De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

9 minuten leestijd

Den oprechten gaat het licht op in de duisternis; hij is genadig en , barmhartig en rechtvaardig. Psalm 112 : 4.

Van den Heere Christus zijn heerlijke dingen te zeggen. In de profetische rolle wordt van Hem getuigd: „Zijn uitgang is bereid, als de Dageraad, Hij zal tot ons komen, als een regen, als een spade regen en als een vroege regen des lands." En 'tis alzoo geschied.

Na duisternis kwam licht en Hij hield Zijne vruchtbaarmakende werkingen niet in.

Als de dageraad in schoonheid en in majesteit is Zijn uitgang geweest onder de volkeren, in de gemeente Zijner heiligen en in het zaligmakend werk van al Zijne kinderen afzonderlijk.

In stillen gang gaat Hij voort, en evenmin als de dageraad stoort Hij er Zich aan, al gaan alle menschen hunne klokken verzetten ; de uitgang van den dageraad is noch tegen te houden noch te vervroegen.

Zijn uitgang is bereid door het welbehagen des Heeren en daarin is de juiste tijd gesteld. Gods ordeningen blijven vast in natuur als in genade-bedeeling. De duisternis mag wat langer of korter over 't aardrijk gespreid zijn; de dagen mogen vaak kort en de nachten lang zijn; de nevelen wat dicht en zwaar zijn in den morgen en kort voor Zons-opgang vaak het duisterst zijn, is het uur (Gods uur bedoel ik) van' dèn' dageraad daar hij komt doorbreken en nevelen en wolken verdrijven.

In Christus' opstanding, is uitnemende bevestiging en onderpand van het woord van Hozea: Zij uitgang is bereid als de dageraad.

Ook in het werk der töéschikking en tot het genot en den zegen uit 's Heeren opstanding, is Zijn gang geteekend en in Zijne handeling met Zijne kinderen op den Paaschmorgen en daarna.

Het woord eener Christelijke Vorstin „na bangen nacht, ik 't licht verwacht" sprak van levenswijsheid. Immers gelijk eens, en telkens weer, het licht uit de duisternis opkwam en schijnt „tot den vollen middag, " zoo ging het ook tusschen Paschen en den Hemelvaartsdag met de vrouwen en mannen, voor wie de vrucht van Christus' opstanding was besteld, 't Ging met hen door de donkerheid van onkunde, onverstand, ja dwaasheid, onrust en onvrede heen tot de gewisheid van dat Heil, dat nooit vergaat.

Als gij • mij een Schriftwoord vroegt te plaatsen boven al de leidingen des Heeren met Zijne discipelen en discipelinnen, dan zette ik den tekst hierboven reeds afgedrukt. En of ge dan den weg van den een of van een ander neemt, 'tis in alle die wegen — en in zoovele daarna! — bewezen: „ Den oprechten gaat het licht op in de duisternis; Hij is genadig en barmhartig en rechtvaardig."

Heel deze psalm, die 112de, is vol „lof der godzaligen, die eene belofte hebben des tegenwoördigen en des toekomenden levens en welker voorspoed den goddelooze een hartzeer is"; doch dit 4de vers heeft bizondere beteekenis voort 't leven des geloofs en voor de rechte beschouwing van des Heeren handeling met Zijn volk. 't Is dan ook gewoonlijk wel te merken aan de leerlingen, op welke school ze gaan, en Wien zij tot onderwijzer hebben; en in de „school van Jezus" gaat het door duisternis tot licht..

Daarom kon iemand naar waarheid getuigen: Christus staat altijd op in den nacht en dan begint het te lichten.

