Stichtelijke overdenking.
En Hij zeide tot hen: , onverstandigen en tragen van harte, om te gelooven al hetgene de profeten gesproken hebben. Luc. 24 : 25.
Onverstandig en traag.
Er is zoo héél veel wat we niet begrijpen; wat niet naar onzen zin gaat; waarmee we geen vrede kunnen hebben; wat naar ons oordeel, anders moest gaan! — O! wat kan allerlei onze hersens kwellen, onze zielen pijn doen, ons harte met onrust vervullen. Wat kunnen we wrevelig en gemelijk worden. Wat zouden we héél veel anders willen maken. Zou er .... o! vreeselijke gedachte — zou er wel een God zijn? Zou Hij wel weten wat er geschiedt op aarde? Moest het niet zóo en moest dat niet aldus gaan, als er een God in den hemel was, die wijs is, die almachtig is, die rechtvaardig is, die liefde is?
En zoo tobt zich onze geest af bij tijden als moeite en zorg ons kwellen; als het kruis ons drukt; als tegenspoed ons smart; als we door het gevoel van zonden en schuld ter neer geslagen worden en geen hulpe, geen uitredding, geen troost nabij is.
Zoo pijnigt zich onze geest, wanneer heel de wereld beroerd wordt en we niet weten wat er van ons terecht moet komen, waarbij al onze schoone droombeelden den bodem wordt ingeslagen Zoo erg dat we der wanhoop nabij zijn.
Leven we niet in dagen, waarin ons geloof geschokt wordt? Kan het wereldgebeuren onze ziel niet vervaren, om onzen geest te verwarren met vragen, waarvoor een oplossing niet mogelijk schijnt?
Wat ziet het er donker uit onder de volkeren; onder de Christennatiën van Europa; onder degenen, die elkaar zoo nauw verwant zijn, die elkaar zoo na staan, die elkaar zoo noodig hebben.
Moord en gruwel is het bedenken.
Dood en verderf valt als vuur uit de lucht en springt hoog op uit de afgronden te water en te land. De aarde wordt gedrenkt met bloed. De zee wordt rood gekleurd. En het is menschenbloed. iiet is, omdat dfe een z'n naaste vermoord heeft en voortgaat om anderen nog te vermoorden. Wat gebeuren er vreeselijke dingen!
't Is wel een tijd om te vertwijfelen; te vertwijfelen in z'n geloof; te vertwijfelen in z'n hoop; te vertwijfelen in z'n liefde!
De duivel regeert. De hel viert haar triomfen. Is er nog liefde op aarde? Is er nog recht; is er nog een heilig beginsel onder de natiën? Is er nog godsdienst? Leeft het Christendom nog? Of heeft men alles, alles uitgeschud en is het reddeloos verloren, terwijl men als het redeloos gediert' voortholt den diepen afgrond tegemoet?
En zie eens op 't geen vlak bij is. Neen, ons Vaderland is niet in dien vreeselijken oorlog betrokken; hier moordt men niet en hier wordt men nog niet vermoord. Hier trekt men niet uir, om de opgeploegde aarde te drenken met bloed en hier worden de steden niet verbrand en de dorpen niet geplunderd door mede-christenen. Hier toont men gastvrijheid. Hier wordt liefde, naastenliefde gezien, gaande tot op Ruslands slagvelden.
Maar, ziende op ons Volk, op den volksgeest, op het volksleven, op het doen en laten van ons volk, op het denken, spreken en handelen van onze Nederlandsche natie — is het niet om te vertwijfelen ?
Moest men niet met ernst zijn vervuld? En men merkt van dien ernst ook zelfs niet het minste spoor.
Moest men zich niet tot God bekeeren, uitkoopende den tijd van sparende genade ? En de voeten haasten zich om het pad van zonde en de wegen der wereld te betreden, al verder afwijkende van den Heere. 't Is als in Noachs dagen; 't is als in Sodom en Gomorra! Is er nog wel ïeis te verwachten van de tegenwoordige wereld, van het tegenwoordig geslacht?
