De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Diaconale Conferentie.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Diaconale Conferentie.

8 minuten leestijd

De groote zaal van het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen te Utrecht was goed gevuld toen Woensdag 3 Mei j.l. aldaar des morgens ten 11 ure de Diaconale Conferentie geopend werd met een inleidend woord van den Voorzitter, den heer G. J. A Ruijs te Utrecht.

In de morgenvergadering hield de heer J. O. Blankert zijn inleiding over „Goede middelen", van welk referaat we D.V. volgende week een kort verslag geven.

In de middagvergadering hield Prof.

H. Visscher een referaat over „de Verzorging en verpleging van oude lieden."

Prof. V. sprak ongeveer aldus:

De historie leert, dat de verpleging van oude lieden reedster hand genomen werd in de Middeleeuwen. Het besef van den plicht tot ouderdomspensionneering leefde reeds toen. Zoo ontstonden dan ook twee vormen van verzorging van oude lieden: het Armhuis en het Hofje. Was het eerste afsctirikwekkend, het tweede bekoorde door zijn karakter" en de groote mate van vrijheid, die het schonk. Deze verzorging ging niet van de kerk uit.

Toch deed zij haar invloed op de stichtingen gelden. Niemand werd opgenomen, dien men niet kende. Ook moest men rechten kunnen laten gelden. Mannen en vrouwen werden gescheiden. Men moest deugdzaam geweest zijn en ijverig. De historie wijst ons uit, dat de ontwikkeling dier verzorging reeds spontaan eenige scheidingslijnen heeft getrokken. In den loop der tijden verandert veel, maar die verandering is meer aan de oppervlakte dan in de diepte, omdat de menschen toch tenslotte de zelfden blijven. Wij hebben allereerst twee groepen van oudeliedente onderscheiden. In de eerste plaats de groep der oude paupers; ten tweede de groep der ware armen, die na een werkzaam leven hulpeloos achterbleven. Deze scheiding is in het leven gegroeid, zooals blijkt uit de behandeling der Ouderdomsrentewet. De pauper moetinfectief inwerken op zijn omgeving of voelt zich daar niet op zijn gemak. Spreker zou begeeren, dat onze diakonieën gemeenschappelijk een stichting creëerden, waar paupers na toewijzing van een rechterlijk vonnis konden worden opgenomen, waar zij de heiligende kracht van het Evangelie en de liefde van Christus in woord en daad zouden ervaren, maar waar ook een strenge tucht niet ontbrak. Onder de andere groep behooren ook zij, die een klein pensioen deelachtig worden.

De diakonie heeft een ontferming te geven, die in de wereld niet kan worden gekocht en die ook een wet niet kan afdwingen. Ook al komt een ouderdomspensioen tot stand, zal de diakonie hier toch een taak hebben te vervullen. Spreker onderscheidt hier de mannen, vrouwen en gehuwden. Onze diakonieën moeten zich meer dan tot nu toe toeleggen op woningbouw voor ouden van dagen, die nog een eigen gezin kunnen voortzetten.

Kunnen zij dat niet, dan moeten zij in een stichting worden opgenomen, waar man en vrouw tezamen kunnen huizen, zoodat niet gescheiden wordt, wat God heeft vereenigd. Ongetrouwde mannen en vrouwen moeten strikt gescheiden blijven. Ook in den laten herfst bloeien nog wel eens maandrozen op. Er zijn voorbeelden genoeg van een machtige passie bij ouden van dagen. Voorts treft men bij vele ouden van dagen zwakzinnigheid aan. Hun toestand eischt een verpleging onder deskundige leiding. Ook voor hen zouden onze diakonieën een eigen, afzonderlijke stichting moeten vestigen. Steun van de zijde der Overheid zou daarbij verwacht mogen worden, omdat een dergelijke stichting ontlasting kan teweeg brengen van vele thans overvulde krankzinnigengestichten. De ouderdom gaat ook dikwijls gepaard met ongeneeslijke kwalen; om den patiënten het Iqden te verlichten moeten onze diakonieën over een stichting beschikken van dergelijke chronische lijders. In een gewoon ziekenhuis is voor deze patiënten meestal geen plaats. Ook hooren zij daar eigenlijk niet thuis. Wanneer de paupers, de zwakzinnige-en de chronische lijders uitgezift zijn, blijven zij over, voor wie een geregelde gestichtsverpleging geschikt I is. Gezinsverpleging is voor hen meestal 1 een lijdensweg; omdat winstbejag hier I den voorrang heeft. Het gestiehtswezen kan veel beter georganiseerd zijn dan vroeger. Van belang is de geestelijke verzorging, hun verzorging als zedelijke menschen. Ook voor ouden van dagen geldt dat, ledigheid des duivels oorkussen is. Zij moeten wat te doen hebben, niet als tijdverdrijf, want dit doodt het zedelijk karakter van de arbeidsverrichting. Zij moeten weten, nuttig te zijn en een taak te volbrengen ten bate van de gemeenschap. Een klein loon worde betaald aan hen, die zelf medewerken aan de verpleging, zooals aan arbeid in keuken, tuin, bij verwarming enz. Voor anderen zal lichte en kortdurende, doch vruchtbare arbeid moeten worden gevonden, zooals schoenmakers-, timmermans-, tuinen landbouwarbeid. Leiding mag hierbij niet ontbreken. Men stelle de besten onder de verpleegden als voorman aan. Ook moet gelegenheid tot knutselen bestaan. Er moet voorts ontspanning geboden worden. Er moet zqn een bibliotheek, een rustige kamer en een conversatiezaal. Bovendien zij er gelegenheid tot wandelen, dat niet onder toezicht moet geschieden. Hun kleeding zij niet al te afwijkend van de normale kleedij, worde geen uniform. De verpleging behoort het karakter te dragen, dat alle diakonale actie moet kenmerken. Wij moeten bedenken, dat de Diakonie een orgaan is van de Kerk van Christus, die ontferming brengt ook waar geestelijke nooden zijn. Het is daarom van belang, dat men over dergelijk, degelijk personeel beschikt. Het echtpaar, dat aan het hoofd staat, moet niet uit hoogere kringen afkomstig zijn, doch liefst uit den nij veren middenstand. Maar zij moeten zedelijk overwicht hebben over de verpleegden en het personeel en een open oog en hart toonen voor het leed, dat vele ouden hebben te torsen. In het gesticht heersche een geest van blijmoedigheid. Voor de ouden van dagen moet het een levensavond zijn, die gej kleurd wordt door de zachte tinten der i ontfermende liefde. Spreker wenscht de diakenen wijsheid in de keuze van het personeel, in het bestuur der stichting, en een teederheid des ontfermens voor die gemeenteleden, wier verzorging hun door den Heere God is toevertrouwd.

