Uit het kerkelijk leven.
Voortvaren.
In den nood waarin de Keik des Heeren in dezen lande verkeert vindt onze Geref. Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid zijn reden en recht van bestaan.
De Kerk des Heeren in dezen lande i verkeert in nood. Jammerlijk afgeweken e van het pad van Gods getuigenissen G heeft de Heere Zijn oordeelen gezonden o en zij is uit elkaar geslagen, verdeeld, e verstrooid, versplinterd, om zonder heerlijkheid en kracht haar leven voort te v slepen in het midden van ons volk.
En dat mag zoo niet blijven.
Dat mag niet, omdat de Naam des Heeren daardoor smaadheid leidt; omdat het Woord Gods daarin tekort gedaan wordt; omdat de kroon der Kerk alzoo n 't stof komt te liggen; omdat alle heerlijkheid verspeeld en alle krachten verspild worden; omdat ons volksleven verarmt. Redenen te over om te zeggen: 't mag zoo niet blijven, zooals het is.
En dan laten wij ons oog allereerst n allermeest gaan over de Ned. .Herormde Kerk, waarin we geboren en gedoopt zijn; in welker midden we eens belijdenis des geloofs mochten afleggen en die we sinds dienen mogen als bedienaar des Goddelijken Woords.
't Is met de Hervormde (Gereformeerde) Kerk niet in orde. Dat bewijzen de Gereformeerde Kerken, die er naast en tegenover staan. Dat bewijzen de partijschappen die binnen hare muren gevonden worden. Dat bewijst haar positie, welke zij inneemt in het' midden van het volksleven. Waarbij ook 't geen verricbt wordt in betrekking tot het werk der Zending, den dienst der barmhartigheid enz. wel klaar doet merken, dat de Gemeente des Heeren zooals zij zich van ouds openbaarde in het midden van de Gereformeerde Kerk hier te lande en voor zoover zij uu nog leeft in het midden van de Hervormde Kerk niet gevonden wordt op de plaats haar door den Heere aangewezen.
Deze dingen kunnen ons bij tijden, gelijk nu we dit schrijven, ontroeren tot in het diepste van onze ziele en hoe gaarne zouden we zien, dat hierin eens verandering ten goede kwam.
Om dat te bevorderen is ook onze Geref. Bond opgepcht
Om bekend te maken, dat het niet goed staat met de Kerk des Heeren in dezen lande. Om te verkondigen, dat zü jammerlijk is afgeweken van het pad van Gods getuigenis aangaande de waarheid. Dat zij jammerlijk verscheurd ligt.
Dat zij ellendig verteerd wordt door partijschap. Dat zij krachteloos staat in het midden van het volksleven. Dat zij schrikkelijk nalatig is in alleriui arbeid welke is naar uitwijzen van Gods Woord, zijnde aan handen en voeten gebonden en tot geen goed ding bekwaam.
Laat ons over elk dezer dingen iets mogen zeggen.
De Hervormde Kerk dateert niet van 1816. De Heere riep door de hervormende daad Zijns Geestes, door middel van Zijn Woord, hier sinds de 16e eeuw Zijn Kerk uit de duisternis, om haar te brengen tot het licht en de rechte kennis der waarheid. Bij welke goddelijke en schriftuurlijke waarheid, hoewel memigmaal ernstig bedreigd, zij gebleven is gedurende de 16de en 17de en 18de eeuw, getuige de drie Formolieren van Eenigheid, zijnde de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, de Heidelbergsche Catechismus en de vijf Leerregels van Dordt tegen de Remonstranten.
De Heere bewaarde Zijn Kerk in dezen lande, uit het diensthuis van Rome uitgeleid, bij de waarheid naar de Schriften, hoewel vooral in de 18de eeuw de band aan het Woord grootelij ks verslapte.
't Was de eeuw der revolutie, 't Kookte en 't gistte. Overal, in Staat en Maatschappij, in Kerk en School. En 't geen de geest der eeuw voortbracht diende om af te voeren van het aloude pad van 's Heeren inzettingen.
