Op den Paaschmorgen.
Maar de Engel antwoordende zeide tot de vrouwen: reest gijlieden niet, want ik weet dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was. Hij is hier niet, want Hij is opgestaan, gelijk Hij gezegd heeft. Komt herwaarts, ziet de plaats waar de Heere gelegen heeft. En gaat haastelijk henen en zegt Zijn discipelen, dat Hij opgestaan is van de dooden. Matth. 28 : 5—7a.
Vreest gijlieden niet. Hierin ligt eene tegenstelling. Gijlieden, zijn die vrouwen, die met het krieken van den dag zijn opgegaan naar het graf.
Deze kunnen gerust zijn. Wie de anderen zijn? Hierin kan niet misgegrepen, dat zijn de mannen, die den moed hadden gehad om de wacht te betrekken bij het graf.
Zij zouden er wel voor waken dat het zegel verbroken werd. O wee, wie het zoude durven bestaan tot hen te naderen om deze grafspelonk te ontsluiten. Zij zouden ....
Ach, wat blijkt die moed klein en wat zijn die krachten toch weinig. Zie ze eens vluchten.
Hier geldt: vreest gijlieden wel. Maar tot de zoekende vrouwen klinkt een ander woord.
Engelen, die in dienst staan des Heeren, staan tevens in dienstbetrekking tot Gods volk. Evenals een dienstbode zacht is tegenover de kinderen van haar heer en vrouw, ook de. kleinsten, ja. deze niet het minste, zoo ook de Engelen jegens Gods kinderen.
Ze waren met een expresse boodschap van den hemel afgeklommen om die dolende discipelinnen den weg te wijzen in den hof om dit wondere, doch tevens heerlijke raadsel op te lossen.
Ik weet dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was.
Dien Gekruiste zoeken, is dit geen heerlijk iets. Wat dunkt u?
Zou dit van velen gezegd mogen worden? Ook van u?
Onderzoekt u eens dadelijk op dit punt. Voor de zoodanigen weerklinkt er op Paaschmorgen een blijde Evangelieprediking: Vreest gijlieden niet, komt herwaarts, ziet.
Wat een tegemoetkomende houding neemt de Hemelgebieder hier in Immers wat leert ons deze zoekende discipelenkring. Is het niet, dat hij het er zoo bedroevend slecht afbrengt Hij is wel bezig met zoeken, maar hij vindt bij dit alles niets,
We nemen, ten bewijze, maar eens stelling vlak bij.
Maria struikelt schier over den afgewentelden steen. Ze heeft de sprake des Engels mogen beluisteren, ze staat vlak voor den Heere, en , ., , ze vindt nog niet met al.
Eerst als de Heere haar met name noemt, zoo hoort ze en ziet ze en vindt ze.
Hij is opgestaan, alzoo de sprake des Engels, gelijk Hij gezegd heeft.
Is hier niet een zachte vermaning in gelegen ?
Hij wil zeggen: 't leugenachtige gelooft ge wel, en de waarheid niet, al wordt ze u tweemaal voorgehouden.
Zijn de discipelen nog niet net zoo? Wat.moet de Heere vaak hetzelfde zeggen en beloven, en hoe duidelijk eer ze verstaan.
Ziet en nanschouwt, spreekt de Heere, het graf is ledig; hier vindt ge enkel nog de doeken.
De plaats, waar Hij gebonden heeft gelegen, opdat de Zijnen vrij zouden uittreden.
De persoonlijke vraag: , Zoudt gij wel durven heen te buigen over den rand van het graf, waaruit de Heere is verrezen ?
• Bedenkt, alleen die den Gekruiste zoeken, ze mogen nog wel schrikken voor die tot hen spreekt, het einde zal toch zijn: persoonlijk ontmoeten.
Wie den gekruisten Christus zoekt, vindt den Eeuwig-levende.
Voor droefheid komt blijdschap, voor tranen gejuich.
Laat dit bij u vaststaan, het volk dat uit mag trekken in den nacht, zal bij het morgenkrieken een wondervol licht zien.
't Is bij den Paaschmorgen nog net als bii den eersten van dezen naam.
De Ie Paaschdag stond bij 't aanbreken in het teeken des doods. Heelegelijkend op het Pascha van ouds. In den nacht, als het Lam ten doode is gewijd, gaat de slaande Engel des doods voorbij en dan mag het volk uitgaan.
Een vrij volk naar een vrij land.
Ziet — dan kan de loftrompet gestoken.
