De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Onze Belijdenis.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onze Belijdenis.

9 minuten leestijd

Art. 15d. „Niet om in de zonde gerust te slapen, maar opdat 't gevoelen dezer verdorvenheid de geloovigen dikwijls zoude doen zuchten, verlangende om van dit lichaam des doods verlost te worden. En hierover verwerpen wij de dwalingen der Pelagianen, die zeggen, dat deze zonde niet anders is dan uit navolging."

Lxn.

De erfzonde wordt door den Doop niet ganschelijk te niet gedaan, noch geheel uitgeroeid. Inplaats daarvan blijft deze zonde ook in een kind van God nog altoos de onzahge fontein waaruit het onreine water bij voortduring springt. Niettegenstaande de verdoemende kracht van de zonde door Christus te niet is gedaan, blijft ieder kind des Heeren zijn leven lang een zondaar die het gedurig weer met den apostel Paulus belijden moet: zoo vind ik dan deze wet in mij: als ik het goede wil doen dat het kwade mij bijligt.

Maar nu moeten we niet meenen dat al is daar vaak een vallen, daar bij de geloovigen een leven in de zonde zou kunnen zijn. Integendeel, daar is in ieder die waarachtig door Gods Geest is wedergeboren een vermaak in de wet Gods naar den inwendigen mensch, en wel is daar ren andere wet in zijne leden welke strijdt tegen de wet zijns gemoeds en hem gevangen neemt onder de wet der zouden die in zijne leden is, maar met die wet is hij het in den grond der zaak niet meer eens.

Vandaar dat de zonde hem ook nooit tot blijdschap kan zijn, maar hem op den duur altoos weer tot droefheid moet worden. Het is dan ook volstrekt niet waar dat er tnsschen een onwedergeboren en een wedergeboren zondaar gansch geen onderscheid is. Zeker, uit en van zich zelf blijft ieder kind des Heeren ook na ontvangene genade een godde looze die tot hinken en tot zinken ieder oogenblik gereed is. En tot welk een diepen val zelfs een kind van God komen kan, daarvan is de zonde met Bathseba van David en de zonde van de verloochening van Petrus zeker wel het droeve bewijs. Maar daar staat tegenover dat, als Christus een gestalte in ons verkregen heeft, de nieuwe mensch die uit God geboren is, niet zondigt en zelfs naar het woord van den apostel Johannes, niet zondigen kan.

En vandaar dat zulk ©en mensch, bij wien alles nieuw is geworden ook nooit vrede kan hebben met de zonde die hij m het lichaam des doods nog weer zoo telkens bedrijft. Toen David zijn schrikkeJ^'ke zonde van overspel, gepaard met moord en diefstal misdreef, kon het niet anders of toen de prikkel van Gods wet hem door het bekende woord van Nathan in de conscientie greep, moest hij sijn zoude bekennen en zijn aangrijpende belijdenis in den 51en Psalm afgelegd, doet ons zien hoe hij in zijn zonde niet heeft geslapen, maar hoe het gevoelen zijner verdorvenheid hem tot waarachtig berouw heeft gebracht.

En zoo was het met Petrus en is het met al de geloovigen die zich aan grootere of kleinere zonden zoo gedurig weer schuldig maken. Toen de Heiland Petrus aanzag lezen we van hem, dat hij, naar buiten gaande, bitterlijk weende, en wij kunnen er zeker van zijn, dat Petrus toen reeds zag hoe afschuwelijk de daad was waaraan hij zich voor nog maar enkele oogenblikken vergreep. Ja, zou er wel een kind des Heeren zijn die, krachtens het nieuwe leven dat God in hem geplant heeft, geen innige begeerte in zich heeft om zijnen God op het noogst te verheerlijken en als hij nu telkens weer bemerkt dat hij daarin nu door deze en dan weer door gene zonde wordt verhinderd en tegengestaan, zal hij dan onder die zonde niet zuchten en zal hij dan niet verlangen om van het uchaam des doods te worden verlost?

En wanneer nu dat verlangen om van net lichaam des doods verlost te worden, bestaat, dan moet ge niet meenen dat onder dat lichaam des doods alleen het menschelijk lichaam moet verstaan worden. Immers het is niet zoo dat de nieuwe mensch die door de kracht van Christus is opgewekt, alleen zetelt in de ziel en dat de oude mensch die met Christus moet sterven en in beginsel reeds gestorven is, ^ alleen zgn heerschappij uitstrekt over het lichaam van den zondaar. Neen, de verandering die daar bij de wedergeboorte in een kind des Heeren plaats grijpt strekt zich wel in de eerste plaats uit over het hart, maar vandaar uit wordt dan toch door dit nieuwe levensbeginsel het gansche leven, dus ook het lichamelijk leven van den zondaar, beheerscht. Immers „uw geheel oprechte geest én ziel én lichaam worden onberispelijk bewaard".