Moest vooral op het terrein van Gods kerk niet meer diepte te bespeuren zijn van dat leven, dat zich zet op de dingen die boven zijn, verwachtende den Heere die staat te komen op de wolken, om te oordeelen de levenden en de dooden?
Moest er niet gezien worden een losmaken van de knoopen der ongerechtigheid, een verlaten van den sleurgang, een ijverig betrachten van Gods wet en inzetting, die binden aan den levenden God met genieting van vrede en zaligheid ?
En niets daarvan is te bespeuren, noch hier noch elders.
't Is een dorre, doodsche, armelijke, ellendige geest die overal rondwaart en jong en oud vervult; die over stad en dorp komt en alle standen aftrekt. Is er nog wel iets te verwachten voor Gods Kerk? 't Is een tijd om te vertwijfelen!
Waarbij een blik op het terrein van het maatschappelijk, politiek, sociaal en economisch leven onzes volks allerminst kan ópvroolijken en geenszins met moed vervult.
En toch.... de ware christ-geloovige ontvangt in dit alles aanschouwelijk onderwijs, opdat hij niet alleen zal leeren, dat de Heere regeert; dat de dingen gaan zooals ze moet n gaan; dat alles geschiedt zooals dat noodwendig moet, gelijk in Gods Woord is geopenbaard.
Wat geschiedt heeft een oorzaak. En waar de Heere ons in aanraking brengt met het schrikkelijk verloop der - dingen, - daar brengt Hij ons in aanraking met de werkelijkheid van het leven; ' met het feit van de zonde niet alleen, maar met de algeheele zondigheid van ' des menschen bestaan, denken, spreken en handelen. Opdat we dan in en bij en door dat alles zullen leeren verstaan, ! dat de eenige, maar ook vaste grond is van des christens geloof en voor de hope, welke de christen niet missen kan en ook niet verliezen hoeft.
We zijn zoo weinig overtuigd van onzen ; eigen diepen, algeheelen val in zonde en dood en vloek.
We zijn zoo weinig doordrongen van de algeheele verlorenheid der wereld, die vol is van ongerechtigheid.
En omdat we zoo weinig daarvan beseffen, grijpen we zoo gemakkelijk, zoo graag, zoo gedurig naar het groote, naar het mooie, naiir het goede. En we passen en meten, we plakken en pleisteren, we droomen en fantaseeren dan zoo graag. En dan meenen we, dat we er zijn I
Maar — daar slaat het hemelvunr in, telkens en telkens weer. Dat komt de Heere ons dan afnemen, onder vreeselijke openbaring van Zijn schrikkelijke oordeelen. Dat rukt Hij weg uit onze handen, zooals de stormwind speelt met de rook, die uit den schoorsteen stijgt. En dan zijn we kwijt, jammerlijk kwijt — wat we zélf gefantaseerd hadden, 't makend ons tot een god, om op te vertrouwen. Ja, zóó is de mensch! I Wat wordt er niet veel op den zandgrond van het menschelijk willen, kunnen en doen gebouwd!
En neen, dan vermoedden we. niet, al bouwende, dat gansch de aarde zóó vervloekt is om der zonde wil; dat het schepsel zóo verdoemelijk is, vanwege z'n boosheid, dat de wereld zóo diep verloren ligt, vol Gods verachting en vijandschap. I Neen — we zagen de diepte van zonde, gruwel, vijandschap, verlorenheid en 'i verdoemelijkheid van ons zelf en van anderen niet. En toen droomden we van ' behoud, redding, zegen en leven — alsof ' het toch eigenhjk zoo'n groot wonder : niet is, als er nog iemand, als er nog jiets van het menschdom en van de ; schepping behouden wordt.
Was het bij onze huidige cultuur, bij ' onze tegenwoordige beschaving, bij onze lieve conferenties, bij onze grootsche congressen, bij onzen uitgebreiden arbeid, ; bij onze probate middelen — was het eigenlijk nog wel zoo'n groot wonder, als de wereld gezegend werd, als de wereld behouden werd?
't Moest immers wel goed gaan! En de eerepoorten stonden reeds klaar — waaronder de wereldbehouders zouden binnenrijden. onder veel en vroolijk feestbetoon van allen.