Discussie.

Ds. Koolhaas (Zuidland) wijst er op, dat de ouden van dagen zelf niets voor gestichtsverpleging gevoelen. Op het platteland acht spreker speciale woningen gewenschter.

Ds. Hoyer van Ankerveen, vraagt, of in een Centrale Stichting vanwege de Kerk de geestelijke belangen goed te behartigen zijn, waar in de Kerk toch zoo-! veel verschillende richtingen bestaan. ' Hoe staan wij tegenover de reclasseering ? ,

De heer Beerling van Amsterdam noemt | iedere gestichtsverpleging onnatuurlijk. | Onze gestichten zijn meestal niet meegegaan met den tijd. Wat den arbeid van de oudjes betreft — d« mee»tenj willen daar niet aan. Spreker vindt dat niet erg. Laat hen rusten. Spreker is tegen uniformafschaffing. Uniform-kleedij is ook goedkooper. •

Ds. Barger van Utrecht pleit evenals prof. Visscher voor een gezonde vrijheid van de oudelieden. Spreker plaatst een vraagteeken achter de uiting, dat de hoofden van het gesticht niet gezocht moeten worden uit de meer beschaafde kringen. Juist ten aanzien van de geestelijke verzorging komt het voor, dat deze belangen onder de minder beschaafde kringen 't best zijn toevertrouwd aan meer beschaafden. Bij de keuze van menschen, aan wie de dagelij ksche verzorging wordt toevertrouwd, zullen diakenen scherp hebben toe te zien. Waarom in die keuze ook predikanten niet laten meespreken ?

Dr. Beerens wijst de vergadering op de inrichtingen van zwakzinnigen te Rekken.

De Inleider beantwoordt de verschillende sprekers. Hij wijst er ds. Koolhaas op, dat hij ook de gezinsverpleging voor de gestichtsverpleging heeft aanbevolen. Maar de eerste heeft eveneens groote bezwaren. En de geschiedenis heeft bewezen, dat gestichtsverpleging niet te verwerpen is. Bovendien — wat ds. Koolhaas wil, is tenslotte ook gestichtsverpleging, al is 't dan in kleine kringen, wat spreker toejuicht. Over de vraag van ds. Hoyer zal spreker niet veel zeggen. Als onze verdeeldheid ons zelfs verhindert barmhartigheid uit te oefenen, dan zegt spreker: „Bekeert u tot God." Spreker acht het de roeping der diakenan zich de verzorging aan te trekken van de paupers. Als de gestichten niet goed zijn — maak ze dan beter. Zij zijn onnatuurlijk. Goed. Maar wij kunnen niet buiten ze. Spreker vindt in den arbeid een groote zedelijke kracht. Ook als de oudjes willen rentenieren, zullen ze niet heelemaal buiten arbeid behoeven te blijven. Spreker keurt de uniform ten sterkste af. Spreker laat zich liever niet in met kwesties, tusschen predikanten en diakenen. Spreker kan 't met ds. Barger ten deele wel eens zijn wat betreft de keuze van meer-ontwikkelden voor ziekeninrichtingen, waar zij met het personeel te werken hebben. Maar hij vindt de keuze van menschen uit hoogere standen verkeerd, als die lederen dag in aanraking zijn met de verpleegden.

Ds. Briet gaat voor in dankzegging. Na afloop der vergadering bestond gelegenheid tot bezichtiging van het Oudemannen en Vrouwenhuis „Oudaen."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 mei 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

De Diaconale Conferentie.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 mei 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's