Uit het kerkelijk leven
V.
Men heeft 't leelijk bedorven, door van de Kerk een Vereeniging te gaan makf n een Vereeniging van elk wat wils; onder een Bestuur dat alles in 't werk moet stellen om alles bij elkaar te houden en allen zooveel mogelijk te bevredigen.
't Is nog wel een Kerk.
En deze Kerk heeft nog wel een belijdenis.
Maar eigenlijk heeft het toch ook weer veel te weinig van een Kerk; en eigenlijk is de belijdenis er toch alleen maar voor 't fatsoen, om er verder geen rekening mee te houden.
En dat vindt de Kerk zelve goed. Dat draagt zij; dat bestendigt zij; zij wil dat vooreerst maar zoo houden! Natuurlijk geeft dat allerlei last. Maar als 't kan moeten dan de lastigsten er maar uit! En die lastigsten zijn de gereformeerden.
Als die een weinig aanleiding geven oor wat ruw het heilige synodale huisje an te raken, dan moeten ze maar uitgebannen.
Dat lid van het lichaam wordt dan eenvoudig afgesneden, en daarmee uit. Zoo zijn er al heel wat zonen en dochteren van hetzelfde huis buiten de deur gezet, zonder dat men hen ook stelfs 't minste meegaf, dat van nut kon zijn op de reis door de woestijn.
Neen — men kon niet zeggen, dat dit u merieehen waren, die zoo zwaar geondigd hadden tegen de duidelijke uitpraken van Gods Woord.
Men kon niet zeggen, dat zij gansch n al vervreemd waren van de beginselen, eergelegd in onze kerkelijke belijdenischriften.
Neen — dat niet. Maar 't past toch niet, dat men de dealen van de synodale heeren in den eg staat!!
't Past toch niet, dat men sommige leerars „wolven in schaapskleeren" noemt!!
't Past toch niet, dat men een pleit voert voor de formulieren van eenigheid en alzoo de Kerk weer brengen wil onder en druk van „de Dordtsche kluisters"!!
Dan er maar liever uit En zoo zijn vervolgd, geplaagd, verjaagd broeders en zusters van hetzelfde huis — zooals er nog nooit zijn weggejaagd en vervolgd en geplaagd! Waarom ? Omdat men niet duldde, dat'men de idealen van de synodale partij tegenstond. Dat was heiligschennis.
Dat moeit gewroken worden. En 't is gewroken. Wat heel den kerkelijken strijd heeft vertroebeld en bedorven. Omdat nu eenvoudig afgesneden zijn en buiten de Kerk leven die in de Ned. Herv. Kerk thuis hooren. Ze hooren er nog bij, hoewel ze er buiten leven.
En dat is, onder gansch endere omtandigheden, in 1886 wéér zoo gegaan.
En dat gaat van jaar tot jaar zoo. Men heeft alles zoo ingericht, dat het ij alles meer gaat om de eere van het synodale huisje dan om het waarachtig elang der Kerk. En het recht van den terkste heerscht. En zoo brokkelt de boel af; stuk voor stuk valt — wat maar niet eenvoudig mag worden bezegeld met de uitspraak: „zie zoo, die zijn er ook weer uit!"
Wonderlijke dingen zijn gezien in de eeuw die achter ons ligt. En voor vreemde, héele vreemde dinen staan we nu!
't Is een chaos. En wie zal orde scheppen in dezen warwinkel? Wie zal deze kluwen ontrollen ?
De Regeering heeft 't makkelijk. Die is de betaalmeester geworden voor de Kerk; de rentmeester en kassier; en de Regeering zegt eenvoudig: „die bij de synodale regeling blijft, die is Hervormd en trekt van de Hervormde Kerk", ook al is men geheel en al afgegleden van het fundament van ouds gelegd; ook al is men geheel vervreemd van de belijdenis, van ouds aangenomen; ook al heeft men eigenlijk niets meer van 'tgeen een echt gereformeerd mensch past. Toch blijft de Regeering de zoodanigen beschouwen als behoorende tot de Hervormde Kerk en men deelt en blijft deelen in de rechten, die toegekend zijn aan de Kerk, die de voortzetting is van de aloude Gereformeerde Kerk van dezen lande.