Dat was in de Kerk dra te merken, in prediking en sacramentsbediening, in leer en leven. En neen! 't heeft niet zooveel gescheeld of de aloude Gereformeerde Kerk was van haar fundament afgeschoven en zij was geworden tot een tichting van menschen, tot een religieuse vereeniging, zonder band aan het Woord. Dat hebben we wel te bedenken.
Hoe heerlijk had de Heere Zijn Kerk n dezen lande begenadigd. Hoe mocht ij in de 16de en 17de eeuw totgrooten bloei komen.
Neen, 't was alles geen goud wat er blonk.
Maar 't is óok volstrekt niet waar, at in de 17de eeuw alles opging in wist en tweedracht over doode leerstelingen zonder meer.
Nog eens, het was lang niet alles goud wat er blonk. Maar toch mag vrij gezegd worden, dat het geen tijd van dogmatiche verdorring en formalistische doodeid was, maar een tijd van rijke levensntplooiing, van wondere geestkracht, van schitterend initiatief en de strijd die de 17de eeuw kenmerkt werd gestreden om de ideaalste goederen, rakende de gewichtigste geestelijke en religieuse vraagstukken.
Alles concentreef.de zich om de Schrift. Het Woord, door Rome uitgebannen uit den kring van het kerkelijk, geeseligk en religieus leven, werd door onze ereformeerde vaderen weer naar vorengebracht.
't Was altijd weer: wat zegt de Schrift? En was de Schriftstudie onder Rome's nvloed geheel veronachtzaamd, de 17de euw kenmerkt zich door den ijver der ereformeerden om zich toe te leggen p de kennis der grondtalen, Hebreeuwseh n Grieksch, en éen wetenschappelijke itlegging van de Heilige Schrift, waaran o.a. bewijs is de nieuwe Bijbelveraling, op last van de Staten ondernomen n in 1637 voltooid.
De Heere wilde alzoo Zijn Kerk rijk eweldadigen en de namen van de Nederandsche godgeleerden als Gomarus, Waaeus, Witsius, Alting, Maccovius, van astricht, Heidanus en anderen bewijzen, at de theologie bloeide, waarvan heel et volksleven, dat bedreigd werd met en geest van ongeloof en bijgeloof, oordeel ontving. Tooverij, waarzeggerij nz. werd krachtiglijk bestreden en ook oe langs hoe meer uitgebannen, terwijl e leugenleer werd te woord gestaan met kracht.
Dat werd er in de 18de eeuw niet beter op.
Losbandigheid onder bet volk, geesteloosheid in de Kerk, ongodisterij onder alle standen gingen hand aan hand en de band aan Gods Woord werd losser, om meer en meer plaats te maken voor de ideeën van den mensch, die zoo gaarne roemt in zichzelf, minachtend neerziende op Gods Woord.
Wel staan daar mannen als Brakel, Smijtegelt, Hellenbroek, Comrie, Appelius als lichtende sterren, maar 't wordt ook hoe langs hop meer nacht, donkere nacht. Door allerlei invloeden, vooral na 1750', raakt de Kerk in droeven toestand en tijdens de omwenteling en de Fransche overheersching scheen haar inzinking voltooid en haar ondergang zeker.
Om de belijdenis gaf men niet veel meer. En dus was het leven, het waarachtig, krachtig, opbloeiend geestelijk leven óok zoo goed als weg. Want dat gaat altijd samen. Verwaarloost men de belijdenis en neemt men het niet zoo nauw met de leer, dan kan er in het leven ook veel op door en het waarachtige, innige, geestelijke leven schuilt weg en verdwijnt, wegstervend onder den kouden adem van on-en bijgeloof.
Droeve tijden.
En toen kwam Oranje, die — zoo lazen we pas nog in het boekje van den modernen predikant A. Priester Hedendaagsch Protestantisme — die „de redder van de Kerk is geweest; terwijl in de ynode van: ^—-30 Juli 1816 de Kerk, onder eigen toedoen, een vaste organisatie ontving, die zij, in later herzienen vorm, nog bezit"!
