fracties. Men trachte liever met de A. R. tot overeenstemming te geraken, ten aanzien van dit punt, dan hen te verbitteren, gelijk in 1913, geheel zonder noodzaak, is, geschied.

Spr. behandelt dan nog kortelijk de vraag, of de staat de kerk ook financieel moet steunen. Hij meent die vraag bevestigend te moeten beantwoorden. i

Dit leerzame referaat gaf tot een broederlijke discussie aanleiding, waaraan de heeren E. Jansen, ds. v. d. Munnik en de voorzitter deelnamen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 april 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers,

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 april 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's