Maar.... die op hetzelfde fundament staat als 'tgeen vanouds gelegd is, die van harte onderschrijft de belijdenis der Kerk, doch het niet al te best vinden kan met de synedale organisatie, welke organisatie knoeierig handelt ten opzichte van Gods Woord en de kerkelijke belijdenisschriften, ziet, die moet oppassen, want hij komt straks naakt aan den dijk te staan, waarvan de Regeering zich heusch! niets aantrekt.
Krom, krom, krom heeft men alles getrokken.
En dan zegt men hier in Nederland, dat alles vlak ligt, dat alle» recht staat, e dat het is als zonder vlek en rimpel!
Waarbij haat, blinde haat het harte vervult tegenover allen, die dorsten aanraken het synodale huisje!
Terwijl in den grond van de zaak eigenlijk ook weer niemand vrede heeft met die synodale regeling der dingen. Dat maakt de zaken zoo moeilijk. Dat veroorzaakt, dat eigenl^'k alles zoo oneerlijk staat.
En neen, dat kunnen we niet oplossen door er deze of die partij uit te jagen. Dat kunnen we ook niet oplossen door alles te laten zeoals het is. Uitzieken gaat niet. Want uitzieken leidt in dit geval-tot den dood. En, voor iedere partij, voor iedere richting eigen rechten verzekeren en zoo te komen tot een vredig samenwonen der onderscheidene partijen in éen en dezelfde Kerk, dat gaat ook niet. Dat strijdt tegen de eenvoudige opvatting van het begrip Kerk.'
Wegjagen gaat uiet. Bij elkaar houden gaat niet. Maar wat dan? |
Overal liggen voetangels en klemmen. Want zijn er velen van de gereformeerden in de Herv. Kerk en velen buiten haar — wat niet door een eerlijke oplossing ie geschied — ook is dat 't geval met de niet-gereformeerden. Vrijzinnigen in de Herv. Kerk. Maar ook velen buiten de Herv. Kerk, 'tzij men behoort tot de Remonstrantsche of Doopsgezinde of Luthersche Kerk, hoewel misschien van huis uit Hervormd zijnde.
De gereformeerden verdeeld en verstrooid — hoewel ze van één belijdenis zijn en één gedachte Hebben in zake de wijze van kerkelijk saamleven. Nochtans escheiden van elkander levend.
En zoo ook de Vrijzinnigen. En dat komt nooit in orde in den weg van uitzieken.
Ook niet in den weg van evenredige vertegenwoordiging. Ook niet in den weg van vereeniging rondom den grootst gemeenen deeler der orthodoxe belijdenis.
De menschen zijn geen lantaarnpalen, die men de eene keer lichtgroen en de andere keer donkergroen kan verven. waarin men nu eens een petroleumlamp zet, dan weer een gasleiding maakt en dan weer een draad voor electrisch licht fabriceert.
Een mensch heeft een belijdenis of hij heeft er geen. Maar allen te vergaderen rondom den grootst gemeenen deeler van een belijdenis gaat niet; dat gaat niet met den gereformeerde en dat gaat ook niet met den vrijzinnige. Wat is dan eenvoudiger dan het van de verschillende richtingen te aanvaarden en tegen de leuze: „bij elkander houden!" ten strijde te trekken?
Wat ligt meer in de lijn dan met Dr. Schokking van Leiden te zeggen „Elke Kerk voor zich zal tot bewustheid moeten komen van haar eigen karakter maar daarbij tevens ook met de ander rekening moeten houden en zich afvragen in hoeverre het afzonderlijk naast elkaar voortbestaan gewettigd is. Zóó alleen kan het weer tot kerkelijke onderscheiding komen, waarin klaarheid en vastheid is.»
Daar moet het heen. En daar gaat het heen. God Zelf drijft 't er 'heen. Er is éêne absolute. Goddelijke waarheid.
Maar het receptie vermogen is bij ieder niet 't zelfde. Ook doet het feit der zonde hier verwarring komen. En zoo ts de opvatting aangaande de waarheid steeds pluriform geweest en zal dat splitsing, proces zeer zeker vérder gaan en dwingen tot een onderscheiden saamleven in kerkelijke gemeenschap naar eerlijke overtuiging voor zich zelf vrijheid vragend en aan anderen vrijheid gevend, Laat men dat nu niet doodslaan met het woord pluriformiteit.
Want modern is iets anders dan orthodox.
