De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Zware tijden.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zware tijden.

14 minuten leestijd

2 Timotheüs 3:1. En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden.

II.

De Heere wil dus, dat de gang van het wereldleven door de predikers van zijn Woord zal worden bespied, opdat zij in de prediking daarop letten, daarvoor waarschuwen. Hij oordeelt de ongevoeligheid, de onaandoenlijkheid tegenover de teekenen der tijden. Hij spreekt het wee over de gerusten in Zion en de zekeren op den berg van Samaria. En daarom, dit gebrek aan levensernst en inzicht zelf is een teeken van het naderend oordeel. Om die reden legt de apostel er zooveel nadruk op door zijn „weet dit". Weet dit, broeders, om uwer zielen zaligheid, weest niet ongeroerd door de dreigende gevaren van dezen tijd. En zoo heeft nog de dienst des Woords diezelfde taak en kan hij zich daarvan niet straffeloos afmaken. De verantwoordelijkheid is daarom zoo groot, zoo drukkend.

De apostel legt er op geheel eigenaardige wijze nadruk op, dat wij deze zware tijden niet maar als toekomstig hebben te beschouwen, doch veeleer als dreigend, als plotseling over ons komend, wanneer wij ze allerminst verwachten. Hij wil ons zeggen, dat de hand Gods in deze dingen is. Niets zal bij machte zijn deze gevaren te keer en, ook al zmllen zij zich inspannen om ze verre van zich te houden. De zware tijden zullen zich ondanks alles opdringen. En ons zal noodig zijn een open oog te hebben voor de oordeelen Gods daarin, voor zijn toorn en voor zijn recht. Want hoezeer ook de wereld weigeren moge, gelijk ook in onze dagen blqkt, dat recht er in te erkennen, omdat zij in god verzaking ondergaat, het volk des Heeren zal het er; ; in moeten zien. Want daar het aan zichzelven ontdekt is, vindt het ook voor die rechtvaardige oordeelen de gronden in eigen zonde.

Het is dus de roeping der dienaren des Woords uit dat oogpunt deze zware tijden te laten zien, opdat de gemeente er de laatste tijden in herkennen zal. In de erkenning daarvan ia een machtige prikkel tot zelfonderzoek en een drang tot innig, teeder geestelijk leven, wijl Gods kinderen er door worden geleid tot het uitzien naar des Heeren komst. De Heere Jezus komt daardoor als nader tot de zielen zijner kinderen. Het groote nut van de teekenen der tijden voor de gezondheid van het geestelijk leven mag dus niet worden voorbijgezien en de prediking heeft dus allereerst tot taak het oog der gemeente bij het licht van Gods Woord te doen zien, hetgeen het karakter dezer tijden kenmerkt. Zij zal ontdekt moeten worden voor de zonde der laatste dagen, ook voor hare eigene zonde daarin, opdat zij zich voor God verootmoedige , en daardoor bereid wordt om den Bruidegom te ontmoeten. Zooals de enkeling om tot het leven te komen grondig ontdekt moet worden, opdat hij een voorwerp der genade zij, zoo zal ook het tijdleven in zyn geestelijke gronden ontdekt moeten worden, opdat het volk des Heeren tot zichzelf kome en weder aichzelf worde. Dat is daarom zoo noodig, omdat ook het volk des Heeren steeds weder neiging heeft om af te dwalen en ziek zoo gemakkelijk kan laten meesleepen door den grooten stroom. Wij kunnen ons zoo gemakkelijk laten verlokken doordat wij verreweg de meesten zien doen en hooren spreken op eene wijze, waarvan niet zoo klaar en duidelijk in het oog valt, dat het toch niet in overeenstemming is met de beginselen van Gods Woord. Wij hebben niet graag den naam van bekrompen en enghartig. Vooral in onzen tijd, nu ruime Christenen zoo in trek zijn en waarin toch zooveel innerlijke afwijking heerscht in het leven. Daarom juist ia het meer dan ooit tqd om weer klaar en helder en belijnd de leer der waarheid in hare levende kracht voor te houden en niet te vreezen van tegen den geest der tijden, ook in zijne vroomheid, weder positie te nemen.

