Zware tijden.
2 Timotheüs 3:1. En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden.
III.
Zoo doet dus ons tegenwoordig geestelijk leven denken aan een vulcaan, die in zijne diepte het vuur draagt. Innerlijke verwording, geestelijke ontwrichting, zedelijke verderving zijn in velerlei opzicht te speuren. Zij toonen, dat de schijn ten slotte zal worden weggevaagd door de openbaring der innerlijke werkelijkheid. Want dat deze tegenwoordige beschaving niet steeds zoo kan blijven ontwikkelen, is voor ieder, die eenigszins der zake kundig is, duidelijk. Ook hierover zal ten slotte een zondvloed van oordeelen komen, die al de verrotting wegvaagt. Het groote deel, dat aan de Westersche volken nu zoovele eeuwen geschonken werd, zal hun worden ontnomen en het zal anderen gegeven worden, gelijk zulks in de geschiedenis meermalen voorkwam. Daniël zag reeds, hoe de groote wereldrijken elkander volgden en hoe ten slotte het groote beeld op leemen voet werd verbrijzeld door een steen zonder hand losgemaakt van de bergen. En wat Gods volk betreft gaat er van deze algemeene geestelijk een zedelijke verwording eene besmetting uit, die op het leven der gemeente een verderfelijken invloed oefeiit. Ook-de gemeente wordt als een schijn. Een uitwendige gedaante vertoont de kerk nog, maar innerlijk is zij vermolmd. Te verwonderen is zulks niet. Zij staat midden in de wereld. Zij heeft de roeping om voor die wereld een licht te zijn, dat zijne glanzen doet uitstralen over het pad. Zij heeft de roeping het hooge geestelijke en zedelijke ideaal van Gods gerechtigheid te doen blinken midden in de wereld. En zij laat het na. Hare leden werden door ile wereld^verwonnen in plaats van zelven de wereld te overwinnen. Alles wat in de wereld aan geestelijke werking gist, werkt na in den boezem der gemeente. Van die hooge geestelijke kracht zooals de Schrift ons die in de eerste Christelijke gemeente teekent, van dat leven in gemeenschap, waardoor de Christenen zich onderscheidden van en desnoods stonden tegenover de wereld rondom, is niets meer te speuren. Zelfs de samenkornsten der gemeente dragen uit menig oogpunt geen geestely k karakter meer. Het is alles vormelijk geworden. Het bleef staan zooals de ruïne van het oude gebouw, dat nog zijn lijnen en vormen vertoont, maar niet meer bewoonbaar is. En ook zelfs van die uitwendige omtrekken wrikt steen na steen zich los. En als het dan te erg werd en te dreigend, dan werd er hier en daar een nieuwerwetsch venstertje en in het gunstigste geval een revolutiegebouwtje opgetrokken om de rest te schoren. Zoo is heel ons kerkelijk leven een toonbeeld van armelijk verval.
Ach, ik weet het wel, dat er zijn, die op reformatie zich beroemen en die beweren, dat zij het oude weder hebben opgetrokken. Maar dat is niet meer dan schijn. Men behoeft geen diep .kenner te zijn van het leven onzer dagen om te beseffen, hoeveel zelfbedrog daarbij valt op te merken. De een wil het nog zuiverder maken dan de ander en zoo ontstaat er hoe langer hoe meer versnippering van kracht, terwijl toch ten laatste het blijkt, dat alle idealen, die men zich geformeerd had, niet worden vervuld. Er is op dit gebied daarom zooveel teleurstelling, omdat slechts hetgeen opkwam uit door Gods Heiligen Geest gewekt leven, bestaan kan. En dat juist wordt zoo bitter weinig gevonden. De kerk bleek niet bij machte haar leven rein en onbesmet te bewaren. De geest der wereld en zijne infecteerende invloeden deden zich gelden, zoodat zelf onder het masker der rechtzinnigheid allerlei leer gedreven wordt, die feitelijk ongoddelijke leer moet worden geacht. Er is dikwijls heel wat voor noodig om het te onderscheiden. Naat het uitwendige schijnt het alles in den haak en toch. ontbreekt er aan, toch is het dikwijls iets anders dan de Schrift, soms zelfs hetgeen de Schrift met nadruk verwerpt.
