De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ned. Herv. Predikanten- Vergadering.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ned. Herv. Predikanten- Vergadering.

7 minuten leestijd

Op de Ned. Herv. Predikanten-Vergadering te Utrecht, gehouden 2 en 3 Mei j.l., heeft Dr. H. Schokking van den Haag een Referaat gehouden over: „De verhouding tusschen het betrekkelijhe en het absolute in ons kerkelijk leven". Spr. constateert met den titel van zijn onderwerp, dat er zulk een verhouding bestaat Wij leven in een klimaat van gedachten, waarin de kwestie van het absolute sterk aan de orde is, maar niet altijd voldoende in de rechte lijn wordt nagevorscht.

Van kerk kunnen wij niet spreken zonder aan religie te denken. En in religie gaat het altoos om God en Zijn dienst. Het geloof aan het absolute, aan de werkelijkheid Gods, heeft eigen kleur en waarde. Het is monotheïstisch in theïstischen zin. De groote menigte voelt absolutistisch. Denkt men dit door, dan eindigt men niet in een abstractie. De absolutie is geen praedicaatloos wezen of zijn.

Daarin nu, en dus ook in het kerkelijk leven, vertoont het relatieve zijn trekken. Uit allerlei bronnen borrelt het op, door allerlei kieren stroomt het binnen. In taal, denken, voelen en handelen is alles bij ons relatief. Niet dat hiermee het bestaan van het absolute ontkend wordf. Neen, de erkenning, dat wij relatief leven, bespaart ons ontgoochelingen. Als Paulus erkent, dat hij den schat bezit in aarden vaten, dan is daarmee de schat zelf niet weg. Wij kennen het absolute slechts relatief. Onze kennis van den Absoluten God geschiedt in het geestelijk Oensorium van den mensch Maar daarmee valt het Absolute, of de Absoluteniet.''t Blijft een mysterie dat de mensch kan zeggen: „God, mijn God." Maar een mysterie is geen ongerijmdheid.

Spr. denkt nu vooral aan de meest volkomen openbaring Gods in Jezus Christus. „ Die mij gezien heeft, heeft den Vader gezien." In Christus is de Volstrekte neergekomen in de sfeer van het betrekkelijke. In Christus is de synthese van het absolute en het relatieve.

Ook dient in dit verband gesproken te worden over de H. Sshrift. Dat is: bet getuigenis Gods. De bijbelschrijvers geven betrekkelijk relatief weer wat het Absolute is, want zij zijn menschen gebleven ook al is er inspiratie.

De Schrift is niet maar oorkonde der openbaring, maar zelve openbaring. De woorden die Christus spreekt zijn „geest en leven". Dit geldt ook van de profeten en van de apostelen Zij hebben vaak als boven zichzelf uitgesproken. De Schrift is gebleken, empirisch gebleken, openbaring Gods. Hier is niet maar de echo van werkelijke ervaringen, maar het getuigenis Gods.

Op welke wijze komt nu de verbinding tot stand ? De mystiek voldoet hier niet. Anderen spreken van een afzonderlijk orgaan. Maar, het geldt hier den geheelen mensch. Wij gaan uit van het Godsbesef uitgegroeid, werkzaam en krachtig in ons geloof. Daarbij wordt erkend de werking van den Geest Gods. De zekerheid van het Absolute, bij erkenniog van een relatieve inkleeding, geeft haar steun bij alles in ons kerkelijk leven.

Onze prediking. Eiken Zondag spreken wij over absolute woorden. Wij worden gehoord als getuigen van het absolute, door verre het grootste deel van ons gehoor. Er is sterke autoriteit in den kansel. Maar stellen wij de rechte autoriteit? Een prediker, die zijn gehoor sceptisch maakt, begaat een misdaad. De massa is aangelegd op het absolute. Wij willen de zekerheid hebben, niet het geloof aan de zekerheid.

De belijdenis. Zij is niet puur relatief. Zij wordt vervuld met de kracht van het Absolute. Het bezwaar van velen gaat niet tegen een of andere onjuiste formuleering, maar tegen het formulieren op zich zelf. 't Boat dan ook niet om terug te keeren tot de 12 artikelen. Die zijn dan evenmin onfeilbaar.

En indien men bezwaar heeft tegen het feit dat de belijden s reeds drie eeuwen oud is — spr. betwijfelt sterk of het nu de tijd is voor een nieuwe belijdenis. Men solle toch niet met de belijdenis. Nu een eeuw lang is er geen handhaving der belijdenis. Is er nu zooveel meer eenheid, waarheid en klaarheid gekomen?

