De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Op Golgotha

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Op Golgotha

13 minuten leestijd

Philipp. 2 : 8^-gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja den dood des kruises.

De sterren glansen slechts in het uachtelijk: duister. Als naar het woord des dichters de nacht aan den nacht zijne wetenschap toont, dan stralen zij allen heur eigen heerlijk licht uit en doen daarboven ons het firmament : schitteren in pracht. In.de donkerheid toont de hemel zijn heerlijk schoon. Zeker, hij is ook schoon als (Ie middagzon gloort aan den bl mwen koepel, maar veel rijker toch tooit hij zich in de eenzame stilte als de doorzichtige zwachtel van den helderen avond de aarde omvangt. Dan ontsluitende hemelen de verborgenheid hunner schatten en stemmen zij den mensch tot aanbidding van Hem, die al de hemelspheeren doorschouwt en alle sterren roept bij name, zoodat er niet ééne wordt gemist.

Zoo is het ook in het rijk der genade.

Gods kind geniet meer door uit zijne duisternis op te zieu naar het licht, schouwt meer heerlijkheid in de werken Gods naarmate het zelf zich kleiner en armer weet. De' lijdende Christus kan slachts gekend worden in zijne heerlijkheid en begeerlijkheid door wie zichzelven kende in zijne verlorenheid. Hij wordt dan ook daarom gepredikt bijzonderlijk in de lijdensweken, als de lijdende'Hoogepriester, opdat de gemeente met een schuld verslagen hart het oog zal richten op„Hem, die als haar Borg en Middelaar gedaan heeft, wat bij God te doen was om de zonde des volks te verzoenen.

In dat groote werk nu, zoo leert ons hier de apostel, was Christus gehioorzaam.

Reeds daaruit blijkt, dat Hij een taak volbracht, die Hem was opgelegd, eene taak, die in het bqzonder de Zijne was.

Uit dat oogpunt gezien is Hij een tegenbeeld van den eersten Adam. Ook deze had een taak te volbrengen, eene roeping Gods te vervullen, gelijk wij allen. De Heere schept niet doelloos. Alle werken Gods hebben eene bepaalde strekking, feitelijk heeft de gansche schapping en in die schepping elk schepsel maar ééu doel. De Heere riep liaar uit het niet, opdat zij de heerlijkheid van zijn Wezen zou openbaren. Elk schepsel moe'; zijn als een letter in het vlammend schrift van Gods majesteit en heerlijkheid, opdat de gansche aarde van die heerlijkheid vol zij. Zoo heeft ook de menschheid en elk meusoh afzonderlijk diexelfde hooge, heilige roeping, dat zijn gansche leven vertolken zal de heerlijkheid van Gods Wezen. Maar de mensch zal dit doen in overeenstemming met zijn hoogen aanleg.

De lagere scheppiog kan niet andere dan God verheerlijken. De hemelen vertellen Gods eer, niet omdat zij dit verkiezen, niet omdat zij dit willen, maar zij kunnen niet anders, zij wentelen zich van zelf naar den raadslag Gods.

Maar de mensch-als beelddrager Gods is bestemd om door eigen vrije keuze, door eigen levensdaad, de majesteit van den Schepper te verkondigen. In zijn gansche leven zal het van hem moeten gelden, dat hij eeuwig God kiest als sijnen Koning. De mensch zal zijn God verheerlijken door gehoorzaamheid. Bij hem kan er alleen van gehoorzaamheid sprake zijn. Hij alleen kan in onderscheiding van alle andere schepselen zich vrijwillig onderwerpen. En zijne hoogste bestemming is alzoo op te gaan in en onder den souvereinen wille Gods, dien te aanbidden in allen raadslag, in allen weg, dien Hij neemt, zoodat van ons kan gelden, dat wij met Hem in de eeuwige zaligheid leven om Hem te loven en te prijzen.

Tot gehoorzaamheid geroepen, is het levensdevies der menschheid, opdat zij daardoor hare God verheerlijkende bestemming zal bereiken. Het beeld Gods «al in haar uitblinken in den lichtglaus der gehoorzaamheid aan eigen levensroeping.

