Allerlei.
Pniël.
Gij, God der sterkte. God der eere,
Zie mij genadig aaii! Tenzij Gij eerst mij zegent, Heere!
Laat ü mijn ziel niet gaan.
Verzegel aan mijn krank geweten
Uw schuld vergiffenis; Het leven kan geen leven heeten
Als ik Uw aanschijn mis.
Al dreigt een grimmig wolkgewemel,
Waarvoor 'tgestarnte zwicht. Uw glimlach is een lentehemel
Van onbezweken licht.
Wilt Gij, o God, de mijne wezen ?
Mijn deel in eeuwigheid? Dan doet geen gapend graf mij vreezen.
Daar mij Uw hand geleidt.
Dan doet geen hel mijn ziel versagen
Al gaapt zy voor mijn schreên. Want Uw genadewieken dragen
Mij door den vuurgloed heen.
Kan hier in 't stof een stil gelooven
Reeds zooveel zoetheên biên. Wat zal het zijn als we eens daarboven
U zonder sluier zien?
Als we in Uw volle zalen knielen,
O eeuw'ge Zonneschijn, Gezegend Paradijs der zielen.
Wat „Pniël" zult Gij zijn!
Maranatha.
Maranatha: ernstig woord! Laten wij ons voorbereiden. Jezus komt! Hef wordt gehoord In de teekenen der tijden: Alles zegt ons meer en meer: „Spoedig komt de Christus weer".
Maranatha: vreeselijk woord, Voor wie niet tot Hem zich wenden. Uit Zijn mond wordt straks gehoord: „ 'k Ken ze niet, die Mij niet kenden" — Zeg het hun dan telken keer: „Spoedig komt de Christus weer".
Maranatha; heerlijk woord, Voor wie hopend Hem belijden, Eenmaal zullen 'z ongestoord In Zijn Aanschijn zich verblijden — Troost elkaar dan keer op keer: „Spoedig komt de Christus weer".
Maranatha; ernstig woord! Laten wij ons voorbereiden. Moedig, lijdzaam hopend voort. Werken, wachten, lyden, strijden. Biddende van onzen Heer: „Heiland, kom! Kom spoedig weer".
Voorjaar.
't Is waar, nog meenge boom staat, kaal; Toch. spreekt Natuur alom de taal
Van nieuw en blij ontwaken. April moog' „wat hij wil" graag doen, We zien toch reeds het eerste groen,
Dat alles mooi zal maken. Dra prijkt Natuur in volle pracht. Want alles bot en zwelt met kracht;
Plots berst het alles open Dan is het Lente's feestgetij. Dan zingen wij het lied weer blij,
Waartoe Gods goedheêu nopen. Ach, wierd deez' zang niet meer gestoord Door 't dof gebrom — nu vèr gehoord,
Maar dat ook dicht kan komen — Van 't veldgeschut Ach, oorlogswee, Vlucht weg toch op der Lente beê,
Beschaam geen Voorjaarsdroomen.
Liever een flinken uitval, dan een dof gemopper; een stortbui maakt de straten schoon, maar bij motregen loopt gij in de modder.
Lastig is 't verkeer met hardhoorigen; 't lastigst, als de hardhoorigheid niet in de ooren zit, maar in de ziel.
De menschenziel moet doen als de boom, en voedsel trekken uit de aarde en den hemel.
Zon om ons geeft niet altijd zonneschijn in ons; maar de zon in ons geeft altijd zonneschijn ook om ons.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 mei 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's