Vreest gijlieden niet, want ik weet, dat gij zoekt Jezus, Die gekruist was Hij is hier niet, want Hij is opgestaan, gelijk Hij gezegd heeft — komt herwaarts, ziet de plaats, waar de Heere gelegen heeft. 't Woord moest voldoende zijn, het woord van Hem, Die nooit een leugen nóg sprak. Daarop zouden ze acht hebben moeten geven.
Dan was het op den Kruisheuvel niet zoo angstig geweest en op den Paaschmorgen niet zoo donker
't Is altijd de schuld van die discipelen zelf. En nu, waar de Heere zoo recht, had, om bij zooveel licht te zeggen: 't is genoeg — als 't niet voldoet, moet gij zelf de lasten maar dragen — daar handelt Hij zóó teeder, dat ge er week onder moet worden.
Tot zulke dwaze, hardhoorige discipelen en discipelinnen zendt Hij Zijn hemelbeden nog bovendien: Komt herwaarts, ziet de plaats, waar de Heere gelegen heeft. Deze plaats, waar wij ons een zetel hebben gekozen, daar rustte Hij In dit graf.
Let op twee dingen tegelijk, of beter nog: let eerst op het eene, dan op het anderen strengel ze daarna weer tezamen.
Daar in die plaats heeft de Heere gelegen. Weet ge wat dat zegt? Het vonnis, heel het vonnis in al zijn schrik-, kelijkheid werd aan Hem voltrokken,
Die nooit den dood had moeten zien, Hij, Die liefdevolle Borg ging in door de lage, donkere poorte van het graf.
Hij heeft voor Gods aangezicht gestaan met den losprijs. En nu Hij de banden verbreekt, nu ze van Hem vallen als' weleer de zeelenen touwen van een Simson, nu blijkt eenerzijds wie Hij was — God zelf — anderzijds, dat de Rechtvaardige genoegdoening heeft verkregen. Hij liet den Borg uit — de laatste penning is voldaan. !
Verstaat ge 't nu, waaroüi de Gem , die achter Hem schuilt, t loflied van de lippen rijst:
Laat ons verheugd, van zorg ontslagen, 'Hem roemen. Die ons blijdschap geeft, De dood is overwonnen, het graf gaf de sleutelen af.
Dit is het eerste, het graf dat Hem niet houden kon. Die als Borg zich gegeven had, kan ook hen, voor wie betaald werd, niet besluiten. Neen, wilt ge 't zien, heel duidelijk: komt herwaarts, op deze plaats uw oog gericht.
Hebt ge 't wel gezien, discipelen, wie wij zijn, die deze noodiging tot u richten ? ! — onze kleeding kan het u vertolken —! hemelboden, godsgezanten.
Weet ge 't wel wat dit inheeft, een ' hemelbede in het graf, een godsgezant' in de groeve ? Wij komen aan geen andere plaats, dan daar, waar de hemel! het licht werpt, enkel in de poorte des' hemels treedt onze voet.
Spelt dat eens luide, alle gij die God vreest: het graf dat een voorportaal was' van de duisternis is nu voor ieder onzer een voorportaal des hemels.
Dit is nu de sprake welke uitgaat van het nederzitten van de Engelen in de groeve.
Wat 'n heerlijk Paasch-Evangelie voor wie het zoo beluisteren mag: mijn leven is vrij, mijn graf is ontsloten, de hemel der heerlijkheid is mijn deel, alleen om het kruis van Christus.
Maar nu onze slotgedachte.
't Is al weer een toepassing naar twee zijden. De wachter vlucht en verbreidt de leugen. Overal waar hij komt, daar weerklinkt het: gij moet het niet gelooven, dat deze bedrieger is opgestaan. Zijne discipelen kwamen terwijl wij sliepen — alsof de vijand slapen konde.
En nu de discipel. Is bij dezen dezelfde wakkkerheid om te getuigen?
't Zou hier geen wonder zijn; immers aan dat Evangelie hangt het behoud van zielen. Waar eigen harte heeft getrild van innerlijke roering, daar zal de blijdschap ook nog meerderen moeten ontvonken. Is het zoo lezer? Loopen zoo de gangen van Gods kerk ? Neem de rolle der historie maar tusschen uwe vingeren, De geschiedenis spreke voor zich zelve Wat de Magdaleensche wedervoer overkomt nog telkens 's Heeren volk in den breede.
Toen zij den zoo alleszins Gezochte, den zoo met hartroerende teederheid Beminde weder mocht vinden, toen zij Zijne levende stem hoorde, wilde ze zich aan die ongekende zieleweelde overgeven heelemaal. Ze viel den Heere te voet, ze wilde Hem vasthouden. Maar welk woord weerklinkt nu: „raak Mij niet aan, Ik ben nog niet opgevaren." 't Is alsof de Heere in haar het aan heel zijn kerk wilde toeroepen: de ruste ligt elders.