Maar dit nu is juist het ontzettende. In ongehoorzaamheid ging de menschheid onder. Zij snakte naar eene vrijheid niet in gehoorzaamheid Gods, maar naar vrijheid in de verwerping Zijner souvereiniteit. Wij willen niet, dat God Koning over one zijn zal. Laat ons de touwen van ons werpen en de banden verscheuren.

Dat werd de aandrift van een mensch, die opgaande in Gods souvereine majesteit waatlijk vrij zou wezen, maar in gewaande vryheidsdrang zich kluistert in de boeien van zelfzucht, van stof vergoding en satansmachten. Ongehoorzaam is.de menschheid en in die ongehoorzaamheid vergrijpt zij zich aan eigen ievenswet, aan eigen levensdoel, verzinkt zij moedwillig in de wateren van den dood. Zij wordt meegesleept door den stroom der ongerechtigheid, is een dienstknecht der zonde geworden.

In hare ongehoorzaamheid aan den eeuwigen Schepper, onderwerpt zij zich in gehoorzaamheid aan het juk der antigoddelijke machten.

Ongehoorzaam, dat geldt van gansch het menschheidsleven, van elk mensch in het bijzonder. Wie de wereld aanziet in haar woelen en woeden, in haar streven en trachten, in haar begeerlijkheid en zelfzucht, in haar oorlog en vrede, dien is het duidelijk, dat zij is overgegeven in haar ongehoorzaamheid aan een proces van geestelijke ontbinding en dood.

En wie zichzelven beziet, niet bij het licht van eigenwaan, wie zichzelven meet, niet met den valschen maatstaf van eigen inbeelding, maar in het licht van Gods Geest, maar voor den spiegel van Gods wet, wie zich meet met haren maatstaf, die geestelijk is, die zal verstaan, dat hij ook zelve is vleeschelijk en verkocht onder de zonde, dat hij met die. gansche menschheid voor God verdoemelijk.

In dat groote proces van geestelijken dood en ontbinding weet hij dan zichzelven betrokken. Hij zal zich kennen als een slaaf, als geboeid in de ketenen der geesten uit de diepte, als voortgezweept door den geesel eener begeerlijkheid, die zich altijd verder uitstrekt en waarvan getuigd kan, dat de arm des drijvers nimmer rusten zal. Als Gods Heilige Geest zijn lichtenden fakkel doet opgaan in den afgrond onzer zonde, dan wordt de werkelijkheid onzer verlorenheid aanschouwd, de diepte van een val in misdaad en zonde, en leert hij belijden, dat door de ongehoorzaamheid van éénen velen tot zondaars gesteld zijn. En onder die velen ook wij, gebogen onder de zelfkennis onzer verlorenheid. Ongehoorzame en bondsbreker is het karakter van den natuurlijken mensch. Ongehoorzaamheid is de staat van gansch ons geslacht. En indien er redding zal dagen, indien de zon des heils zal opgaan, dan zal het niet anders kunnen dan langs den weg der gehoorzaamheid. In gehoorzaamheid is leven, is verlossing, is opnieuw de onderwerping aan Gods majesteit, de erkenning zijner Souvereiniteit en ontvangt dus de Heere weder de eere, die de mensch Hem schuldig is. Maar die gehoorzaamheid kan ds menschheid niet brengen, want zij veronderstelt eene vrijheid, die de slaaf niet bezit en niet bezitten kan. En daarom zou haar niet anders resten dan eeuwig onder te gaan in den nacht harer zonde, dan altijd dieper weg te zinken in den poel des verderfs. Geen oog was er dat medelijden had, zelfs kent' de mensch geen medelijden met zichzelven. Zie maar in deze dagen van krijg, ' van verwoesting van verderf, hoe ver zich dit gebrek aan medelijden kan doorzetten, tot in den gruwelij ken dood van duizenden en duizenden, die worden opgeofferd aan den Moloch van den Mammondienst dezer eeuw. En zooals er geen medelijden is met betrekking tot het tijdelijk leven van zoovele medemenschen, ' zoo is er nog veel minder medelijden met' hun geestelijk, eeuwig leven. Nergens in' deze wereld zou er een schemering van' ontferming aanlichten, indien er in Gods Vaderhart niet vonkte van die wondere, eeuwige liefde Gods, die ons de profeet! heeft afgemaaid in de schildering der ontroering, die Hem aangrijpt bij de aanschouwing der zielen, die Hij gemaakt heeft, toen er geen voorbidder was. De Heere weet wat van Zijn maaksel te wachten is, hoe wij stof zijn en kleven aan het stof, hoe wij geene gehoorzaamheid brengen kunnen en hoe toch de mensch gehoorzaam zal moeten wezen. En daarom brengt Hem zijn arm heil aan en is er in den eeuwigen vrederaad Een, die als opstaat en belijdt: „Zie, Ik kom, Ik heb lust, o mijn God! om uw welbehagen te doen, en uwe wet is in het midden mijns ingewands." Immanuel komt. Hij gaat in onze natuur in, die Hij aanneemt. Hij wordt mensch, onzer ééu, ons in alles gelijk uitgenomen de zonde. En als de tweede Adam zal Hij als drager der menschelijke natuur die menschelijke natuur de gehoorzaamheid leeren brengen. De menschelijke natuur wordt in Christus gehoorzaam. Zij brengt in Hem al wat de Heere eischt. De wet Gods wordt door Hem vervuld in eene gehoorzaamheid, die voortgaat tot in de diepte des doods. In het kruis wordt zij voor ons tastbaar, zoodat, dan ook het kruis het middelpunt is van zijn werk.