Dat doet immers ook de apostel door de karaktertrekken op te sommen, waardoor deze zware tijden zich onderscheiden. De menschen, zoo zegt hij, zullen zijn liefhebbers van zichzelven, geldgierig, laatdunkend, hoovaardig, lasteraars, den ouderen ongehoorsaam, ondankbaar, onhei-.lig, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, achterklappers, onmatig, wreed, zonder liefde tot de goeden, verraders, roekeloos, opgeblazen, meer liefhebber» der wellusten dan liefhebbers Gods, hebbende eene gedaante van godzaligheid, maar die dè. kracht derzelve verloochend hebben. Ziedaar het beeld, dat hij ons teekent van die laatste dagen, die zware tijden zullen zijn. En wie onzer herkent daarin niet de treffende gelijkenis van hetgeen onze dagen te aien geven. Waa er ooit een tijd, waarin het Mammonisme grootere afmetingen aannam ? Is niet heel onze moderne cultuur juist daardoor on-, derscheiden? Inderdaad, bij de grooten en de kleinen in heel de maatschappij is geld de eenige bewegende factor. Voor geld doet men alles, wordt alles verkocht, zelfs de eere van duizenden. Zelfs de strijd, die zoogenaamd gevoerd wordt in het belang van Gods Koninkrijk en voor de beginselen van Gods Woord op allerlei gebied, is voor meer dan een nog een middel om er beter door te worden. Er is een wedloop op te merken om hoe langer hoe dichter bij het vuur te komen óm zich des te beter te kunnen warmen. Heel het politieke leven van onzen tijd is daarop als aangelegd. De beginselen van Gods Woord en waarheid zijn daar niet meer doel, maar een middel geworden om in de wereld vooruit te komen en zoogenaamd „carrière te maken." Voor meer dan één is dat het hoogste goed. En dat het zoo voorkomt onder degenen, die zich om de kruisbanier scharen, toont meer dan iets ander», hoe gansch andere beginselen, in lijnrechten strijd met Gods Woord, de plaats hebben ingenomen van het levend geloof. Het materialisme heeft de vreeze Gods uitgebannen, terwijl het vele oude vormen onaangetast liet. Godsdienstige vormen en voorstellingen bleven dan voor het uitwendige bestaan. Uitwendig beschouwd is het, alsof onder de oude namen nog de oude waarheid leeft, maar in werkelijkheid werden zij dikwijls een etiket, waaronder wordt aangediend hetzelfde, dat gist in de wereld der zonde. Zoo kunnen wij bespeuren, dat oude partijen in naam er nog zijn, maar in de werkelijkheid geheel zijn gewijzigd onder een schijn van behoud.

Mammonisme heeft heel ons cultuurleven doorzuurd. Daarom is er in de wereld voor Gods dienst en het werk des Evangelies bij hetgeen groot is in deze wereld geen geld en voor de dingen der wereld zelve steeds overvloed. Wandel slechts door onze groote steden en merk op, hoe de paleizen van den geldhandel en van al hetgeen geld verdient, u tegen pralen in heerlijkheid. Wat zijn de gebedsplaatsen der gemeente in vergelijking met de tempels van den Mammon? En zie, hoe door heel ons leven de jacht gaat naar zulk een bestaan, dat, als twee druppels water op elkander, gelijkt op dat van den rijken man uit de gelijkenis. In de groote wereld is alles gericht op het verdienen van goud, van veel goud. Om dat te verkrijgen worden groote en steeds grooter maatschappijen gevormd. En dat goud is daarom zoo begeerlijk, wijl het den weg opent tot wat schittert, tot de weelde en de glorie, waaraan het moderne leven zoo rijk is. En in de kleinere standen is dezelfde levensdrang te bespeuren. Niet alleen dat de menschen geene tevredenheid meer kennen, maar er heerscht ook daar een weeldezucht, die vroegere geslachten vreemd was. Er is groot verschil tusschen de moeder en de dochter, tusschen het leven van den vader en dat van den zoon. Merk slechts op, welke menschen vooral in de groote steden des avonds de koffiehuizen vullen, wie het zijn, die zich verdringen voor de allerlaatste uitvinding om de menschen het geld uit den zak te halen, voor de helverlichte, met spiegels en beelden rijk voorziene bioscopen. Het zijn dezelfde menschen, die steeds klagen, dat het loon te gering, de arbeid te veel is. En wie daarbij zich indenkt, hoe de zedelijke ellende op onrustbarende wijze toeneemt, boe de echtscheidingen zich vermenigvuldigen, publiek een saamleven van wettelijk ongehuwden wordt verheerlijkt, de schaamteloosheid ongekende afmetingen aannam en de vuilste en gruwelijkste ziekten vermeerderen, die staat ontroerd over de algeheele ontreddering ook van het zedelijk leven der massa. Het volk zinkt weg in een poel van ellende. En wat ook hierbij het ergste is? Niet dat de wereld zulks te aanschouwen geeft, maar dat, helaas, ook in de kringen, die zich als geloovig aandienen, deze zedelijke ontaarding hoe langer hoe meer doordringt, al blijft het nog onder een masker van godsdienstigheid en kerkgang en christelijke werken bedolven. Uit den mond der doctoren kan men beluisteren, hoe ook in de kringen der vromen de venerische ziekten hare intrede deden en van meer dan eene zijde komt men zelfs waarschuwen tegen het gewone gebruik van het Heilig Avondmaal, omdat de besmetting zoo gevaarlijk en zoo algemeen verspreid is. Dat zijn de teekenen der tijden, die zooveel onrust baren, die ons vertolken, hoe de tijden zwaar zijn. En natuurlijk, daarbij komt dan nog, dat men het niet wil hooren en dat, wie er voor waarschuwt en er op wijst en oproept tot bekeering en tot schuldbelijdenis, wordt aan de kaak gesteld als iemand, die het overdrijft. „Het is zoo erg niet", zegt men, „doen wij niet veel voor de zending, ijveren wij niet voor Gods Koninkrijk, wordt er niet veel gegeven en veel gearbeid? " Dat kan men hooren. Ja, men kan het hooren, dat het precies is als oudtijds onder Israel, toen het ten verderve was opgeschreven: ér zijn gerusten in Zion en zekeren op den berg van Samaria. Waarlijk, als er ooit een tijd was, die vreeselijke dingen te zien geeft, die de symptomen vertoont van de algeheele ontaarding onzer zoogenaamde christelijke beschaving, dan is zulks thans het geval. Het geheele maatschappelijke leven onttrekt zich onder vromen schijn aan den reinigenden en heiligenden invloed van onzen Heiland. Hij wordt als opnieuw gekruisigd en zijn bloed wordt onrein geacht en zijne opstandingskracht niet meer ervaren. Goud en nog eens goud is het eenig doelwit en dat goud, wijl het brengen kan de vervulling van alle begeerten van het zondig hart.