De redder van de Kerk; van de Gereformeerde Kerk in dezen lande
Nu, we willen aan de goede daden an den eersten Oranjevorst niet te kort oen; dat zij verre van ons 1 Maar neen, óo ver kunnen we niet komen, om te eggen: Koning Willem I heeft de Kerk ered, We denken daar een weinig èaders ver, waarbij we zoo vrij zijn te verwijzen aar ons in druk verschenen referaat o en Honderdjarige.
In 1816 is het niet in orde gekomen et de Kerk des Heeren in dezen lande, oor den Heere in de 16de eeuw uitgeleid it het diensthuis van Rome. De band an het Woord is niet vernieuwd, zooals et behoorde. En dat werkte door, met rijheid te geven aan allerlei wind van eer en allerlei moeite te bezorgen aan e ware belijders van Gods heerlijken aam, die te prijzen is tot in eeuwigheid. We willen daar nuniet nader op in gaan. Maar met dit feit voor oogen, n.l. dat e Kerk des Heeren in dezen lande sinds aar en dag — lang voor 1816 is dat penbaar geworden — zich losser geaakt heeft van de Schrift en van de elijdenis, komen we tot het tweede feit: at de Kerk verscheurd is en zij niet eer zich openbaart in hare eenheid, elke, bij alle vrijheid en verscheideneid binnen bepaalde grenzen geoorloofd, llernoodzakelijkst is naar den eisch van aar Koning en Heere Jezus Christus.
Dat gaat altijd zoo. Als men meent ijzer te zijn dan God in Zijü Woord ns heeft geopenbaard, dan bederft men et altijd. Dan verknoeit men het. Dan elpt men 't van den wal in den sloot an zondigt men tegen God en men ezondigt zich aan 't geen de Heere ons eeft toebetrouwd.
01 wat is er een zee van ellende onttaan door de halstarrige afwijking van et pad van Gods geboden op het terrein an de Kerk.
En ja — meende men, dat men de erk gered had en alles bijna volmaakt oed in orde had gebracht, zoodat vooraan de Hervormde Kerk in dezen lande e Kerk zou zijn en blijven —de Heere kwam er in blazen en de blinden kunnen et zien, dat niet bereikt is wat men, ijzer zijnde dan 't geen Gods Woord ns leert, zich had voorge.steld.
Veel ellende is sinds 1816 geboren op erkelijk erf. En daartoe behoort wel ee dit, dat èn in 1836 èn in 1886 door Afscheiding en Doleantie een nieuwe erkengroep is ontstaan, , die, sinds 1892 ereenigd, als de Gereformeerde Kerken an Nederland naast en tegenover de ervormde zich hier openbaren.
Ook hier kunnen we niet uitweiden. ok hier kunnen we niet in bizondereden afdalen.
Maar, waar men weet hoe we over de fscüeiding van 1834 en over de Doleantie an 1886. denken, daar verklaren we hier og eens gaarne, dat de grond van deze erscheuring van de Gereformeerde Kerk n Nederland ligt in de ongelukkige toetanden die, vooral sinds 1816, in het idden van de Hervormde Kerk gevonden orden. En de prediking èn de sacraentsbediening èn de oefening der hristelijke tucht is niet zooals het behoort e zijn in het midden van Gods Kerk.
e opleiding tot den dienst des Woords, et bestuur der Kerk, het kerkelgk a, amleven '— 't is alles even ongelukkig. n neen, wij gelooven niet dat de toetand der Herv, Kerk is, dat zij sinds 816 niet meer in wezen de Gereformeerde erk is. Wij gelooven niet, dat de Herv.
erk de valsche Kerk is. Wij gelooven iet, dat de Herv. Kerk dood is. De eere bewaarde haar hare belydenis nog K i en Hij gaf haar kennelijk den scheidsbrief nog niet. Maar met dat al, is het sinds 1816 een krachtig pogen geweest om de leugen vrij spel te geven en de waarheid op alle mogelijke en onmogelijke manieren aan banden te leggen en de ware belijders van 's Heeren Naam te benauwen en te vervolgen. Wat, waar niet altijd de dingen recht onderscheiden werden, in 1834 de Afschdding ten gevolge had; en waar niet altijd de dingen op z'n plaats gelaten werden, in 1886 de Doleantie deed geboren worden.