Noodig is het niet in onzen kring om van Job, David, Heman of Jeremia te spreken en allerlei Schrift-getuigenis bij te brengen ter bevestiging in een kort couranten-artikeltje. Wij zijn het erover eens, dat wij in 't donker, in 't stikdonker zijn komen te staan en te gaan, sedert het ons geslacht goed gedacht heeft, om den Heere niet in' erkentenis te houden, en dat de natuurlijke mensch niet begrijpt de dingen, die des Geestes Gods zijn. Het „eertijds, waart gij duisternis", onkundig in geestelijke zaken. met allerlei vooroordeel tegen de waarheid Gods, vijanden des verstands geldt vaK allen van nature, en waar de Heere Zijn licht uitzendt, daar wordt het met sinarte toegestemd en gaat de begeerte uit naar 't licht, 't troostelijk licht van Gods gunst in Christus en Zijne verlichting ook in bizondere toestanden. Spreekt nu de dichter van oprechten, die 't licht opgaat in de duisternis, dan volgt daaruit, dat oprechten weten te verhalen van een zonden-nacht, een nacht van schuld, zonder 't licht van Gods vergeving in Christus, en vaak van een nacht van raadselen, waardoor ze heen moeten geleid worden.

Daar is een zekere natuurlijke gave van eerlijkheid.-Er zijn opene karakters, eenvoudige oprechte menschen, in wier oogopslag ge iets leest van deze karaktertrek. Ze zijn beminnelijk, die z.g. openhartige menschen, die d'^er maar voor uit komen en hun opinie uitspreken met eene vrijmoedigheid, welke niet zelden oppervlakkigheid verraadt. Sommigen verklaren u dan ook, dat ze „eerlijk zijn" en er „recht voor uit komen", soms bij 't brutale af.

Bij velen van dit soort vergist ge u zeer; en gij hebt deze niet te rekenen onder de oprechten volgens Gods Woord.

Oprechtheid is door genade-gave des H. Geestes, bij den man „die den Heere vreest, die groeten lust heeft in Zijne geboden" en „wiens gerechtigheid bestaat in der eeuwigheid".

- Een oprecht mensch heeft zijn zonde en schuld voor den Heere leeren erkennen, en heeft gevoelige smart over zijne onoprechtigheid-en oefent zich om in Christus zijne gerechtigheid te zien en bij den Heere te schuilen en voorts is er een hartelijke toeleg, om een onergerlijke conscientie te mogen hebben voor God en voor de menschen.

Misschien is 't waar, dat te eenzijdig de nadruk is gelegd op het weten, en te weinig op het geweten.

Oprechtheid baart heilige vreeze om Gode welbehagelijk te mogen wandelen, en een oprecht mensch is zoo bekend met en bedroefd over de bedriegelijkheid van zijn eigen hart. Met Jeremia zegt hij wel: arglistig is het hart, meer dan eenig ding, wie zal het kennen? en daarom die vreeze van zelfbedrog, welke ge vindt bij alle zielen, in welke de Heere werkt.

O! ik kan mijzelven voor eene ontzachelijke eeuwigheid maar éénmaal bedriegen, en daarom is dat versje'uit Ps. 139: „Doorgrond en ken mijn hart o Heere" geliefd. Als zoo iemand in belangstelling der - liefde onderzocht wordt 'naar zijn toestand, waardeert hij dit zeer en zal eer spreken met die vrouwe in W.: och, als gij ontdekt (of vreest), dat 't bij mij niet wel staat, , zeg het mij, o zeg het mij  dan dat hij spreekt met die andere in O, die op de vraag naar haar hope, lust en keuze, antwoordde: Och, dominé, dat wil ik maar voor mij zelf houden.

Een oprecht mensch is het onderzoek uit belangstelling aangenaam.

Dan heeft een mensch behoefte om zijn hart eens aan een vertrouwd vriend te mogen uitspreiden, 't Werd nog Paasch-Maandagavond in eene openbare vergadering door den spreker opgemerkt» dat de Emmaus-gangers zadm waren, en juist zoo zaam in oprechtheid konden spreken over de dingen, welke hunne harten bezwaarden Een groote kring om ons heen, doet de vertrouwelijkheid wijken en brengt allerlei gevaren mee; er is dan lichtelijk vreeze bij oprechten Gods om zich uit te spreken, en bij anderen vooral in een kring van menschen, die niet zoo veel met ons bekend zijn, neiging om wat gröots te zijn. Dat weten allen, die zichzelven kennen.

Oprechtheid vreest er voor om meer godzaligheid te vertoonen, dan men bezit, en wil zich „voegen tot het nederige", achtende anderen uitnemender dan zich zelven.