Zoo kunnen wij dan ook opmerken, hoe dezelfde alle gezag verwerpende, anarchische geest, die rondwaart door onze maatschappij, ook in het kerkelijk leven zich doet gelden, soms zelfs de vromen duchtig heeft besmet, "Wij hooren niet alleen van dienstweigeraars onder hen, die met allen dienst Gods braken, maar zelfs wordt de verwerping van het wereldlijk gezag in naam des Heeren met een beroep op zijn eigen Woord aangeprezen door dienaren der kerk, die allereerst geroepen zijrr de overheid als Gods dienaresse te eeren en haar te steunen bij de volvoering van haar taak. En wat« nog erger is, het kerkelijk gezag trekt zich, als een Gallio weleer, geene van deze dingen aan, omdat de dragers van het gezag evenzoo zijn geworden; Van tucht geen sprake. Dezelfde reglementen, waarop men zieh altijd beroept om hen, die ook om des gewetens wil voor Gods Woord en waarheid opkomen tot onderwerping to dwingen en uit te werpen, gebieden ook dat men den Koning zal eeren, dat zal worden medegewerkt aan de sterking van orde en gezag. Maar van eenige kerkelijke handhaving van het gezag hoort men niets of als men er nog van hoort, dan op eene wijze, die spot met het gezag, dat men de roeping heeft te handhaven. De mug wordt uitgezijgd en de kernel doorgezwolgen. Maar dat zelfde verschijnsel van verwerping des gezags, die zelfde oude dwaling, die in vleeschelijke vroomheid het Koninkrijk Gods in deze maatschappij zichtbaar gekomen acht of denkt te doen komen, vindt ook aanhang en toepassing zelfs onder hen, die niet gaarne den naam van „gereformeerd" zouden missen. Practische loochening van het gezag van Gods Woord is niet zeldzaam onder degenen, die beweren de leer der vaderen zeer lief te hebben. Heel dat eigenaardig jsöort bevindelijkheid en vroomheid, dat wordt uitgevent als het eenig ware en goede en dat van eene onderwerping aan het Woord niet wil weten, dat alle gezond kerkelijk leven met voeten treedt in naam der godsvrucht en met een beroep op de zonde der kerk, is niets anders dan de anarchie in het gewaad der vroomheid, dan de gedaante eener godzaligheid, wier kracht verloochend is. Zoo vreet de geest der wereld het volk Gods aan en is het hoog noodig zich in herinnering te brengen, dat de apostel tót ons gezegd heeft: Geliefden! gelooft niet eenen iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valscheprofeten zijn uitgegaan in de wereld. De infecteerende kracht, die er van den geest dezer eeuw over de gemeente .Gods is uitgegaan, was zoo groot, dat zij er vrijwel door overweldigd is. Het gemeenteleven is verwereldlijkt. Daarom kan ook de kerk hare roeping niet vervullen, vermag zij niet leiding te geven, staat zij hulpeloos en reddeloos verdeeld in de wereld. Zij kan het woord niet spreken, dat de wereld behoeft. Allen saamgenomen staan de kerken machteloos. Zelfs de Roomsche kerk, die meer dan eenige andere de kunst heeft verstaan van aan de eischen der wereld tegemoet te komen, staat machteloos. Ondanks hare hiërarchie, hare schijnbare eenheid en grootheid, is zij geestelijk vermolmd en gaat er geene leiding der geesten van haar uit. De ontwikkeling der volkeren gaat door ondanks haar en waar zij onbeperkt heerschappij voert, is het geestelijk met de massa nog ellendiger gesteld dan waar zij niet is, of met anderen moet worstelen om te bestaan. En hoezeer men zich ook heeft ingespannen om door politieke machinatiën het te doen voorkomen, alsof de paus nog eene heerschende macht bezat, die de volkeren kon leiden, zoo leerden toch onze dagen, dat dit zelfs nog geen schijn was. De oorlog kwam en geen kerkelijke macht kon zijne komst