En onder de volkeren als geheel gedacht, is het niet beter. De politiek der natiën is geheel veranderd. Voor drie eeuwen werd zij gedragen door de geestelijke belangen, door den eisch van hetgeen de hoogste levensbeginselen vorderden. Toen was er plaats voor een bondgenootschap, dat zich ten doel stelde de reformatie van Gods Kerk en de vrijheid van Europa te handhaven. Thans niets van dat alles. Dezelfde materialistische aandriften, die de enkele menschen overheerschen, heeft zich ook voortgeplant over de volkeren. Het gaat alles uitsluitend om de belangen van handel en nijverheid, om het goud en om het goud alleen. De banken, de groote handels huizen, die zijn het, die beslissen over oorlog en vrede, die de macht hebben om duizenden en duizenden te werpen in den dood.

Zoo blijkt het dus, dat de geldgierigheid niet maar is een gebrek, een zonde der personen, maar zij is door onze cultuur tot stelsel verheven. Dat juist is het vreeselijke, dat zich op geweldige wijze zal wreken. Zij is het karakter onzer cultuur geworden. Heel het maatschappelijk levensproces wordt er door geleid en is er op aangelegd. Daarom vertoont dan ook tevens dat moderne leven zulk een zedelijke ontbinding als de apostel ons omschrijft. En daarom is het dan ook zulk een bang lijden, dat de westersche menschheid heeft aangegrepen en blijkt met al die weelde een smart gepaard te gaan, die eveneens ongekend is in de geschiedenis. Ons tegenwoordig leven is nog het best te vergelijken met den toestand, die in het Romeinsche rijk heerschte, toen het ten ondergang neigde.