En zoo ook omgekeerd, de macht der zonde, de wet der zonde des doods die in zijne leden is, oefent niet alleen haar invloed uit op het lichaam, maar ook op de ziel van Gods kind. Vandaar dat we niet moeten meenen dat met de verlossing van het stoffelijk omhulsel des lichaams alléén de ziel reeds gebaat zou zijn. Neen, , beide, ziel en lichaam blijven door de zonde besmet, en blijven het dus noodig hebben om tot het einde toe geheiligd te worden. En zoo moet onder het lichaam des doods dus verstaan worden die booze macht van Satan waarmee hij zoowel de ziel als het lichaam en zoowel het lichaam als de ziel van een' kind des Heeren bestrijdt; maar omdat die booze macht niet eer gebroken zal wezen voor dat lichaam en ziel door den tijdelijken dood gescheiden zullen aijn en voordat dus het lichaam zal afgelegd wezen en de geloovigen voorloopig alleen naar hunne zielen zullen voortbestaan, daarom wordt die booze macht vergeleken met het lichaam en wordt zij dan genoemd het lichaam des doods.

Van dat lichaam des doods, m.a.w. van die looze macht der zonde verlost te worden, dat is het wat ieder die waarlijk God vreest verlangt. Immers, hij gevoelt het, zoolang dat lichaam des doods zijn heerschappij blijft behouden kan hij niet leven, zooals hij leven wil. Vandaar het zuchten dat zij bij het gevoelen üunner diepe verdorvenheid, zoo 1 telkens weer doen en vandaar dat zij den Heere danken, wanneer zij verstaan dat ook de verlossing van het lichaam des doods, de bevrijding van de macht der zonde binnen in hen alleen het werk van Christus Jezus is. Wanneer de apostel Paulus dan ook zucht: ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods, laat hij er aanstonds op volgen: ik dank God door Jezus Christus onzen Heere.

Maar als de zonde nu de natuur van den zondaar dermate verdierf dat hij er zelfs ook na ontvangene genade zijn leven lang mee te worstelen heeft, dan ligt hierin vanzelf opgesloten dat de leer van Pelagius en van allen die zeggen dat de zonde niet anders is dan uit navolging, dwaalleer is en derhalve door oiis verworpen moet worden.

Pelagius, wiens volgelingen hier met name genoemd werden, was de man die in het begin der 5e eeuw na Christus de Kerk des Heeren door zijn dwaalleeringen grootelijks heeft beroerd. Zijn grondstelling, tevens zijn grondfout was deze dat de val van Adam aan de menschelijke natuur niets heeft veranderd en dus ook voor zijne nakomelingen zonder eenigen invloed is geweest. Volgens Pelagius wordt de mensch nog altoos geboren, zooals God Adam eens schiep en dat de mensch dan toch een zondaar is berust alleen op de macht der verleiding die er van het kwade voorbeeld uitgaat. De mensch heeft echter een vrijen wil om het goede te doen of het kwade te kiezen, zoodat het zelfs zou kunnen voorkomen dat er zonder de genade Gods zondelooze menschen bestaan. Het getuigt natuurlijk al aanstonds tegen deze .Pelagiaansche dwaalleer dat er dan niemand is die ook werkelijk zondeloos is.

Deze Pelagiaansche gevoelens schoon met vrucht door Augustinus bestreden, hebben toch niet nagelaten wortel te schieten in den bodem van Gods strijdende Kerk. En niet alleen dat het Semi-Pelagianisme met name in de Roomsche Kerk zelfs een vruchtbaren bodem vond, maar ook in de Protestantsche Kerken is de oude dwaalleer van Palagius weer onder nieuwe namen en in andere vormen tot openbaring gekomen. De Socin'anen die in de 16e eeuw vooral in Polen en Zevenbergen veeel aanhang hadden, maar wier gevoelens ook buiten hun omgeving tot zelfs in ons Vaderland gretig ingang vonden, leerden o.m. dat er geen erfzonde bestaat, maar slechts een overgeërfde neiging tot het kwade, en dat de bekeering door eigen krachten begonnen, alleen door den bijstand Gods wordt voltooid.

Met deze Sociniaansche dwaalleer zijn de Remonstranten en ten deele ook de Mennonieten het eens. Een der Remonstrantsche dwalingen toch die op de bekende Synode van Dordrecht veroordeeld en verworpen zijn, is deze dat de mensch uit vrije keuze gehoorzaamt aan de roeping en een andere stelling, daarmee in het allernauwste verband staande is deze dat de genade Gods wederstandelijk is. En wat de Mennonieten betreft is het bekend dat zij wel erkennen dat er een zekere verdorvenheid in den natuurlijken mensch bestaat, maar deze verdorvenheid wordt door hen eerst zonds genoemd, wanneer zij zich in daden openbaart. Ook bij hen is er dus van erfzonde in eigenlijken zin des woords geen sprake. En zoo is het met allen die de leer van Pelagius zijn toegedaan. Door hen allen wordt ontkend of miskend dat de zonde van Adam, zoowel door toerekening als dor overerving ook ons is aan de eene zijde tot schuld en aan de andere zijde tot een inklevende smet.

Daarom moeten ook al dergelijke leeringen als Pelagiaansche dwaalleer door ons verworpen worden en moeten we vasthouden aan de leer van Gods Woord, inzonderheid in de Paulinische brieven vervat en later door Augustinus en nog later door Calvijn nader ontwikkeld, dat n.l. het gansche menschelijke geslacht alleen reeds door de zonde van Adam reddeloos verloren ligt en het werk der verlossing dus eenig en alleen een vrucht is, van de vrij machtige werking van Gods eeuwige en souvereine genade.

{Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 mei 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Onze Belijdenis.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 mei 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's