verhinderen. Hij woekert voort en geen kerkelijke macht kan hem verkorten. En het mag zeker als een symptoon gelden van het geestelijke verderf, dat van onze politiek uitgaat, dat zelfs principieel Protestantsche bladen als Standaard en Heraut blind voor de werkelijkheid, af en toe den lof van Rome bezingen op een wijs als zeker eenig is in de annalen van het Gereformeerd Protestantisme. De Roomschen beluisteren er zelfs de vleiende lip in. Het kan niet ontkend worden, dat de kerken de leiding der geesten niet meer hebben. Integendeel, zij zijn zelven door den geest des tijds besmet. Zij zijn niet langer zichzelf. Dezelfde wereldgeest, die het kruis van Christus eenmaal overwon en terugdrong, is herleefd en heeft op zijne beurt nu de kerkeji weder overweldigd. De gevolgen daarvan openbaren zich in heel het kerkelijk leven en maken het volkomen machteloos. Op het volk, dat nog vraagt naar den Christus der Schriften, heeft dit alles nu eveneens een verderflijken invloed. Het wordt meegezogen en meegesleept zijns ondanks.
En dit juist maakt onze tijden tot zware tijden en legt op de dienaren des Woords zulk een dure en ernstige roeping, want het mag niet worden voorbijgezien, dat de omverwerping van alle goddelijke rechten, het breken met alle gezag van des Heeren wetten, de algeheele godverzaking, die in steeds breeder kring doordringt, het tot heerschappij komen van allerlei vormen van wereldbeschouwing, die in den grond antichristelijk zqn, ook voor liet leven der gemeenschap niet zonder beteekenis kan blijven. Men kan wel meenen, dat al deze dingen overbodig zyn en de dienst des Heeren nutteloos is, omdat de menschen zich in staat achten door hunne eigene wetenschap het alles te vergoeden en te vervangen door wat ons uit het Woord Gods is toegekomen, maar wie gelooft, dat de menschelijke rede bij machte is het geheel in goede orde te bewaren, nadat zoo menigmaal reeds gebleken is, dat er niets verschrikkelijker is dan de mensch in , zijn ijdelen waan ? Wie nadenkt en onze dagen aandachtig beschouwt en merkt op de teekenen der tijden, die moet wel zien, hoe alle gezag dreigt onder te gaan. Het gezag zelf is reeds zoo wankel, dat men maar al te dikwijls moet vragen, of het nog den moed heeft zich te doen gelden. De toon, die in sommige kringen gevoerd wordt, is van dien aard, dat men niet behoeft te twijfelen welke geesten uit de diepte er rondwaren. En als wij dan bedenken, wat uit dezen langdurigen, bloedigen en goudverslindenden krijg moet voortkomen, als straks de millioenen tot ontnuchtering komen en opwaken uit den roes, waarin ze nu zoovele maanden door de grootmeesters der politiek zijn gehouden, die al maar beloven de vernietiging van den tegenstander, die steeds stand houdt en als de teleurstelling diep gevoeld zal worden, omdat niets bereikt werd dan het verlies van vele millioenen kostbare levens, zie, wat, zal dan van dit alles het gevolg zijn ? Zonder goddelijk gezag, zonder tucht des Woords en der wet, di© Godes zijn, is het met alle menschelijke vinding, hoe wetenschappelijk-ook, spoedig gedaan. Zij kan niet eene orde waarborgen, die alleen kan rusten in de erkenning van hooger gezag. De menschen hebben geen eerbied voor menschelijk gezag, want zij zijn van nature geneigd God en hun naaste te haten. Waar dus het goddelijk gezag niet meer wordt erkend, daar blijft ook voor de menschelijke verordeningen g»en plaats meer over. Doch dat er daar zware tijden zullen ontstaan, behoeft geen betoog. En in deze zware tijden is juist het oordeel Gods. De menschen in onze dagen hebben er geen oog voor. Zij willen van een God, die oordeelt