Een zee van rampen is over de Kerk gekomen. Geheel naar het Woord. Want die God verlaat heeft smart op smart te vreezen — eu de barmhartigheden der goddeloozen worden altijd openbaar wreed te zijn.
Maar, met dat al zitten we in de ellende. Stuk voor stuk werd afgerukt. En wat overbleef, dat bleef achter als een huis, dat tegen zich zelf verdeeld is.
Dat is het derde punt, waaraan we gekomen zijn: partijschappen en twisten onderling.
Vele gereformeerden zijn er uit gegaan.
Velen zijn ook gebleven.
Gereformeerde menschen hebben zich losgemaakt van de Kerk; ze hebben de banden doorgesneden; ze zijn den strik ontloopen; ze hebben zich op eigen terrein gesteld en ze zijn vrij — maar de Kerk is niet vrij gemaakt.
De Kerk des Heeren in dezen lande, aan welke de Heere de belgdenis liet en welke Hij, als Kerk, den scheidsbrief nog niet gaf, is nog gebonden in allerlei band van slavernij, bukkend en zuchtend onder het juk van leugenleer en bijgeloof — terwijl vele gereformeerden in haar midden bleven, wetende dat de Heere in deze iets anders wil, dan zich kunstmatig los te maken en heen te gaan.
De Heere wil dat op de plaats waar de zonde bedreven is ook de straf gedragen wordt en dat daar geijverd zal worden met heiligen ijver tot vrijmaking van 's Heeren Kerk van onder het juk, m de wille van eigen zonde ontvangen uit de hand van Hem, die dikwijls enschen gebruikt om de oordeelen over Zijn huis te doen komen.
En zoo zijn we ook gebleven; en zoo wenschen we ook bij den voortgang ie blijven. Niets wederrechtelijk doende. iets kunstmatig aankweekend om de oel te doen springen. Niets forceerend.
Niet alles tegelijk over hoop halend.
iet bij deze of die gelegenheid zeggende: „zóo moet het en zóo zai het, want ènders an loop ik wegl" Neen! op eigen errein zal alles eerlijk en ordelijk en ustig moeten worden overzien en geeregeld, opdat het land worde vrij geaakt van de zonde en het volk zich schikke tot 's Heeren dienst.
Maar met dat 'al zitten we in een huis, at tegen zich zelf verdeeld is. Daar onen bij elkaar, die niet bij elkaar ooren.
En och, armel wat een jammerlijk wisten, verbijten, vereten van elkander eeft dat, waarbij de dommekracht van de meerderheid van stemmen — de helft plus éen — telkens goede diensten oet!...
Dat is een gevolg van de „prachtige" regeling op de erve van 's Heeren Kerk, door den mensch uitgedacht en doorgereven, vlak tegen Gods Woord ingaande en in feilen strijd zijnde met de beginelen onzer gereformeerde belijdenischriften.
Och, wat een ellendige zaaak is het och, dat modernen, evangelischen, ethichen, confessioneelen, gereformeerden elkander verbijten en vereten, bestrijden en verteeren. Wat jammerlijk figuur slaat onze Hervormde Kerk toch voor de buitenwereld. Wat droeven indruk krijgt degene toch, die dit alles in de verte en van zeer nabij aanschouwt. En wat aat de kostelijke tijd, ons van den Heere ot groote dingen gegeven, toch droef voorbij met al dat schrikkelijk wroeten n eigen ingewand en al dat onophoudelijk ekampen van den tegenstander, die mede inwoont in hetzelfde huis!
De Gemeenten worden verscheurd. Het waarachtig, innig geestelijk leven verterft. De prediking bederft. De kerkelijke ergaderingen worden een bespotting. e Universiteiten worden geblameerd.
lles, alles komt in het teeken van de artij, van de richting te staan. En waar et vuur brandt wordt water aangedragen m te blusschen. Waar wordt opgebouwd orgt men dat ook hamer en houweel omt om af te breken. Waar gesticht ordt zoekt men wegen en middelen m ook te maken dat men ontsticht wordt.