Nathanaël is dan een gewenscht man, een man zonder bedrog d.w.z. hij bekende van zich zelven, dat hij een arm ellendig man was en zijn heil alleen verwachtte van den Heerë en sprak tot zijn vriend eerlijk zijne bedenkingen uit.

En zoo gaat het nog. Allen, die door genade geleerd worden, belijden zich zoodanigen te zijn, als God zegt, dat ze zijn, dat hunne werken niet deugen, en zij een onbekwaam volk zijn, dat in Jezus' werk schuilen moet en door de kracht Zijner opstanding geleid, alleen uit de duisternis uitkomt, om in het licht des Heeren, in Zijne gunst te wandelen en vrede te genieten.

Maria van Magdala, wandelaars naar Emmaus, Thomas en anderen, mogen ons dit zeggen en tevens, hoe de Heere komt met de openbaring Zijner heerlijkheid, en Hij door geloof in hunne harten schijnt en de nevelen verdrijft en .vrede en blijdschap doet hooren.

In bizondere toestanden, 't zij als Hij 't weggedrevene zoekt, 't zij dat ongerechtige dingen de overhand hadden, 't zij met 't oog op kronkelingen in den weg, duisternis voor 't oog of vervreemding in 't gevoelen, Hij weet door Zijn Woord toe te passen en door Zijn Geest dat passend woord krachtig te maken, plotseling verandering te geven, eene verandering, als wanneer de dageraad opgaat in kracht. Hij schept 't licht en formeert de duisternis.

En nu maakt de nacht den dag heerlijk en zoo leert de Heere hier te wandelen door geloof en niet door aanschouwen.

't Is ons eigen om op omstandigheden, op wind en golven te zien; worden nu al die steunsels onttrokken, dan lééft'de Heere, dat het geloofswevk is om op den Heeren zijn betrouwen te mogen stellen, en geeft genade om met Jesaja te zeggen: „Als ik in de duisternis gezeten zal zijn, zal de Heere mij tot een licht zijn".

Hier is een, die zegt: maar ik zit al zoolang in 't donker en hij heeft allerlei vragen, zonder vaak te onderzoeken of zijn hart wel recht vernederd is onder den Heere en hij 's Heeren handeling wel gc^dkeurt; dé, éir één, die allerlei bedenkingen heeft tegen 's Heeren weg, zonder eens na te gaan of bij hem zelven er ook eigenwilligheid heerscht en „traagheid" om te gelooven; verder hoor ik iemand bedenkingen inbrengen, doch vrees, dat hij nog al te goed zich redden kan bij allerlei „kunstlicht", en daarom in 't donker wandelt; want vast gaat 's Heeren Woord voor alle oprechten van harte, dat Hij het licht, ook telkens 't daglicht, doet opgaan, want Hij is genadig en barmhartig en rechtvaardig.

Leer ootmoedig Gods recht erkennen in Zijne bizondere bedeelingen en bij Hem aanhouden. Hij is een schild dengenen, die oprechtelijk wandelen.

Want, indien uwe onoprechtheid voor God en vaak voor de menschen, u een last is en Gods gemeenschap uwe lust; indien gij „oprecht en vroom zijt, Godvreezende en wijkende van het kwade", laat dan vele duisternis u niet te zeer ontmoedigen.

Van de goddeloozen staat (dat is tot menschen, die geen lust hebben tot de Wet en de Getuigenis!) dat het wezen zal, dat ze geen dageraad (nooit dag!) zullen zien, doch van een volk, dat den Heere vreest, dat ze wandelen zullen in 't licht van Gods vriendelijk aangezicht. Eens elke duisternis geweken, en de Heere uw eeuwig licht.

Gods vriendlijk aangezicht heeft vroolijkheid en licht Voor all' oprechte harten Ten troost verspreid in smarten.

Juicht, vromen, om uw lot; Verblijdt u steeds in God; Roemt, roemt zijn heiUgheid: Zoo word' zijn lof verbreid Voor al dit heilgenot.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 mei 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 mei 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's