Ethisch is iets anders dan gereformeerd. Laat men zóo eerlijk worden, dat men erkent dat bestaat wat bestaat; dat men aanvaardt wat er is; datmen rekent met hetgeen leeft en zich beweegt.
Nu is die verscheidenheid er ook. In de Herv. Kerk èn daarbuiten. Nu gaat het ook om — laten we het zoo eens mogen noemen — om een vrijzinnige, een ethische en een gereformeerde richting, in de Hervormde Kerk en daarbuiten.
Alleen loopt nu alles schots en scheef door elkaar terwijl het naar den eisch van het beginsel is, dat men tot bewustheid moet komen van 't eigen karakter, om dan, rekening houdend met eigen inzicht en het inzicht van anderen, aan te sturen op een afzonderlijk voortbestaan naast elkander.
Wat werkelijk is moet zich ook alzoo openbaren. Dat is eerlijker, dan dat men over elkander tracht te heerschen en anderen dooddrukt, om onder de hand zelf verteerd te worden door allerlei onaangenaam partij-gehaspel.
Laat daarom ethisch bij ethisch, gereformeerd bij gereformeerd en vrijzinnig bij vrgiinnig zich voegen, om elk afzonderlijk kerkelijk saam levend, den edelen strijd te aanvaarden die er dan te strijden is, in het midden van het religieuskerkelijk leven.
Evenredige vertegenwoordiging geeft dit niet.
Dat is iets dat strijdt tegen de natuur van het kerkelijk saamleven en het kan niet vereenigen wat bij elkaar hoorde maar nu reeds gescheiden is.
Het streven van de Hervormde Broederschap kan dit evenmin geven.
Wie een belijdenis, een overtuiging, een levensbeschouwing heeft laat dit niet nivelleeren of neutraliseeren door ènderer overtuiging of belijdenis.
Men moet de onderscheiding der belijdenissen aanvaarden en erkennen. Wat het streven van de' Utrechtsche hoogleeraren vóór heeft boven het streven van anderen. Welk streven om te komen tot een modus vivendi evenwel ook weer tegen heeft, dat men in de ééne volkskerk onderscheidene belijdende kringen met administratieven band wil saamsnoeren en bij elkander houden, opdat voor de kinderen van elk der onderteekenaars in de Vaderlandsche Kerk een plaats en een zegen zal zijn.
We zouden zoo gaarne de realiteit van het leven aanvaarden. Maar dan ook handelen naar de realiteit van het leven. De handelingen toch die het meest aansluiten aan de natuur van de dingen zijn altyd de beste; 't meest gezond; 't profijtelykst.
En daarom wat moet er gebeuren ? Men moet ophouden met de leuze: de Hervormde Kerk is een religieuse Vereeniging van elk wat wils.
Dat is een leugen. ' En ieder ervaart het bedriegelijke van die leugen op z'n tijd.
Ook moet men ophouden met de leuze: n Nederland mag en zal maar één protestantsche Kerk zijn, de Volkskerk, de Vaderlandsche Kerk — welke Kerk dan e Ned. Hervormde Kerk zal moeten zijn. De realiteit van het leven vloekt tegen eze leuze.
Ook moet men niet aanheffen de leuze: n de ééne volkskerk moet een kring van leinere kringen zijn, ieder met een eigen elijdenis.
Want dat strijdt met elke opvatting n zake het begrip Kerk. Een Kerk is geen blokkendoos. Een Kerk is geen huis waar men kaers verhuurt.
Een Kerk is een Kerk — of 't is niets! Nog eens: wat moet er dan toch geeuren ? Ons dunkt: de Ned. Herv. Kerk moet e vrije beschikking krijgen over eigen oed. Dat de Regeering rentmeester en kassier is en zooiets van kerkvoogd, moet uit zijn.
En de vrije beschikking hebbend over eigen goed, moet eerlijk onder de oogen gezien worden en eerlijk saam worden besproken: wat de Ned. Herv. Kerk van huis uit is en behoort te zijn. Waarbij 't voor óns vaststaat, dat zij ia de voortzetting van de aloude Gereformeerde Kerk, staande op hetzelfde fundament dat door de Vaderen is gelegd, overgenomen van de Apostelen en de profeten.
Waarbij dan ook in 't geding komt, wat intusschen in den loop der jaren, — gij 't onder 'voortdurend, steeds aangroeiend protest, — is geschied in de afwijking van de voorvaderlijke lijn en met toelating en bevoorrechting van richtingen en partijen, die rechtens niet in onze Hervormde Kerk thuis hooren.