Maar.... blazen! daar moest de Heere in
Want het moet een eeuwig, goddelijk, onbegrijpelijk-groot wonder zijn en blijven wanneer een zondaar behouden wordt, wanneer Gods volk zalig wordt, wanneer Sion vergaderd wordt en wanneer een nieuwe hemel en nieuwe aarde wordt toebereid voor den Heere en Zijn Gemeente, welke Gemeente eeuwig leven zal met onbevlekte, onverwelkelijke, onvergankelijke schatten der zaligheid.
Moest het dan niet zóo gaan, zooals het gaat? Moest dan alles niet geschud worden en beven tot op z'n grondvesten ? Moest alles dan niet bloot komen in alle diepte van ongerechtigheid, zonde en gruwel ?
De mensch is toch een zondaar; de wereld is toch verloren; alle vleesch is toch verdoemelijk voor God en alle mond is toch gestopt, als de Heere den spiegel van Zijn heilige wet voorhoudt?
Dat is toch zoo? En moet het dan niet blijken? Is alles wat is, om der zonde wil, niet slecht, onrein, vuil, afschuwelijk, besmet, vol boosheid ? En moet die kant van het leven niet openbaar worden?
Dat is de gewone gang van zakeu. Dat zegt ons de Schrift.
Dat hebben de profeten geschreven, dat hebben de psalmdichters gezongen, dat zeggen ons de evangelisten.
O! onverstandigen dat we niet weten. 0! tragen van harte, dat we zoo weinig opmerken.
Neen! wat geschiedt gebeurt niet omdat er geen God is. 't Gebeurt omdat er wél een God is. Een God die lacht om alle degenen die plannen maakten om op een zandgrond te bouwen; die bezig waren op een hellend vlak een huis, een paleis, op te trekken: die bezig waren vermolmd, verrot hout te vernissen en sierlijk aan te kleeden.
En toen kwam de Heere om het werk te verstoren en het speelgoed om te werpen, tot schrik en tot teleurstelling van de verdwaasde bouwlieden. Opdat men opschrikken zal; opdat men z'n dwaasheid zal leeren erkennen; opdat men het weer van den Heere zal leeren verwachten; opdat men dieper zal leeren graven in de diepte van zonde, schuld en verlorenheid; opdat men terecht zal komen op het fundament Gods; opdat men z'n plannen en verwachtingen zal richten en sturen naar uitwijzen van Gods Woord; opdat men eigen leven zal verliezen en dan vinden wat de Heere uit genade tot leven besteld heeft; opdat men bekennen zal, dat in 's menschen leven de dood is, maar in Gods wegen het leven. Opdat alles genade zal worden. Opdat alles een goddelijk wonder zal blijken te zijn.
O! dat gaat dan wel diep. Maar, waarom zijn we zoo onverstandig, dat we dat niet wisten? Is het ons dan van den beginne niet geopenbaard? Waarom zijn we dan zoo traag van harte om het te gelooven, wat Gods getuigenis ons leert? En zóo toch kunnen we vervuld worden met blijde hope en goed vertrouwen!
De geschiedenis van de Emmaüsgangers kan ons hierin veel leeren.
't Waren zulke trouwe, oprechte vrienden van Jezus. Ze behoorden wel niet tot den kring der twaalven. Maar ze waren toch van zijn volgelingen, van zijn discipelen. Waarschijnlijk uit den kring der zeventigen. En ze hadden zoo'n goede hope op Jezus gehad! Hij zou Israel verlossen. Hij was een groot profeet ; Hij was iemand die vele en groote wonderen deed. En wat ging het goed, toen Hij z'n intocht deed in Jeruzalem. De schare volgde Hem. Zij zagen den troon van David weer opgericht! En Israel zou, van de vijanden bevrijd, als een vrij volk weer wonen in een vrij land.'
Zou dat niet mooi zijn? Zou dat niet; goed zün? Zou dat niet aangenaam zijn? 1 Zou dat niet gezegend werken?
Ze hoopten het; ze verwachtten het., En waarom kon het ook niet?
Er was toch een God in den hemel, die alles schoon verordineerd heeft?
