Uit het kerkelijk leven
Voortvaren III.
De positie, welke de Kerk — en nu bedoelen we hier bizonderlijk de Ned.
Herv. Kerk — inneemt in het midden van het volksleven, is niet van dien aard, dat we kunnen getuigen, dat zij daar staat als een stad op een berg, als een licht op den kandelaar, als uitdragende het Woord des Heeren naar alle kanten, als een getrouwe getuige van Jezus Christus.
Doordat zij is afgeweken uit de gereformeerde paderj, is haar positie verzwakt. Er is scheuring gekomen. Br is partijschap. Er is voortdurend eenelkander bevechten. Er is allerlei strooming.
Er is elk wat wils. Er is een ongestadige gang. En zoo gaat er weinig kracht van de Herv. Kerk uit, want het is een huis dat tegen zich zelf verdeeld is. Wat de een voor waarheid verkondigt, spreekt de ander tegen. Wat de een aanprijst, veroordeelt de ander. De vastigheid van Gods waarheid is weg. En zoo gaat er weinig kracht van haar uit, terwijl veel werk, haar door den Heere opgedragen, ongedaan blijft liggen of door particulieren wordt verricht.
Hoe staat hét niet het werk der liefde, met den arbeid der barmhartigheid? 't Draait alles om „de richting", om „de partij." Alles wat „kerkelijk" wordt aangepakt is onderhevig aan de wonderlijkste schommelingen, omdat nu eens de éene partij aan 't woord is en dan weer de andere richting den boventoon voert.
Dat is in 't groot zoo en dat is in 't klein zoo. Dit is 't geval als de Synode iets doet voor heel de Kerk en dat is ook't geval als de Kerkeraad in deze iets gaat doen plaatseUik, in eigen gemeente. Wat wordt er kerkelijk gedaan voor de weezen; voor zieken, voor krankzinnigen, voor verwaarloosde jongens en meisjes, voor gevangenen en voor degenen die uit de gevangenis ontslagen zijn ?
Elke inrichting, elk gesticht, elk huis, elke school, die ook maar eenigszins met de Hervormde Kerk in verband staat, wordt getoetst naar de „richting, " 't beginsel, den grondslag, en zoozeer verschillend zijn ze, dat men gemakkelijk alle kleuren van den regenboog kan bijeen vergaderen en een bonte staalkaart in deze aan ieder kan toonen.
Wat moet dat nu worden?
Dat kan immers niets anders ten gevolge hebben, dan dat er „van wegede richtingen" niets, letterlijk niets door de Kerk als zoodanig kan worden ter hand genomen en volvoerd. Want wat de éene r chting aangenaam is staat de andere richting op 't ergst tegen. Denk maar aan het Opyoedingsgesticht „Valkenheide" te Maarsen.
't Sterkst en het meest sprekend komt het uit, dat de Kerk als Kerk het haar door den Heere opgedragen werk niet kan ter hand 'nemen, als we denken aan het werk der Zending.
De Zending toch moet kerkelijk zijn. Dat ligt in. den aard der zaak. De Kerk hoeft zich als onvolledig te beschouwen.
Er zijn nog zoovelen die tot haar zullen worden toegevoegd uit alle volkeren en van alle deelen der aarde. Dat is naar den rijkdom van Gods verkiezende genade en duidelijk ons in Zijn Woord geopenbaard. De Kerk moet worden uitgeplant.
En nu is het wel waar, dat de gemeente Gods zelf niet weet wie er nog aan haar moeten toegevoegd worden en vanwaar ze sullen komen, die zullen buigen voor den Christus Gods, om Hem te erkennen als hun Heere en Zaligmaker. Maar dit weet de Kerk van Christus wèl, dat haar Zaligmaker en Koning al de voorwerpen van Gods eeuwige verkiezing kent en mint en ook zal toebrengen, waarbij Hij aan Zijn gemeente het bevel heeft nagelaten: „Gaat dan heen in de geheele wereld, predikt het Evangelie allen creaturen; wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zahg worden, maar wie niet geloofd zal hebben zal verdoemd worden." Dèt woord heeft de Heiland gesproken tot de elve. Dat bevel legde Hij op de apostelen; en in de apostelen legde Hg 't op gansch Zijn gemeente.
De Heere werkt dan ook in deze door Zijn Gemeente. De Kerk des Heeren moet tot haar eigen opbouw en voltooiing arbeiden. Zij moet dan ook zelf het werk der Zending ter hand nemen, wat nu evenwel niet kan, dewijl de Kerk niet één geheel is, één lichaam, met één Heere, één geloof en één doop— maar helaas! een huis, dat tegen zichzelf verdeeld is en vervuld van allerlei wind van leer.
lntusschen zijn de zendingsvereenigingen gekomen. Waar de Kerk zelf reeds lang buiten den zendingsarbeid staat, hebben anderen haar taak overgenomen. Maar deze genootschappen zijn vrijwillige vereenigiugen van hen, die wat voelen voor de zaak van Gods Koninkrijk en medelijden hebben met het lot der heidenen, 't Is werk van een vereeniging hier en een vereeniging daar — waarbij de Kerk als Kerk werkeloos is, zoowel wat de opleiding, de ordening, de uitzending van de zendelingen betreft, alsook wat de stichting van nieuwe gemeenten aangaat.