Geen broederlijke omgang tusschen redikanten. Geen saamleven van Geeenten,
Geen Kerk met een kloek belijden van t geen de Heere gaf in Zijn Woord, en n Ziijn Christus. Alles, dlles — stoffelijk n geestelijk goed —ligt schots en scheef oor elkaar geworpen. En zóo zitten we n het midden van de Herv. Kerk met artijen en richtingen, waarvan het elijden en het werken gansch niet overenkomstig is aan 't geen 't Woord ons eert en de belijdenis ons voorlegt.
Neen — het is met de Hervormde erk, zooals zij zich nu openbaart, niet n orde.
Eu 't mag zoo niet blijven, zooals het is. Dat moet ten slotte ieder erkennen.
{Wordt vervolgd).
Bijzondere Leerstoel voor . Vrijzinnigen.
In de West-Priesche Kerkbode van 14 April j.l. lazen we het volgende communiqué:
De Provinciale Vergadering van de Vereeniging van Vrijzinnige Hervormden in Noord-Holland zal dit jaar plaats hebben op Maandag 29 Mei, des voormiddags 11 uur te Alkmaar. Daarin zal o.m. een bespreking worden ingeleid over de wenschelijkheid om te komen tot de oprichting van een bijzondere leerstoel voor Hooger Onderwijs ten behoeve van Vrijzinnig-Hervormde Studenten. Inleider: Professor Eerdmans te Leiden. De vergadering heeft plaats in »De Unie.
De West-Friesche Kerkbode teekent daarbij aan:
We verheugen er ons van harte over, dat de N.-Hollandsche Vereeniging de bespreking
van deze zaak oogenblikkelijk inleidt. We hebben reeds eerder uitgesproken, hoe betreurenswaardig we het achten, dat na het altreden van prof. Cannegieter in de Utrechtsche theologische faculteit geen vrijzinnige stem meer zal worden gehoord.
Daarbij mogen de Vr. Herv. zich niet neerleggen. Het zal groote moeielijkheden meebrengen en aanzienlijke fin. offers vragen om in dezen noodtoestand te voorzien, maar we hopen, dat het initiatief, dat straks natuurlijk door de Ned. Ver. van Vrijz. Herv. zal worden genomen, allerwege ondersteuning en vooral krachtigen finantieelen steun zal vinden.
We kunnen ons begrijpen, dat de modernen zoo gaan doen en dat de West-Friesche Kerkbode zoo schrijft.
Het is niet alles als men zoo van z'n laatste mannen beroofd wordt; als de dichte drommen van weleer zijn veranderd in een eenzame post in een bedreigden hoek.
Ia Groningen geen moderne professor meer. In Utrecht straks niet meer. In Leiden nog één. Ja, 'tis wel droef als men uit een warm nestje wordt uitgejaagd eu buiten in de kou wordt gezet, terwijl een ander er in kruipt.
Zullen we hier de gewone tirade herhalen; als de modernen nu maar met dit alles leeren mogen, . om voortaan tinderen ook iets te gunnen, als de minderheid er om vraagt?
Neen, dat doen we liever niet. Want zet meerderheid en minderheid maar tegenover elkaar en ga dan maar preeken zooveel ge wilt: de meerderheid loopt met de helft plus een in de hand en slaat de minderheid daarmee dood! Altijd, 't Zij de meerderheid modern, ethisch, confessioneel of gereformeerd is. Daarin zijn we allen van één en dezelfde natuur!
Maar wat we wel willen zeggen is dit: moet aan al dat geharrewar van modernen en niet-modernen geen einde gemaakt worden door in de Kerk des Heeren, door in de Herv. Kerk, de band aan de •belijdenis te leggen ook in zake de opleiding van onze aanstaande bedienaren des Goddelijken Woords.