Maar.. . daar breekt de haat en de vijandschap van Pharizeën en Schriftgeleerden los. Daar buldert het los, wat reeds lang had gedreigd van de zijde van de Oversten des volks. Daar steekt een storm van vijandschap op van allen tegen dien Eénen, die een profeet was, die wonderen deed, die Israel verlossen zou.
En ze nemen Hem gevangen, ze bespotten Hem, ze spuwen Hem, ze geeselen Hem, ze hangen Hem aan ^een schandpaal buiten Jeruzalem, tusschen twee moordenaars; daar sterft Hij; ook wordt Hij begraven... is dat nu Jezus? is dat nu de weg dien Hij gaan moest ? is er een God in den hemel die alles ziet en weet ? Is het de Christus wel, die zóó ondergaat, wat komt er nu van de verlossing Israels terecht? Wat blijft er nu over van den troon van David, van eer en heerlijkheid voor degenen, die in Hem gelooven? En ja — nu gingen er wel geruchten rond; geruchten door vrouwen rondgestrooid, dat het graf ledig was en dat Jezus leefde, gelijk Engelen dat hadden gezegd. Maar een paar van de discipelen zijn naar het graf geweest en vonden het ledig; evenwel Jezus hebben ze niet gezien!
Wat moesten ze nu gelooven? Ze wisten het niet. Ze hadden het den gansch en dag reeds onder elkaar besproken - eu, de . een zei dit .en, de.ander zei_daj; , maar saam moesten ze bekennen, dat ze vragensmoe waren, dat ze zonder blijdschap, zonder hoop waren — ze waren de vertwijfeling en de wanhoop nabij. Och! dat alles nu zóó wreed de bodem ingeslagen was. Dat het nu zoo héél, zoo héél anders was geloopen, dan zij zich hadden voorgesteld!
En ziet, daar komt Jezus aan en voegt Zich bij hen.
Maar ze kennen Hem niet. Daar zorgt de Heere voor.
En gelukkig maar, want nu zal — de Heere is een verstandig medicijnmeester! — er rustig gelegenheid zijn, om hun harte uit te storten, om rustig bestraft te worden, om rustig te worden bekend gemaakt met den wortel van hun kwaal n.l. dat zij zich niet hadden gehouden aan de Schriften in hun geloof, in hun voorstelüng, in hun plannen, in hun hoop, in hun verwachting, in hun handel en wandel, in hun denken, spreken en doen.
En zóo hadden ze zich zelf een Jezus gemaakt en zich zelf een weg afgebakend en zich zelf een toekomst geteekend — wat natuurlijk niets dan bittere teleurstelling gaf. Maar om nu door den Heiland gebonden te worden aan de Schriften, aan Mozes, aan de Profeten, aan de Psalmen, aan heel de Godsopenbaring der Oude bedeeling en dan op te merken dat hetgeen geschied was juist precies was gegaan naar Gods raad en plan, naar Gods Woord en wet! Ook naar 't geen Jezus hun altijd had gezegd! Daar ging een licht op over alles voor de droef gestemde wandelaars Hun hart begint te herleven. Hun geest ontwaakt. Ze stappen weer krachtig voort. Ze beginnen er weer smaak in te krijgen. En 't klinkt hun door de ziele: Hmoest zooals het ging!
O! onverstandigen. O! tragen van harte, om te gelooven wat de profeten hadden gezegd.
't Kon en mocht niet zóo, zooals zij 't zich hadden voorgesteld. Dat zou niet tot heerlijkheid van den Middelaar en tot heerlijkheid van Sion geleid hebben. Neen! onmogelijk.
"Waarom niet? Wel — was dan de diepste ellend, dat Israel onder iïome's macht zuchtte? Was dan de grootste heerlij khrad weer een aard& ch Koninkrijk te hebben met een aardsch Koning? Ging het er dan om, om het aardsche Jeruzalem weer tot residentie té maken hier beneên voor het Joodsche volk?
Ging dan de verlorenheid, de verdoemelijkheid, de schande en de ellende van het volk niet veel dieper i ging de ellende van het schepsel niet veel heoger; en was er niet een andere verlossing, een andere vrijmaking, een andere heerlijkheid noodig?