Met de dagen, toen de Heere Jezus op aarde omwandelde en toen de eerste Christengemeenten werden gesticht. Ook toen was er eene oververzadiging, eene weelde en eene zedeloosheid, die de stoutste verbeelding te boven ging. Ook toen ging er als thans door de maesa de roep om spelen en brood en sloofden de machtigen dezer aarde zich af om door middel van beloften de massa des volks te gebruiken voor hunne machtsidealen en voor hun jacht op eer en baantjes. En ook toen was er een ongekende zedeloosheid en goddeloosheid en uitspatting. En over die wereld van het oude Rome, dat ten ondergang gedoemd was, is toen de prediking uitgegaan van den verrezen Heiland, die den dood, ook den zondedood overwonnen heeft en die der wereld toonde, wat zij nooit had gezien, namelijk de macht der wondere liefde Gods. Want Hij, die het geen roof behoefde te achten Gode evengelijk te zijn, nam de gestalte van een dienstknecht aan en werd gehoorzaam tot den dood, opdat het wederhoorig kroost altijd bij Hem zou wonen. En toen is het licht van de zonne der gerechtigheid opgegaan over die volkeren, die door Grieken en Romeinen barbaren werden gescholden. Het Evangelie was bij machte op de puinhoopen van het in zijne zedeloosheid, zonde en goddeloosheid ondergegaan Rome, een nieuwe beschaving op te bouwen. En nu in onze dagen zien wij, dat diezelfde eens door het kruis verlichte heidenvolken zich weder hebben opgemaakt om den Gekruisigde uit te bannen. Maar daarmede zinken zij dan ook tevens terug in den poel dier zelfde ellende, die ook de oude wereld kenmerkte; Daarom is ook de vrees niet ongegrond, dat andere volken het westen zullen terugdringen van de leidende plaats, die het nu vele eeuwen heeft ingenomen. Ook deze beschaving neigt ten ondergang.

En daarmede wordt het apostolische woord waarheid: „Eu weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden." De ondergang der beschaving gaat gepaard met eene ontbinding, die ook de geesten uit de diepte laat uitgaan tot verderving van velen. Zoo keert nu de gemeente des Heeren hoe langer hoe meer terug tot den toestand, waarin zij het eerst op het tooneel der historie verscheen. Zij wordt weder klein en invloedloos en veracht. Het groote der aarde keert zich af van de gemeente, die den Zoon des timmermans als haar Heiland en Meester, als haar Heere en God erkent.

Zeker bij dit alles is er eene gedaante van godzaligheid. De vroomheid wordt uiterlijk nagestreefd. Oppervlakkig gezien is er veel godsdienst onder de menschen, maar zulk eene, waarin de geest van den antichrist zijne triumphen viert. Er ontbreekt het^werk des Heiligen Geestes aan. De menschen hebben tegenwoordig zooveel voor Gods Koninkrijk te doen, dat zij geen tijd meer hebben in zichzelven in te keeren, geen tijd meer hebben om Gods aangezicht te zoeken, geen smaak meer hebben in verborgen omgang met Hem. De gansche godsdienstigheid en vroomheid gaan hoe langer hoe meer op in een streven, zooals dit vooral in Amerika vele jaren reeds opgang maakte in breeden kring. Een practisch Christendom, zoo zeggen zij, is noodig. Op het doen komt het aan. Zoo fokt men in meer dan een kring van jonge menschen vooral een kunstmatig geestelijk leven, dat veel schijnt en toch in werkelijkheid niets is dan het blanketsel der zonde. De leer komt er hoe langer hoe minder op aan en met het eenvoudige Evangelie kan deze verlichte eeuw zich niet meer tevreden stellen. Zoo heerscht er een leven zonder wortel in de diepte, dat juist ten doel heeft de menschen af te trekkein van een ingaan in de diepte. Uitwendig moet alles stipt in orde zijn, er moet alles gedaan om zijn ijver te toonen. Het graf wordt gepleisterd met de looze kalk der eigenwillige godsdienst en ware bekeering wordt niet meer geacht.

En daarom, als wij, het woord van den apostel lezend, onze tijden daarnaar afmeten, wie kan dan ontkennen, dat zij het beeld geven te aanschouwen, zooals hij het zag, toen hij schreef: „En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden." En wie gevoelt dan niet, dat de taak van de dienaren des Woords juist daarom in onze dagen zoo uiterst gewichtig is, maar zoo moeilijk tevens. Maar toch is het roeping zonder aanzien des persoons vast te houden aan de oude waarheid en den rechtvaardige aan te zeggen, dat het hem wèl en den goddelooze aan te kondigen, dat het hem kwalijk zal gaan. Wat ons noodig is, dat is weder belijnd en klaar het oude Evangelie te ontvouwen, dat alleen weet van het besluit, dat de mensch door het geloof gerechtvaardigd wordt zonder de werken der wet en dat ook daarom het eenige practische christendom is, wijl de apostel ons gezegd heeft: „Doen wij dan de wet te niet door het geloof? Dat zij verre, maar wg bevestigen de wet." Dat kon hij daarom zeggen, wijl het een weg is van wedergeboorte en bekeering, een weg, waarbij de Heere zelve de eerste en de laatste is, zoodat zijne kinderen roemen in zijne goedertierenheid alleen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 mei 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Zware tijden.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 mei 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's