Wij kennen ten deele, maar wij kennen toch. In Christus. In den weg van geloof, door de liefde kennende. Verwachtende de volkomen kennis. Negatief weergegeven in het woord: wat geen oor heeft gehoord, geen oog heeft gezien, in geen menschenhart is opgeklommen. Positief: „Wat God bereid heeft dien die Hem liefhebben."

Discussie.

Ds. Van Melle van Kralingen, terugkomende op het absolute van de H. Schrift, waarover ref. sprak, vraagt of het niet merkwaardig is dat Jezus geen - enkel woord heeft geschreven, maar alleen gesproken. Daarom kan spreker zich niet vinden in den eisch, dat wij ons nu buigen moeten voor het gezag van' het „Woord" in den beperkten zin van de H.Schrift Hier zijn levens woorden. Waarvan wij de waarheid voelen in ons eigen hart.

En wat de belijdenis betreft, nu is het toch na drie eeuwen al wel tijd genoeg geweest, tot herziening. Voor dien tijd is het schoon en goed. maar „onze vaderen hadden de belijdenis voor hun tijd, zoo sprak Da Costa tot Groen, en ik wil een belijdenis voor mijn tijd, in de vormen van den tegenwoordigen tijd." Toen Vinet op zijn sterfbed lag en hij een nieuwe belijdenis redigeerde voor de Zwitsersche kerk, zeide hij: een geloofsbelijdenis moet zoo duidelijk zijn, dat een dienstmaagd haar kan begrijpen, zoo kort dat een kind haar kan opzeggen, en zóó klaar, dat een stervende er troost uit heeft. Spr. betwijfelt of onze belijdenis daaraan beantwoordt.

Ds. Barger van Heemstede meent dat ref. had moeten , bfeginnen met datgene waarmee hij eindigde, door n.l. allereerst te eonstateeren, dat het absolute bestaat. Ons spreken geschiedt n.l., zooals ref. zei, altijd in betrekkelijke woorden.

Wat ref. gezegd heeft van de H. S. als Gods Woord, doet spr. vragen: als gij krachtens uw ambt het Woord Gods verkondigt, spreekt ge dan Gods Woord of iets waarin o. m. het woord Gods te vinden is. Indien het eerste, staat gij dan in die verkondiging niet gelijk aan Paulus, die, als ge hem vraagt, na hoeveel jaren de wederkomst van Chr. is te verwachten, zou antwoorden: ik heb geen rekensom gegeven, maar getuigd van de werkelijkheid. Dat zegt gij toch ook.

Prof. van Nes uit Leiden is ten deele teleurgesteld, ten deel-^ verrast door wat hij hoorde. Kan de kwestie van de verhouding tusschen het. relatieve en het absolute wel ooit worden opgelost? De kwestie komt niet uit de theologie, maar komt uit de philosophie, en daarom zal het in de theologie nooit op te lossen zijn. Eenige verwachting heeft spreker van Erich Schader, die sedert 1914 zich over deze dingen deed hooren. Wq heb ben hier niet te doen met een object van kennis in 't algemeen, maar met het subject, met God. Een uitwendig gezag behoeft hij niet, maar hij weet zich gegrepen door God.

Dr. Kromsigt van Amsterdam verblijdt zich over het woord van referent: „Wij kunnen in de H. Schrift geen tegenstelling maken tusschen het absolute en het relatieve". Deze stelling is niet in de discus-ie bestreden, wat spr. verheugt. Daarmee is gevallen, wat men altijd zegt: Het Woord Gods is in de Schrift. Neen, de Schrift is Gods Woord, en dat is algenoegzaam.

En wat de belijdenis betreft, laat ons niet uit het oude huis gaan, zoolang het er nog goed is.

P of. van Dijk ziet een tegenstrijdigheid in wat dr. Kromsigt zei. Hij zou het heele begrip „absoluut" wel uit onz& dogmatiek willen verwijderen, want dit woord brengt ons, gelijk Martineau zei, in het absolute agnosticisme.

Alleen met de zedelijke eigenschappen van God kunnen we iets doen. Het andere is een spelen met woorden.

Dr. Schokking, de debaters beantwoordende, vraagt ds. v. Melle, hoe hij zich het contact denkt, en hoopt van hem dat hij bouwen zal aan een nieuwe belijdenis. Niet alleen voor dienstboden, kinderen en stervende menschen, ook voor professoren moet de belijdenis iets hebben.

Aan prof. v. Nes antwoordt ref., dat hij bleek toch ook vooruit te willen, terwijl wat prof. V. Dijk reeds te boven is, wij nog niet allen te boven-zijn. De tegenstelling is er toch nog.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 mei 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Ned. Herv. Predikanten- Vergadering.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 mei 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's