Want straks zitten onze Hoogescholen vol van bizondere hoogleeraren, die ieder voor eea groepje van studenten staan en de officieel aangestelde professoren kunnen wel naar huis gaan
En ligt daarin geen vingerwijzing voor onze theologische faculteit — d^t de faculteit worde wat ze noodzakelijkerwijze moet zijn: tot oefening der kennis in de goddelijke waarheid inzake de religie, naar uitwijzen van Gods getuigenis en achtgevende op alles wat daaromtrent zich openbaart over de lengte en breedte van het veld, dat zich hier noodzakelijkerwijs aan ons" oog voordoet; waarbij de opleiding tot den dienst des Woords in het midden van Christus' Kerk niet mag worden vergeten. Maar . , . de partijverhoudingen. De richtingen en stroolaingen in het midden der Kerk. Het los zijn van Schrift en belijdenis daar. Ziet, dat bederft alles. Dat leidt tot de meest grillige partij benoemingen. Ook tot deze dwaze tactiek, dat men de modernen stil duldt en het modernisme met meerderheid van stemmen uitbant aan de Universiteit,
Ook hierin zal vrijmaking van de Kerk; vrijmaking van het onderwijs de eenige weg tot verbetering zijn.
Dan behoeft men elkaar niet dood te slaan met meerderheid van stemmen; jaarbij nu de een en dan de ander weer de klappen thuis krijgt — zonder dat iemand veilig en iemand tevreê is.
Twee gevaren.
Vlak na de Reformatie deden zich twee leelijke dingen voor, die oorzaak werden dat weinigen begeerden predikant te Worden,
Het eerste wat we bedoelen is dit: de predikanten leden veelal armoe.
Na langdurige en moeilijke studie kon ^pQ men eerst toegang krijgen tot den Otónst des Woords. Dan huwde men. Dan groeide het gezin uit, zoodat 6, 8, 10 monden middag aan middag vroegen om 'en en de verzorging in zake schoeisel en kieeding niet zoo bijster gemakkelijk was voor vader en moeder — vooral niet ^aar de inkomsten der Kerken niet vele jaren en diensvolgens het tractement van ^en dominé niet groot. Dat gaf veel zorg en moeite in het predikantsgezin, waaruit als natuurlijk gevolg voortkwam, dat de vader en de moeder er niet toe konden besluiten om de kinderen te laten studeeren, gelijk de zonen geen lust openbaarden om eenmaal het zoo zorgvolle ambt huns vaders te bekleeden.
Er kwamen dan ook weinig studenten en predikantennood dreigde.
Zoo werd dan ook de Universiteit ontvolkt.
Maar daar kwam ook dit bij: Naast Luther stond Karlstadt. En deze verachtte alle wetenschap. Da Universiteit was een onnoodig ding. Een plaats waar de duivel hoogtij vierde. En dus — zoo spraken do geestdrijvers elkander na — alle Universitaire opleiding voor den dienst des Woords is overbodig, ja eer schadelijk dan goed. Wie door den Geest geleerd is heeft de talen en wetenschappen niet noodig. Hij heeft z'n Bijbel; meer nog, hij heeft het inwendig licht en dè, t doet hemii^preken naar de meening des Geestes en naar het harte van Jeruzalem!
Beide factoren werkten saam èu het gebrek in de pastorie — wat leidde tot gebrek aan theologische studenten — èn het zich opwerpen tot voorgangers van mannen uit het volk, die alle studie verwierpen.
Vergelijk daarbij nu eens ónzen tijd. Lijkt alles niet op elkaar als twee druppels water?
Gebrek in de pastorie. Gebrek soms aan het noodigste. Gebrek aan geld en gebrek aan waardeering. Gebrek voor het gezin. Gebrek voor de weduwen en weezen. Gebrek voor de rustende dienaren des Woords. Doordat er geen liefde is voor den dienst des Woords in het midden der gemeenten.
Men geeft een cent of een halve cent. Misschien een stuiver of een dubbeltje per Zondag, benevens een paar gulden per jaar voor epn vrije plaats in het kerkgebouw — en overigens zijn daar de fondsen, waarvoor onze vaderen zoo heerlijk gezorgd hebben, benevens de Staat die een deel van het tractement precies op den dag, om de drie maanden, aan den predikant aan huis doet bezorgen.
Gebrek, armoe wordt er geleden. Door het gezin, door den predikant ten opzichte van zijn behoeften, door de vrouw des huizee, ten opzichte van haar behoeften. En geen middelen zijn er om de kinderen te laten studeeren En — vreeselijk is de gedachte! — als de dood den man en vader komt wegnemen, dan blijft de weduwe met haar kinderen achter om gebrek te lijden.