In het aangrijpend mysterie op Golgotha wordt dat proces der gehoorzaamheid tot volkomenheid en rijpheid doorgezet. Want in het kruis volbrengt de Christus Gods wet in haar geestelijke diepte, zoodat dan ook altijd weder tot dien Gekruisigde de zondaar in de boeien zijner ongehoorzaamheid zal moeten opgaan om de vrijheid en de heerlijkheid van het kindschap Gods te smaken in de verzoening door het bloed des kruises. De gekruisigde Christus is het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt, omdat in het kruis de mensch gehoorzaam wordt.

In het kruis is niet slechts lijdelijke, in het kruis ia dadelijke gehoorzaamheid.

De wet Gods vindt haar uitdrukking in den lichtglans der liefde. Liefde Gods en liefde tot den naaste. God lief te hebben boven alles en den naaste als zichzelven. De Gekruisigde heeft waarlijk lief. Niemand heeft lief als deze. lü de gansche wereld heeft de liefde nooit een andere plaats gehad dan alleen in de woordenkraam der menscheu. De liefde der menschen, hoe dikwijls ook verheerlijkt, en geprezen, heeft nergers een rustplaats voor het hol van haar voet gevonden. In deze wereld heerscht slechts de zelfzucht. Zij is helaas maar al te zeer vergelijkbaar met de diepe dalen in het hooggebergte, zoo diep gezonken tusschen de lichtende toppen, dat nooit de zon op den bodem schijnen kan. De harten der menschen zijn liefdeloos en koud, het koudste meestal juist dan, als zij er het meest zich op verheffen. Het is bitter en hard, maar de waarheid niet te min, dat de mensch van nature slechts de zelfzucht koesteren kan. Daarom is de wereld zoo arm aan geluk, aan vrede en blijdschap en gaat er door heel dat menschheidsleven de bange, ontzettende worsteling niet slechts om te zijn, maaromteheerschen en te be'zitten, te genieten en te hebben met miskenning van de levensbelangen van anderen. Maar één mensch heeft waarlijk liefgehad en die ééne is Hij, die gehoorzaam geworden is tot den dood.