Niets gebeurt kerkelijk noch ambtelijk. Daar moest de Kerk geen vrede bij hebben. Want zeer zeker hebben we het vele goede in de zendingscorporaties te erkennen en te loven den uitgebreiden arbeid, die er sedert het laatst van de 18de eeuw verricht is geworden, maar het is niet de van God verordineerde weg en een bewijs, dat het met de Kerk niet goed staat.
Meer dan een tijdelijk overnemen van dit werk, dat aan de Kerk toekomt, mag het dan ook niet zijn bij de Zendingsvereenigingen; ook bij onzen Gereformeerden Zendingsbond niet. De Kerk moet weer haar roeping in deze bewust worden. En neen! — hoe goed ook bedoeld — de oplossing in deze is niet door de z. g, n. classicale Zending te gaan voorstaan. Want — men versta ons wel! — 't is ons niet genoeg, als dit werk maar kerkelijk gemaakt is. Veel zwaarder weegt ons dat niet alleen de vorm, maar dat het wezen van de zaak in orde is.
En al is er dan wel wat gewonnen, wanneer we kunnen komen in een bepaalde classis tot classicale Zending, dewijl in onze Kerk in alle Classes de schakeering van prediking enz. zoo bont is en er geen enkele Classis is waar al de plaM^tselijke gemeenten zich in leer en levenspractijken gebonden gevoelen aan de gereformeerde beginselen, daar kunnen we op deze wijze toch nooit komen tot een eendrachtig en wel gefundeerd werk — zoolang de Kerk in haar geheel zich niet leert buigen voor den eisch van Gods Woord en onze gereformeerde belijdenis.
Nu — hoe goed ook soms hier of daar bedoeld — staat alles zóo onzeker voor het heden en voor de toekomst, wat de gereformeerde beginselen betreft, dat we ons onmogelijk met goed vertrouwen aan déze kerkelijke Zending geven kunnen. Dat moet op allerlei moeite en teleurstelling uitloopen, omdat ten slotte weer allerlei leering en allerlei practijk evenveel recht heeft in een Classis en men nooit vandaag zeggen kan hoe dej^estesstrooming over tien jaar — en eerder misschien! — gaan zal.
Zoolang dan ook de belijdenis in onze Hervormde Kerk niet gehandhaafd kan worden, verwachten we van kerkelijk" Zending niets.
Neen — en hier zijn we weer genaderd tot ons punt van uitgang — waar de Herv. Kerk niet op haar plaats staat, baar van den Heere aangewezen, daar zal en daar kan van haar niet die kracht en dat werk uitgaan, zooals dat het geval zou zijn, wanneer zij leefde uit het beginsel van Gods Woord onder haar Hoofd en Heiland Jezus Christus, Die verhoogd is aan de rechterhand Gods, des Vaders, En moet dat nu zoo blijven?
Moeten we het aanzien dat naast haar en tegenover haar de Gereformeerde Kerken zich openbaren, omdat zij zelve weigert zich te bukken onder den heiligen eisch Gods, ons in Zijn Woord geopenbaard ?
Moeten we er ongevoelig voor zijn, dat de aloude Gereformeerde Kerk, die als haar wettigen grondslag nog altijd heeft de gereformeerde belijdenisschriften, zich openbaart als éeu vereeniging van elk wat wils?
Moeten de partijschappen maken, dat alle krachten verteerd worden in grooten kring en in plaatselijke omgeving, door allerlei gekibbel en allerlei gevecht — niet zelden gaande op leven en dood? Moet de Kerk van Christus zijn als het goud dat verdonkerdis als een smeulend en rockend vuur, als een walmende lamp, als een wegstervende kaars?
Moet al dat werk, dat er te verrichten is op zoo velerlei gebied, maar ongedaan blijven, of versnipperd en verzwakt door allerlei verschil in beginsel?
Wat is nu toch een huis, dat tegen zichzelf verdeeld is? Wat is een koninkrijk, waar een ieder doet wat goed is in z'n oogen?
Of moet de Kerk des Heeren in dezen lande zich weer gaan openbaren als één lichaam, met het Hoofd Jezus Christus ten nauwste verbonden, zich voegend naar Zqn Woord?
Moet alle gehoorzaamheid aan de inzettingea van menschen, die enkel ijdelheid zijn, wanneer ze niet steunen op Gods Woord, niet worden opgezegd, om te leven bij Gods geboden, die geest en leven zijn voor al Gods gunstgenooten ?
Moet niet worden afgezworen al dat roepen: „bij elkander houden!" waarde Heere wil, dat er scheiding zal zijn en blijven, tusschen leugen en waarheid?
En daarom, neen! wanneer we vooruit willen; wanneer we idealen koesteren; wanneer we vele wen? chen in ons omdragen ziende op de toekomst, ziende op de Kerk, op de school, op de maatschappij, gedachtig aan alle terrein des levens — ziet! dan moeten we niet over de dingen heenglijden, maar dan moeten we in 't oog houden waar de fout van ons Kerkelijk leven zit, om dan ook zoo duidelijk mogelijk aan te geven hoe de oplossing van het kerkelijk vraagstuk — waaraan zooveel vastzit — is te verkrijgen; welken kant het uit moet en langs welken weg het te bereiken is.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 mei 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's