De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

6 minuten leestijd

Geen reehtsgelijkheid.

De algemeene indruk, welken de tekst van het door de Staatscommissie voorgestelde artikel 192 der Grondwet op de voorstanders van het bijzonder onderwijs maken zal, kan haast niet anders worden weergegeven dan door: „dankbaar, maar niet voldaan".

Er moge reden tot blijdschap zijn, dat eindelijk de politieke leiders van de vrijzinnige groepen op een enkele uitzondering na en van de sociaal-democratische fractie in de Tweede Kamer blijkens hunne onderteekening van het Rapport der Staatscommissie, tot de erkentenis gekomen zijn, dat het bijzonder lager onderwijs naar denzelfden maatstaf als de openbare scholen uit de openbare kas behoort te worden bekostigd, doch verder dan tot het uiten van dankbaarheid op dit punt geeft het Rapport geen aanleiding.

Op vele andere punten wekt de redactie van het ingediende artikel 192 teleurstelling.

In de eerste plaats valt de aandacht op de bevoorrechte positie, welke het openbaar onderwijs ook in het voorstel der Staatscommissie blijft behouden.

Zoo luidt het 3e Iid:

Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen, door de wet geregeld.

En het 4e lid:

Overal in het Rijk wordt van overheidswege de gelegenheid gegeven tot het ontvangen van voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs.

In sterke mate komt die bevoorrechte positie van het openbaar onderwijs uit in de toelichting, welke de Commissie op het 4e lid geeft.

Niemand, zoo schrijft de Commissie, mag verstoken blijven van de gelegenheid om voor de kinderen, aan zijn zorg toevertrouwd, het onderwijs te erlangen, dat allen in de maatschappij noodig hebben en waarbij ieder» godsdienstige begrippen worden geëerbiedigd. Die gelegenheid zal kunnen bestaan in het van Overheidswege te geven onderwijs, d. i. op de openbare school. Maar dit nog niet geheel afdoend achtende, behoort er naar de Commissie ook voor gewaakt te worden, dat de enkele kinderen, welke, in gemeenten, waar een openbare school niet bestaat, toch openbaar onderwijs zouden willen genieten, de gelegenheid  daarvoor ontvangen. Dit kan dan o, a geschieden door samenwerking van gemeenten of het verleenen van vergoj dingen ten behoeve van het bezoek eenj, elders gelegen school.

In bovenstaanden zin moet naar het oordeel der Commissie dan ook het 4 lid van het door haar voorgestelde artiljf bezien worden.

Men ziet hoe hier de positie der open bare school tot zelfs in de onderdeele; gewaarborgd wordt. Daarbij treft het, dat de Commissie ten opzichte van hen, die het openbaar onderwijs voor hunne kinderen niet begeeren, maar de gelegenheij wenschen tot het verkrijgen van bijzonde, onderwijs niet zoo angstvallig te weti gaat: In gemeenten waar geen bijzondere school bestaat, wordt op geen combinatie van gemeenten aangestuurd of wel bij verleenen van vergoedingen in uitzicht gesteld.

Voor alles moet in het voorstel der Staatscommissie de openbare school haar eereplaats in het onderwijs behouden,

Vooral op dit punt staat het bijzondei onderwijs in heel wat ongunstiger conditiiii vergeleken bij het voorstel, dat door Grond wets-Commissie onder het vori| kabinet gedaan werd.

Toen luidde het 3e lid van het out worpen artikel 192:

Voor zoover zich eene behoefte aan ande algemeen lager onderwijs openbaart dat waarin door de ingezetenen wordt voorzien wordt dit onderwijs van Overheidswege verstrekt.

Hier was het: „de bijzondere schooi regel, de openbare school aanvulling",

Natuurlijk kon deze speciaal anti revolutionaire eisch onder de gegeven om. standigheden niet gesteld worden, althans het was niet te verwachten, dat hij in de Staatscommissie van 31 Decembei 1913 eene meerderheid zou verkrijgen

Maar wat wel gehoopt mocht wordei was dit, dat tenminste aan hetopenbaai onderwijs geen voorsprong bleef en ei op gelijk recht zou-aangestuurd worde» ook ten aanzien van de bijzondere school

Want komt dit artikel, zooalsde S aats commissie het ontwierp, in de Grondwet; dan zal het weer een heele reeks van jaren duren, dat het bijzonder onderwijs ten achteren staat bij de openbare school,

Maar ook, en dit is een tweede teleui stelling, is er in het door de Commissi! gedane, voorstel al evenmin sprake vai een algeheele jinancieele gelijkstelling tm schen het bijzonder en het open baai onderwijs.

Het zesde lid van het nieuwe artikel toch luidt:

Het bijzonder algemeen vormend %» onderwijs, dat aan de bij de wet te stellei voorwaarden voldoet, wordt naar denzelfdej maatstaf als het openbaar onderwijs uit dt' openbare kas bekostigd.

Wij cursiveeren hier het woord lage voor het woord onderwijs ten einè duidelijk te doen uitkomen dat, waarin' dit lid gesproken wordt over het bekostigen naar denzelfden maatstaf, dit alleen hel bijzonder algemeen vormend lager onder wijs betreft. Een zelfde regel wordt niel voor het middelbaar en voorbereideüi hooger onderwijs gesteld.

' Voor die beide laatste takken van. onderwijs heet het in hetzelfde zesde liii van het artikel slechts:

De wet stelt de voorwaarden vast, waaro| voor het bijzonder algemeen vormend middel baar en voorbereidend hooger onderwijs bij dragen uit de openbare kas worden verleend,

In deze bepaling wordt dus geen financieele gelijkstelling voor het bijzonder middelbaar en voorbereidend hooger onderwijs met het openbaar middelbaai en voorbereidend hooger onderwijs geproclameerd. De wet zal voorwaarden vaststellen, waarop bijdragen uit de openbare kas worden verleend.

De Commissie meent zeker al heei vrijgevig te zijn, wanneer zij in de toe lichting op dit gedeelte van het zesde lid van het artikel schrijft:

Ook voor het bijzonder algemeen vorm middelbaar en het voorbereidend hoogei onderwijs is thans de verleening van bijdragen uit de openbare kas voorgeschreven. De financieele regeling kan voor dit onderwijs dat niet overal en voor allen noodig is, niei dezelfde zijn als voor het lager onderwijSj weshalve de wetgever hier meer vrijheid van beweging behoort te hebben.

Waarvoor die vrijheid van beweging: welke geheel ten nadeele van het bijzoD' der middelbaar en gymnasiaal onderwijs komt, noodig is, lijkt ons niet over duidelijk.

Intusschen staat de zaak zoo, dat d bijdragen, welke deze takken vanonde wijS in de toekomst zullen geniete geheel van het welgevallen van de wetgever zullen blijven afhangen.

I Ook op dit punt is er dus achtersteW ling van het bijzonder bij het openbaai onderwijs.

Voorshands laten wij het bij dit tweetal punten ten aanzien waarvan de tekst van het voorgesteld artikel 192 de voorstanders van het bijzonder onderwijs niét kunnen voldoen. '

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 april 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 april 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's