indien er ooit onder ons sprake zal unnen zijn van liefde, dan zal het niet anders kunnen dan doordat de Middelaar het vuur zijner liefde de vonken doet verspatten in de koude, die de zondaarsiel van nature bevangt. De ware liefde is alleen ontstoken aan de liefde van Hem, die eene liefde gekend heeft zoo machtig en goed, dat zij door de wateren onzer onde niet kon worden gebluscht, Nauwijks zal iemand bestaan voor de rechtaardigen te sterven, maar deze stierf oor de onrechtvaardigen. Dat doende was Hij gehoorzaam, toonde Hij eene liefde Gods, die boven alles gaat, maar ook eene liefde-tot den naaste, die haar maatstaf vindt in de zelfliefde van den mensch. In de gehoorzaamheid van Christus is de vervulling der wet. Hij brengt haar, de opdracht des Vaders vervullend, Gods welbehagen doende. Hij vervult de wet in haar vloek en eisch in de gestalte van een dienstknecht, als mensch, als onzer één, zoodat in Hem, de menschelijke natuur den tol der gehoorzaamheid brengt, die van ons tevergeefs werd geëischt. Want hetgeen er wet onmogelijk was, dewijl zij door het vleesch krachteloos was, heeft God, Zijnen Zoon zendende in de gelijkheid des zondigen vleesches en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vleesch; opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons. Daarom gaat dan ook die gehoorzaamheid van den Middelaar tot den dood des kruises, tot in de diepste vervloeking, opdat het recht der wet volkomen in onze natuur vervuld en daarmede ons de gerechtigheid verworven zal worden. Daarom is er dan ook zulk eene rijke vertroosting in de aanschouwing van den Gekruisigde voor elke schuld verslagen ziel. Zij ligt verbroken onder den last harer zonde, zij vindt geen uitkomst, geene redding. „Heere", zoo wordt er geklaagd, „ik roep U aan, haast U tot mij". En de Heere haast zich om ons toe te roepen: „zie en aanschouw het heilig kind Jezus, dat gehoorzaam was tot in den dood, maar nu ook een naam ontving boven allen Naam, opdat in Jezus' Naam zich buige alle knie". Op het kruis wijst Hij ons, opdat wij zullen hopen op zijne gehoorzaamheid, opdat wij er in zullen gelooven. Want dat laatste is noodig om waarlijk te ontvangen hetgeen in den Gekruisigde ons werd geschonken.

Waar en levend geloof is onmisbaar om den rijkdom, der genade te smaken. Een geloof behoeven wij, dat niet slechts is een voor waar houden der historische beteekenis van het kruis; maar een geloof, dat in zijn diepste wezen een eenheidsbewustzijn in zich sluit. Om den troost des kruises te smaken zal het ons klaar moeten zijn, dat wij persoonlijk in de kruisiging en dus in zijne gehoorzaamheid begrepen zijn. Zoo heèfs het ook de apostel gekend, als hij ons predikt: Ik ben met Christus gekruisigd. Hij had door de genade Gods geleerd, dat hij persoonlijk 7.00 één was met Christus, dat hij in Immanuel als besloten was.

Zijn ik was gekruisigd in de kruisiging van Christus.

En daarom hij was door het geloof met Christus één, ook één met Hem in zijne gehoorzaamheid, Zooals wij van nature één zijn met al het menschelijk geslacht en dus niets menschelijks ons vreemd is, zooals wij deelen in al de zonde en in alle zwakheid, die der menschelijke natuur eigen is, omdat wij als spruiten zijn aan dien éénen stamboom, ééa geslacht krachtens onze natuurlijke geboorte, zoo zal nu Gods kind één zijn met Christus door de wederbarende daad, die hem inplant in den tweeden Adam. En ook die eenheid zal doorgaan tot al wat Christus heeft en geeft. Hij zelf zal gestalte in de zijnen verkrijgen. Gelijk zij het beeld des aardschen gedragen hebben, zoo zullen zij het beeld des hemelschen dragen. Eén met Christus door het geloof, één met Hem in den weg der gehoorzaamheid tot in den dood des kruises, opdat wij alzoo de gehoorzaamheid Gods brengen, die Hij van ons eischt en eischen moet, maar nu ook ontvangen haar vrucht. De gehoorzaamheid des Heeren bracht Hem de verhooging en de verheerlijking. De eenheid met Hem zal ook Gods kind doen deelen in zijn heil.

Daarom, dat wie opgaat naar Golgotha, om te zien het Lam Gods in de vernedering, kome om met Hem gekruisigd te worden, met Hem te sterven, met Hem begraven te worden. Wie schuldverslagen met Hem ondergaat in de kolken des doods, die zal ervaren, dat hij leeft, maar nu naar het woord des apostels; „doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik in het vleesch leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God." Zoo alleen wordt de macht zijner liefde ervaren. Op Golgotha verschenen als een zondaar, wordt het verstaan van den gekruisigden Jezus: die mij liefgehad heeft en zichzelven voor mij heeft overgegeven.

Door dien weg wordt de blijdschap des Evangelies gesmaakt, omdat het kruis met zijn donkerheid en dood dan gezien wordt in het licht der verrijzenis en eigen zondedood in de glansen der gerechtigheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Op Golgotha

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's