Staat en Maatschappij.
Niet meer dan één stap vooruit.
De hoop, dat de arbeid van de bevredigingscommissie tot het einde van den schoolstrijd leiden zou, schijnt niet verwezenlijkt te worden.
Althans het voorgestelde Grondwetsarijkel 192 geeft niet het compromis dat verwacht mocht worden.
Het voorstel der Staatscommissie doet zelfs geen enkele stap in de r chting van hetgeen door de voorstanders van het Christelijk onderwijs steeds als de hoofdzaak voor de beëindiging van den schoolstrijd beschouwd werd n.l, „de vrije school regel, de openbare school uitzondering". De openbare school blijft haar officieel cachet van te zijn de normale schooi behouden. „Overal in het Rijk wordt — zoo luidt het in wat de Staatscommissie aanbood en door de regeering in haar voorstel aan de Staten-Generaal werd overgenomen — van Overheidswege de gelegenheid gegeven tot het ontvangen van voldoend openbaar (wij cursiveeren) algemeen vormend lager onderwijs". Zoo die zinsnede in het nieuwe Grondwetsartikel opgenomen wordt, krijgt het vrije onderwijs niet die plaats in de Grondwet, welke haar van rechtswege toe komt.
Maar daar komt nog bij, dat waar de Staatscommissie, die tot de „fioancieele gelijkstelling" besloot, dit alleen maar gelden deed voor het „algemeen vormend lager onderwijs". Het middelbaar en het gymnasiaal of voorbereidend hooger onderwijs blijft buiten de financieele gelijkstelling. Dat onderwijs kan eene bijdrage uit 's Rijks kas ontvangen, doch daar blijft het dan ook bij.
Het standpunt, dat de Staatscommissie tegenover het middelbaar en gymnasiaal onderwijs innam, had een geheel andere kunnen zijn. De opdracht welke zij kreeg, stond haar daartoe niet in den weg. Die opdracht luidde o.m.:
„Wettelijke voorschriften te ontwerpen ten aanzien van de voorziening in de kosten van het openbaar en het bijzonder oijderwijs, waardoor de deugdelijkheid en de krachtige vooruitgang van het onderwijs der jeugd wordt verzekerd, onder behoud van de opvoedkundige zelfstandigheid van het bijzonder onderwijs".
Ter verduidelijking van hetgeen de commissie onder dit gedeelte van hare opdracht had te verstaan, gaf de Minister van Binnenlandsche Zaken in zijne installatie reeds op 8 Januari 1914, deze omsehrijving:
De u verstrekte opdracht is ruim gesteld. Zij roept u eene regeling te treffen van den financieelen grondslag van het volksonderwijs. Daaronder is allereerst te verstaan het lager onderwijs in zijn geheelen omvang. Daarnevens zal ook het middelbaar en hooger onderwijs uwe aandacht vorderen.
Uit deze omschrijving van het doel der Staatscommissie volgt, dat zij, ook al liet de Minister onmiddelijk op het boven aangehaalde volgen:
Het is niet uitgesloten, dat daarbij andere grondslagen worden aangenomen dan ten aanzien van het lager onderwijs worden vastgesteld,
toch geheel vrij bleef, om ook voor het bijzonder middelbaar en gymnasiaal onderwijs op financieele gelijkstelling met het openbaar onderwijs aan te sturen. Dat de commissie dat niet deed, valt te bejammeren en wekt, wat van zelf spreekt, ongerustheid.
Mocht het dan ook zoo loopen, dat wat de finantieele gelijkstelling, bij het lager onderwijs betreft, er bq de Grondwetsherziening tusschen de verschillende partijen overeenstemming kwam, doch werd er verder niets verkregen, dan zou wel een nieuwe stap in de richting van de beëindiging van den schoolstrijd gedaan zijn, maar de strijd zelve bleef dan nog op de baan.
Daarmede zou van algeheels bevrediging dan ook nog geen sprake kunnen zqn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 mei 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's