en straft, niet weten. En zij zien voorbij, dat de Heere de gansche orde der wereld zoo schiep, dat verbreking dier orde de straf en het oordeel in zich sluit. Alle vergrijp tegen de door God gezette levensorde is tegelijkertijd met de vernieling gepaard, die het oordeel in zich draagt. Op de treffendste wijze teekent ons de apostel, hoe de Heer© zijn goddelijk recht doet uitgaan. Hij zegt ons in den 2den brief aan de Theösalonicensen, dat de Christus niet komt, tenzq de afval gekomen zij en de mensch der zonde geopenbaard worde, de zoon des verderfs, die zich tegenstelt en verheft boven al wat God genaamd of geëerd wordt, alzoo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zichzelven vertoonende dat hij God is. Het zal geschieden op zijn eigen tijd, en God zal eene kracht der dwaling zenden, dat zij den leugen zouden gelooven, opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid. Met de afdwaling en het ongeloof, met de godzverzaking en de menschvergoding komen de oordeelen, waarvan deze zonden zwanger zijn. Dat dit alles ook in de kerk is doorgedrongen sinds het begin barer geschiedenis behoeft geen betoog.
Alle vormen van menschvergoding, als een deksel op het ware evangelie gelegd worden, zijn werken van den antichrist, alles wat zich stelt tegen het ge^sag des woords, zoowel in de Eoomsche als in de Protestantsche volken. Dat de vaderen bloede toe vervolgd werden, was evenzeer een vrucht van hem, wiens toekomst is naar de werking des satan», als de geweldige en bloedige ontroeringen door de revolutie verwekt. En wat in onzen tijd de dagen zoo donker maakt, * dat is toch immers diezelfde afval, die aan de openbaring van den mensch der zonde voorafgaat en die ten slotte zal leiden tot een samenstrengeling van alle ongoddelijke machten onder de heersehapp^i van dien éénen, die als een God zal zitten in den tempel. Dat is het einde der zware tijden, waarvan de apostel ons predikt: weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tgden.
Daarom is vooral de taak van den dienst des Woords zoo ernstig en gewichtig en is het zoo in het oog loopend, dat schier alles er op aangelegd wordt om haar geheel te doen verdwijnen. Want het is merkwaardig, hoe het tegenwoordige maatschappelijke leven er toe leidt om de zuivere prediking des Woords op allerlei wijzen te onderdrukken. Het aantal degenen, die zich tot den werkelqken dienst des Woords voorbereiden, is maar uiterst klein. Bij den machtigen drang naar wetenschap, die er in onze dagen leeft, is er maar weinig belangstelling voor de kennis der dingen, die ons van God geopenbaard zijn. Over het geheel genomen is het aantal dergenen, die de kerk willen dienen gering en onder dat geringe aantal zijn het nog weinigen, die den last Gods op zich nemen. Ongetwijfeld hangt dit, wat het uitwendige betreft, samen met den stand van ons oeconomisch leven. Na vele studie en jaren van inspanning wordt slechts een levensbestaan verworven, dat niet kan worden vergeleken met hetgeen de rijk verdienende bedrijven op het gebied van handel en industrie kunnen aanbieden. En bovendien Js dan het ambt van den dienaar des Woords moeilijk en dikwijls ondankbaar. Maar dat het alles zoo is, kan toch alleen verklaard worden uit de geestelijke inzinking onzer dagen, die de keerzyde is van dezen materialistischen tijd. De geestelijke dingen hebben niet die belangstelling, die zij verdienen. D« menschen koopen niet meer de waarheid, maar verkoopen haar liever.
Zoo wordt dus de dienst des Woords teruggezet en wel niet met geweldadige middelen, maar dan toch door het mammonisme onzer dagen onderdrukt.