Dat zijn droeve toestanden. Waarbij de oplossing in deze moeilijkheid nog steeds uitblijft, omdat blijkbaar niemand dan de predikant en zijn gezin het droeve van deze dingen voelt en — de dominé mag er niet te veel van zeggen, om niet het verwijt te hooren, dat hij een broodprofeet is.
Wat heeft de Heere het van ouds toch beter ons geleerd! '
Maar wijzer zijnde dan God vallen we door eigen dwaasheid van ellende in ellende!
Eu daarbij het opstaan van allerlei mannen uit het volk, die zonder studie, zonder Universitaire loopbaan, optreden voor de schare, zichzelf uitgevende voor ware gezanten Gods!
Lees de dagbladen, lees de districtsbladen, lees de Kerkbodes en predikbeurtenbladen maar. Advertentie op advertentie; annonce na annonce. Ja — avond na avond is er samenkomst in stad en dorp. Ends. Woutwijk concurreert met ds. Otten; ds. Vijverberg met ds, Boone; ds. de Eoover met ds, Fotuit. Soms twee op één en dezelfden avond optreden in één en dezelfde stad. En allen zien vol minachting neer op die gestudeerde brood-profeten, die wel de leer hebben maar niet het leven, de letter maar niet den Geest, de wijsheid maar in onbekeerden staat!
En neen, armen, Kerk, scliool, zending bestaat er eenvoudig niet voor zulke menschen. Eén collecte voor de zaalhuur en éen collecte voor den arbeider die z'n loon waardig is. En zoo gaat het van kwaad tot erger — waarbij de gangen des Heeren met Zijn Kerk op aarde worden veracht, de gemeenten in verwarring worden gebracht, de predikanten in discrediet komen, de studie voor predikant wordt vaarwel gezegd, de nood der Kerk vergroot. Ja, als de Heere niet wonderlijk tusschenbeiden komt, dan gaat het van kwaad tot erger en dreigt allen, zelfs onder protectoraat van enkele predikanten die óok zoover zijn, om alle geordende dingen te minachten, al dieper in 't moeras weg te zinken.
De Hervormers, Luther, Melanchton, Zwingli en Calvijn, gelijk hun opvolgers, hebben deze dingen in het aangezicht weerstaan. Ze zijn voor alle vrome praatjes niet uit den weg gegaan — wat hun natuurlijk nu nog schade doet in bepaa'de kringen, waar men beweert, dat het maar „doode honden" waren — en ze hebben alles gedaan wat in hun vermogen was, om de gangen van 's Heeren Kerk in betere banen te leiden.
Laat dit óns tot voorbeeld zijn. We moeten in zoovele dingen leeren „aanpakken, " De Kerk nq^et weer op eigen terrein komen. De band der belijdenis moet weer worden vastgemaakt, De'Kerk moet weer gaan leven voor de dingen van Gods Koninkrijk. De zorg voor den dienst des Woords, der gebeden en der Sacramenten moet weer op de Kerk zelve komen rusten. Zij moet komen tot een eigen leven, onder opperheerschappij van haar eigen Koning.
En er moet veel meer hart komen voor de Universitaire opleiding van de toekomstige dienaren des Woords.
Och, dat de Geest Gods eens mocht neder komen in het midden van het dal vol doodsbeenderen en eens mocht geven leven en sterkte, daar waar dit ontbreekt.
Dat de Geest Gods eens orde kwam scheppen in den chaos en dat wij saam eens gebracht mochten worden in de School des Heeren, waar de Heere met wijsheid wil vervullen allen die er in oprechtheid naar leeren vragen.
Wat moet er véél, véél veranderd worden.
Wat moet er véél worden geiêformeerd. En de Geest Gods is de groote Werkmeester, waarom gebeden worde door jong en oud, totdat de Heere ons genadig zij en ons uithelpe, om Hem gewilliglijk te dienen in het midden van Zijn Kerk, die Hij bewaart tot in eeuwigheid!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's