O zeker, ik kan het verstaan dat ge u eens uit woudt schreien, eens heel die wereld vergeten in enkel gemeenschap met Mij. 't Is toch zoo zoet en zoo heerlijk.
Gelukkig, die het heimwee.mag kennen, dit heimwee.
Maar nu wat de Heere hier naast, hiervoor in de plaats stelt, zoolang de voet op deze aarde wandelt: gaat haastelijk heen en zegt Mijnen discipelen dat Hij opgestaan is.
Vertellen in den breede, tegenover de leugen van den wachter weerklinke de waarheid van den jonger: „de Heere is waarlijk opgestaan." Ja laat het weerklinken tot aan de einden der aarde, overal heeft de Heere de Zijnen wonen.
Hij roept ze bij name
Welke is uwe gang, lezer, die van den wachter, of achter de discipelen aan ?
Zult gij de leugen mee helpen verbreiden? Zult gij haar dienen, die als windselen u zullen omstrikken ten doode ?
Of zult gij gedragen worden door de liefde-en leven-dragende waarheid van den Opgestanen Heerej? Mag dezo taak op uwe schouders gelegd? Ga dan , uit met haaste en boodschap, dat gij het ledige graf hebt aanschouwd. Dan is ook eene gang als van Maria en de vrouwen u niet vreemd. Eerst naar buiten. Zoeken naar Hem, Die uwe ziele lief heeft.
Zie dat is ten allen tijde het begin geweest. Daar gaat niets van af. Wie niet zoekende werd gemaakt zal niet vinden, En wie niet vindt zal niet zien. En wie niet gezien heeft, zal niet vertellen.
Wat zullen we nu ons zelven voorhouden ?
O ik weet het al, zegt een zachte fluisterstem; ons zoeken, als het niet van den Heere is, zal ons toch niet baten.
Zult gij daarmede uw verontruste conscientie, o zondaar, in slaap wiegelen ?
Wat zou dit vreeselijk zijn, dat ge de schuld van uw niet willen op deze wijze zoekt af te schuiven op den Heere, alsof Hij zich verre hield. Weet ge 't dan niet, dat éénmaal de vraag gesteld zal worden: wat hebt ge met Mijne roepstemmen gedaan? Ook op dien Paaschmorgen heb Ik nog geklopt aan uwe deur en ... . o voleindig 't niet.
Wannneer deze liefdelokkingen des Heeren ons niet brengen weenend naar buiten, zal het „buitengeworpen" ons eeuwig deel zijn. Dat zoekende volk, wat is dat een rijk begenadigd volk,
De boodschappers des hemels hebben de opdracht van den Heere ontvangen hen toe te spreken: vreest niet, uw brood is zeker eu uw water gewis. Uw zoeken zal eenmaal beerlijk bekroond worden door aanschouwen. •
Dat ieder Kind des Heeren uit dit bewustzijn leerde leven. Dat hij de Engelenboodschap telkens beter leerde verstaan: „Hij is opgestaan, gelijk Hij gezegd heeft,
Komt herwaarts, ziet."
En nu ten besluite nog deze vingerwijzing, ze geldt ons allen. Geen ernstiger prediking dan op Paschen.
Het Opstandingsfeest - iieeft in eene profetie van den komenden opstandingsmorgen. De Engel des Heeren zal eenmaal wederkomen en de grafspelonken zullen worden geopend. Ook de uwe en de mijne. Daar blijft er geen een gesloten,
Ja toch één, — deze zal haar doode niet kunnen wedergeven, om de heel eenvoudige reden, dat zij het het hare al uitliet, n-l-die in Jozefshof, van Christus,
Als Deze uw Heiland nu eens werd. zoo klinkt: vrees niet, want zie Ik ben de eerste en de laatste en die leef en Ik ben dood geweest, zie ; Ik ben levend in' alle eeuwigheid,
Ik heb de sleutels der hel en des doods.' Denkt u dit in en troost u hiermede, ' gij, die God vreest. Houdt maar kort; achter Hem aan. Maria mocht hier nog niet wegzinken aan Zijn voet, straks zal ze' zich voor eeuwig verliezen in Zijn liefdeomarming. Dat deze blijdschap van het hemelleven nu reeds eenige vréugdeglanzen doe afstralen op uw aangezicht. Gode tot prijs en verheerlijking.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's