Daar zal rekening mee gehouden moeten worden. En nu zal gezocht moeten worden niet naar een wijze waarop men saamleven kan en zal kunnen blijven saamleven, tot zegen voor onze kiiideren en kindskinderen — want dat is ten eenenmale in een Kerk onmogelijk — maar er zal gezocht moeten worden, naar de meest eerlijke, de meest natuurlijke, d« meest profijtelijke manier, dat uit elkaar gaat wat niet bij elkaar hoort, met eerlijke en billijke schikking van 't geen er geregeld moet worden.
Laat men dat nu niet met allerlei leelijke woorden gaan bestrijden, om het dood te slaan.
Want men slaat de dingen die groeien zoo maar niet dood.
Wat leeft komt toch telkens weer naar voren.
En de natuur der dingen geweld aan te doen is niet verstandig en niet voordeelig.
Wat wij willen is dus niet de boel uit elkaar nemen, zooals men een blokkendoos uit elkaar nemen kan.
Dat gaat niet, We bedoelen niet „de Kerk in stukken kuippen." • We bedo'elen niet „boedel-cheiding."
We bedoelen niet verschillende Kerken naast elkaar fabriceeren, elk met een fabrieksmerk geteekend en met een herkenningsnummer voorzien.
Deze dingen laten zich niet „maken."
Men kan deze dingen niet „op bestelling leveren" tegen een bepaalden tijd.
We willen alleen, dat de natuur van de meest natuurlijke dingen geen geweld wordt aangedaan.
Dat men niet over de dingen heenleeft.
Dat men geen struisvogelpolitiek voert.
Dat men niet meent, dat het fabriekswerk is.
Neen — we zullen op historischen bodem moeten wandelen.
Om dan niet „schoon schip" te maken, zooals de mannen van de guilliótine dat meenden te moeten en te mogen doen.
Ook niet om te denken en te handelen alsof alles wel vanzelf terecht komt.
Niet laten uitzieken.
Ook niet redeneeren, alsof spoedig héél het volk broederlijk en zusterlijk in liefde en vrede zal saam won en in die éene, ' vaderlandsche Kerk, welke wij Hervormde Kerk noemen.
Ook niet pogen, om onder het éene dak van de vaderlandsche Kerk de verschillende kamers te verhuren aan verschillende bewoners, die alleen wat huur hebben te betalen en overigens vrij naast elkaar leven mogen en zich mogen bewegen naar hartelust.
Nech het een noch het ander stemt overeen met de realiteit der dingen.
't Een is even onnatuurlijk als 't andere.
En daarom laat ons voortvaren om onszelf bewust te worden wat onze Hervormde Kerk ia en wat zq zijn moet.
Dat zal ons brengen tot het vasthouden, tot het beter verstaan, tot het handhaven en verdedigen van het gereformeerd beginsel ; van de rechten onzer aloude Gereformeerde Kerk — om tegelijk aan te sturen op een ontplooiing van het religieus-kerkelijk leven in ons Vaderland, waarbij vrijzinnig bij vrijzinnig, ethisch bij ethisch en gereformeerd bij gereformeerd komt.
Waarbij wij in de toekomst zien, dat het zijn zal, zooals het nu is, dat er onderscheidene richtingen zijn van religieuskerkelijken aard, maar dan eerlijker saamgevoegd en eerlijker gescheiden dan nu 't geval is.
Waarbij een eerlijke concurrentie kan ïijn.
Waarbij een eerlijke strijd kan wezen.
En waarbij we zooveel vertrouwen hebben ên in ons gereformeerd beginsel, dat naar Gods Woord is, èn ook in ons Nederlandsche volk, dat voor de religie niet onverschillig is, — dat we er geen oogenblik aan twijfelen of de Gereformeerde Kerk heeft een toekomst in het midden-van het Nederlandsche volk.
Ja — laat ons dat ideaal voor oogen houden.
En laten we ons haasten om tot het bereiken van dat ideaal op eerlijke en natuurliyke wijae te geraken, opdat ónze kinderen een plaats en een zegen mogen hebben in het midden van de Kerk, die van ouds hier is geplant, niets anders wetende dan de belijdenis van God Drieeeuig naar luid van des Heeren eeuwig blijvend Woord.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 mei 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's