En ziet, als men dat leert peilen, die diepte van zonde, vloek en oordeel, ziet, dan moet de weg van Christus ook door den dood, door den vervloekten kruisdood heengaan, om alzóo verlossing te brengen.
Dat had Mozes gezegd; dat had David gezongen; dat had Jesaja geprofeteerd: de verzenen zouden vermorzeld worden, de ziele zou zich moeten uitstorten in den dood, het Lam Gods moest geslacht, en in verlatenheid zou de ziele moeten klagen onder het recht Gods, dat heilig en onkreukbaar is, eischende den eeuwigen dood van het schepsel, dat tegen God gezondigd heeft.
De wet lag onder het verzoendeksel.
En het bloed moest uitgesprenkeld worden, om den vloek der wet weg te doen. Ziet — dit was nu geschied.
En gelukkig maar, want dat was tot heerlijkheid van gansch Sion!
Nu had Jezus voldaan aan Gods eisch. Nu was de Schrift vervuld. Nu was de vloek gedragen. Nu was de dood verslonden. Nu was de hel overwonnen. Nu was verlossing aangebracht. Nu was Jezus met victorie, met heerlijkheid en eere bekleed. Nu zou Sion verlost worden. Nu ging het naar een hemel, naar den hemelschen troon, naar het hemelsch Jeruzalem. Eerst Christus. En dan allen , voor , wie. Hij nu had voldaan, hun gerechtigheid en zaligheid en eeuwige heerlijkheid verwervende!
O! wat is de Heere wijs en goed en genadig en ontfermend.
O! wat weet de Schrift het kostelijk goed hoe het moet, hoe het gaan zal, hoe het terecht zal komen.
En inblikkend in die wegen en gangen des Heeren, roept de ziele van Gods kind — recht verootmoedigd en waarlijk afhankelijk gemaakt — „o, diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennisse Gods! hoe ondoorzoekelijk zijn Zijne oordeelen en onnaspeurlijk Zijne wegen!"
Ja — des Heeren werk is volmaakt. En omdat alles diep, diep verloren is, dood en doemwaardig, daarom is er geen goed te verwachten van den mensch.
Ze zullen beschaamd worden allen die op zichzelf vertrouwen of zich goden maken naar eigen lust.
Maar van zonde en oordeel overtuigd zijnde, wil de Heere komen wijzen op den eenigen, diepen, vreeselij ken, heiligen, goddelijken, volmaakten en juist gepasten weg die daar tot verlossing en zaligheid van een arm zondaarsvolk in Jezus Christus is geopenbaard.
Zóo moest het. Omdat de zonde zoo gansch verdoemelijk maakt alle vleesch.
En nu het zoo is, is Christus verheerlijkt in dien weg en zal een iegelijk die gelooft door Hem in die heerlijkheid deelen.
Ja — twijfel aan alles wat de mensch uitdenkt.
Wantrouw al dat mooie, dat groote, dat schoone, dat schijnbaar gezegende, 'tgeen uit des menschen brein voortkomt.
Maar van zonde en verlorenheid, van vloek en oordeel overtuigd zijnde, behoeft .de ziele niet te twijfelen aan 'tgeen in Christus is geopenbaard.
Dat heeft Hem gebracht tot heerlijkheid. En dat is geschonken tot heerlijkheid voor allen, die in Hem gelooven.
Hoe dichter bij het Woord — hoe verder van des menschen weg en werk.
Hoe dichter bij het Woord — hoe dichter bij den weg Gods en het werk van Jezus Christus, dat de dood is voor den dood, dat zegen geeft voor vloek, dat Israel verlossen zal èn nu èn tot in eeuwigheid.
Ja — de Heere leeft. De Heere regeert. En de Heere heeft in Christus hulpe besteld voor gansch Sion, hun gevende genade en eere.
Jammer — als de ziele zoo onverstandig is en zoo traag om te gelooven, alles ' wat de Heere in Zijn Woord ons heeft 'geopenbaard.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 april 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 april 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's