En wat ten slotte in hooge mate opvalt in onzen tjgd, dat is het in het oogloopend gebrek aan zondebesef. Het schijnt alsof de conscientie met een brandijzer toegeschroeid is. Over eeuwig dingen maakt men zich niet druk, over het recht Gods over de zonde nog wel minder. In breeden kring wordt het licht geacht en bespot. Vandaar dat er ook in zedelijk opzicht zooveel gebrek aan waardeering van het goede is. Neem alleen de eerlijkheid. Wat kan het duizenden bij duizenden schelen op welke wijze de groote winsten worden binnengehaald. Zelfs wordt gespot met degenen, die meenen, dat oneerlijk verkregen geld geen zegen kan aanbrengen.
Als men het maar heeft. Krijgen dat is de kunst. De wijze waarop komt niet in aanmerking. Ach, wie zal zeggen, hoeveel ongerechtigheid er in het verborgen geschiedt ook onder hen, die zich scharen bij de Christenen. Er zijn er soms, die groot© gaven des Zondags afzonderen om hunne conscientie te «tillen over hetgeen in de week onrechtmatig werd verdiend. En op zedelijk gebied is het al niet veel beter. Het huwelijk wordt niet meer heilig geacht. De echtscheidingen vermeerderden zich op onrustbarende wijze en de losmaking van al wat tot nu toe als zedelijk heilig en goed en recht werd erkend en de eeuwen lang onwankelbaar scheen, neemt vreeselijke afmetingen aan. Zoo is schier op elk gebied de zedelijke ontbinding te speuren, die voortwoekert zonder dat er van eenige roering der conscientie bij de massa sprake valt.
Dit nu is een treffend teeken van verval, van ontaarding van het Westersch leven, eene ontaarding, die ten slotte tot den ondergang moet voeren. Zoo staat dus op elk gebied een steeds zwakker en matter wordende dienst =^des Woords tegenover altijd hoogere eischen stellende tijden. De kerk heeft hare roeping, blijft die houden, terwijl zij toch zelve hoe langer hoe meer zelve blijkt aangetast en besmet door den geest dier tijden, die haar principieelste tegenstander moest zijn. En voor Gods volk, dat voor dit alles het oog geopend heeft, is dit juist het bangste. Door de kerk in haar officieelen vorm wordt het volk des Heeren dikwijls niet verstaan. Zij keert zich maar al té vaak tegen hen als tegen de onhandelbaren en de lastigen, de ontevredenen, die men beter kwijt kan zijn. Zij zien het aan, hoe alles wankelt en dreigt te verzinken. Zq gevoelen, hoe machteloos zij er tegenover staan, hoe hun woord en hun vermaan in den wind wordt geslagen. Maar des te meer klemt dan ook de roeping om de getrouwe dienaren des Woords te schragen door het gebed, te steunen en te sterken bij de volbrenging hunner taak. Want dit juist is voor hen eene schoone en ryke vertroosting, dat zij mogen weten, hoe hun arbeid en hunne personen gedragen wordt door het gebed dergenen, die bidden leerden. En zijn het er dan in onze dagen weinigen, welnu indien het er dan nog maar weinigen zijn. De Heero neigt zijne ooren tot het gebed desgenen, die gansch ontbloot is en Hij is machtig hunner te gedenken, die oj5 zijne goedheid hopen. Hij heeft beloofd zyne kinderen niet te zullen begeven noch verlaten. Als een buit zullen zij hunne zielen uitdragen. Doch dat zal alleen kunnen, indien z^' de zonde dezer eeuw voelen wegen op hun hart. En daarvoor is het noodig, d dat de trouwe dienaren des Woords indachtig zijn aan de vermaning des apostels : En weet dit, dat in de laatste dagen j h ontstaan zullen zware tijden, opdat de prediking de» Woords het ©og der gemeente ontdekke voor den aangrijpenden ernst, die in dszen geweldigen tijd ons toespreekt uit heel het karakter van ons leven, uit den geweldigen krijg en uit de zwarte wolken, die achter dien krijg opdoemen aan den horizon.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 mei 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's